26-04-18

ANGEL (41)

Lucifer haalde diep adem. Bij het uitademen kwamen er twee steekvlammetjes uit zijn neusgaten.
‘Maar wat staat erin?’ vroegen Erik en Marlize tegelijkertijd en door elkaar heen. Lucifer stond op en schopte de resterende flessen Christuswijn om. De vellen op het gras rolden zich fluks weer op. Hij plukte de rol van de grond, ontvouwde die in haar geheel en begon hoogdravend voor te lezen van een vel dat hij willekeurig uit de stapel koos:

‘Hoed u voor mijn alter ego. Zwavel en vuur brengt hij naar de aarde. Zijn vlees verschroeit jullie vlees. Het gif van zijn tong dicteert valse verhalen. Van de noten op zijn zang worden jullie doodziek. Ontaarde bloedcellen, wilde bijenbendes en woeste hagelbollen laat hij in vijandige horden aanrukken. Zijn vork jaagt jullie op stang en houdt jullie klem. Zijn angel werkt verlammend en verstikkend. Overal kan hij zich schuilhouden: in rabarberstruiken, sacristieën, hondenhokken of pis- en pashokjes. Gezegd en geschreven is Lucifer zijn naam. Hij zal op aarde verschijnen tijdens het bewind van de allerlaatste paus, bij wie in het oorspronkelijke wapenschild het dubbele kruis ontbreekt en van wie reeds door Franciskus van Assisi is voorspeld:
in de tijd van de Grote Verdrukking zal een man als paus opstaan, die door zijn sluwheid velen zal doen dwalen en doen sterven... Sommige predikers zullen zwijgen over deze waarheid, anderen zullen deze met voeten treden en ontkennen... ,want in die dagen zal Jezus Christus hen geen ware pastor sturen, maar een vernietiger.’

Lucifer hapte even naar adem.
‘Lang geleden dat ik nog Aramees moest lezen en vertalen,’ zei hij. ‘En de slordige kalligrafie maakt het er verdorie niet makkelijker op.’
Marlize en Erik verroerden geen vin. Pasja lag roerloos aan zijn ketting; zijn kop straalde gespitste aandacht uit. Ook Denise de hondin leek zich in een opperste staat van concentratie te bevinden.
‘Bereid om nog meer te aanhoren?’ vroeg Lucifer.
Ze knikten werktuiglijk en hij koos een ander vel uit.
‘Onderzoek jullie dromen en nachtmerries en jullie zullen mijn testament begrijpen. Er zal daardoor een licht ontstaan dat ruimschoots het middaglicht op aarde overtreft. Ontdoe jullie van de beperkingen van het lichaam en jullie zullen de hemelse vrede bevatten. Misschien ook de helse. Er zal daardoor een warmte ontstaan die vele malen intenser is dan de aardse zomerwarmte. Misschien ook hitte. Het is jullie vrijheid te kiezen voor het goede of het slechte. Wie voor de hemel openstaat, zal in de hemel komen. Wie voor de hel openstaat, zal in de hel komen.’

Marlize en Erik luisterden niet alleen met gloeiende oren, maar trokken ook steeds groter wordende ogen: tijdens de voordracht leek de duivel langzaam een transformatie te ondergaan. Waar hij als afgelikte parvenu van middelbare leeftijd was gearriveerd (pommade in het glad achterover geharkte uitdunnende zwarte haar, streepje snor, dure aftershave, perfect zwart maatpak, geel-zwart gestreept hemd), daar veranderde hij nu van kleuren, kleren, lijf en stem.

Hij leek tegelijkertijd te zweten, te gloeien en te smelten. Zijn huid werd craquelé en leek zijn kleren te absorberen. Zijn vlees werd wasachtig. De klank van zijn stem daalde tot dieptes die het luisteren pijnlijk maakte en hij sprak nu alles achterstevoren uit, wat een onbegrijpelijk brabbeltaaltje veroorzaakte. Daarbij floepte om de haverklap een gespleten slangentong uit zijn mond. Simultaan floot hij de tune van RacecaR achterstevoren. De angel in het kruis van zijn broek rees daarbij onrustbarend. Deze laatste stuiptrekking deed de beide honden klaaglijk jankend overeind komen. Plotseling begonnen de kruinen van de berkenboompjes hevig te ruisen; een onverwachte wind stak op. De derde windstoot rukte de vellen uit de handen van de duivel, die nu ongeveer de status van mummie bereikt had, weliswaar in erectietoestand: een laatste teken van leven. De vellen zeilden in diaspora de lucht in en werden via wervelende dolle luchtbuitelingen en –lussen naar de vijf windstreken meegevoerd.

Erik en Marlize sprongen overeind en deinsden terug. Het tuintafeltje met de flessen en glazen tuimelde omver. Pasja rukte huilend aan zijn ketting; Denise vluchtte jankend naar binnen. De lege oogkassen van de duivel gloeiden op. Tussen zijn ontvleesde vingerkootjes manifesteerden zich nu aan elke hand drie sigaretten, die in een mum van tijd helemaal opschroeiden. Uit zijn ontblote angel spatten gensters. Een volgende windstoot joeg de fik helemaal in de wapperende vaandels van de mummie. Lucifer vatte vlam. Knappend en knetterend als een vuur van gedroogd aardappelloof einde zomer krulde hij op en warrelde hij in het kunstgras neer, waar hij een cirkel van grijze as achterliet.

De commentaren zijn gesloten.