12-04-18

ANGEL (40)

I, 07


‘Paus!?’
‘Paus!?’
‘Eén ervan,’ knikte Lucifer. Hij greep naar een volgende fles Christustranen en boerde krachtig.
‘Het wordt spannend!’

‘Tijdens de tweede helft van de veertiende eeuw en in de beginjaren van de vijftiende eeuw wemelde het van de kerkpausen. Het was een verwarrende tijd. Iedereen wiens naam ook maar eventjes op –us eindigde, of zijn naam daarop liet eindigen, claimde het pausschap. Nou, ik overdrijf wat. Dat zorgt ervoor dat de mensen onthouden wat je gezegd hebt hé. De Kerk – brr, dat woord! De volgende stap is Kerker – vertoonde barsten, ja zelfs borsten: er doken ook pausinnen op. Ikzelf zetelde op de pauselijke troon vanaf mei 1409. Dat was in Bologna. Teneinde verkozen te worden, had ik mijn omvangrijke netwerk op aarde geactiveerd. Toch zou mijn heerschappij het jaar daarop stoppen; samenzweringen tussen koningen en concilies zorgden daarvoor.

Mijn concurrenten, Gregorius XII en Benedictus XIII resideerden respectievelijk in Rome en in Avignon. Dat zinde me niet. Er zat ook nog een pausin in Avignon: Bartelijne Malfait, ofte Mollefayt/Mallefait/Mallefey(d) – de schrijfwijzen variëren, gezegd en geschreven paus Malfactus I. Zij verbleef in een luxebordeel, want zij predikte onvoorwaardelijk de liefde. Deze papissa was een van mijn minnaressen op dit ondermaanse. (Bengele Tengele in de zesde hemel vergeve het mij.) Zij was paus kunnen worden door zich als man voor te doen. Een medeplichtige samenzweerder hielp haar daarbij. Er was namelijk een stoel die een gat had in het midden van de zitting. Elke kandidaat-paus moest op de stoel plaatsnemen waarna een geestelijke onder de stoel voelde. Als die nadien de woorden Testiculos habet et bene pendentes uitsprak, was de kandidaat geschikt voor het pausschap. Hij heeft testikels en ze hangen goed. Nou, bij Malfactus I waren het andere zaken die goed hingen, dat kan ik jullie verzekeren. De medeplichtige deed zijn werk; als dank liet Bartelijne hem kort daarna uit de weg ruimen. Zij hield het een paar jaar vol als paus-zonder-kloten. Tot ze per ongeluk een kind uit haar schoot liet rollen tijdens een stoet; toen waren alle rapen gaar, maar dit doet hier niets ter zake. Laten we ons tot de hoofdzaken beperken.

Die Benedictus XIII, die dus ook in Avignon zat, was een (uiteraard verre) nazaat van de Lazarener. En die was in het bezit gekomen van de oorspronkelijke testamentrol van de Nazarener. De koopman die de rol ooit op een marktje had gekocht, de man van één van Lazarus’ stiefzussen dus, reisde namelijk op zekere dag met de grootste moeite en gesteund door zijn vrouw en kinderen in terminaal zieke toestand naar Frankrijk, waar hij Lazarus opzocht en hem de rol cadeau deed. Lazarus stierf bijna weer van vreugde toen hij de opgerolde vellen herkende. Het ding bleef in de familie, generatie na generatie. En het waren krachtige en vruchtbare generaties, want Lazarus was stevig uit de doden opgewekt: de genen gingen duchtig aan het werk en plantten zich gezond en gezwind voort. Uiteindelijk was het enkele eeuwen later nog dankzij die rol dat Benedictus XIII het ook tot paus schopte. Of althans: tot één ervan. De relikwie speelde een hoofdrol in zijn verkiezing.

Op dit punt bracht ik paus Malfactus I in het spel. De nagelaten geschriften van mijn boezemvijand moesten en zouden in mijn bezit komen. Die dure eed had ik gezworen. Ik zocht paus Malfactus I incognito in Avignon op. Nadat ik haar drie dagen lang in al haar openingen genaaid had – wat is een paus zonder kloten toch lekker –, ontvouwde ik haar mijn plannen. Diezelfde nacht nog zocht ze de vertrekken van haar medepaus op. Diens genen waren er de oorzaak van dat hij alleen van mannelijke openingen gebruikmaakte bij het alom verbreide spel der seksen. Malfactus I/Bartelijne Malfait maakte dus duidelijke avances in die richting. Vlak voordat de vreugdestoot plaats zou vinden, onthulde Malfactus I echter de ware toedracht van de zaak en verkrachtte ze Benedictus XIII door onder bedreiging van een pas geslepen kromzwaard zijn purperen kardinaal in haar gesperde liefdesgleuf te dwingen. De Heilige Stoel – jawel: de fameuze kakstoel met het gat in het midden – daverde hierbij van het onheil. De paus kwam niet klaar aan de voorkant, maar zette uit pure paniek alle sluizen open aan zijn achter-, nou: onderkant. De sluitspier in zijn spleet opende zich als een bruine zee terwijl zijn frontale staf zich onwennig in een vreemde grot bewoog. Hij scheet omstandig zijn galopkak dwars door de Heilige Stoel heen en gaf daarna door een eikelinfarct annex hartfalen de geest. Exit een van de pausen. De rest was een koud kunstje voor mijn geliefde papissa. De rol van de Nazarener was de hare. Als tegenprestatie neukte ik haar nog drie extra dagen lang, waarna ze mij uitgeput en verzadigd de vellen overhandigde. Daarna keerde ik terug naar Bologna. En hier liggen ze dus, als zaden in ’t kunstgras… ‘