26-03-18

ANGEL (39)

I, 06


Lucifer ging zitten en stak van wal.

‘De Nazarener bleef achter in de grotten van de Essenen om verder aan zijn autobiografie, zeg maar: testament te werken. Zijn leerlingen, Maria Magdalena en zijn vertrouweling Lazarus had hij uit bekeringsdrift eropuit gestuurd, gewapend met de kopieën van de eerste versie van zijn testament. Die laatste twee vertrokken samen naar het zuiden van Frankrijk, in opdracht van hemzelf. Hij vertrouwde Lazarus volkomen en zond hem onder andere ook als lijfwacht met zijn geliefde mee. Zijn moeder ging terug naar huis.  

De vredelievende Essenen in Qumran probeerden de Nazarener milder te stemmen nopens een en ander, maar zijn extremisme nam nog toe. Hij geloofde meer en meer in vuur en vlam en zwaard. Op een bepaald ogenblik raakte hij zelfs slaags met een van hun leiders. Gaandeweg zonderde hij zich van de sekteleden af, in een aparte grot die hij van ze huurde. Ze slaagden er stiekem nog wel in een kopie van zijn testamentrol te maken, waarmee ze verder aan de slag gingen om er hun eigen versie van te vervaardigen. Kopieën van die Esseense versie zouden later, vermengd met de ‘reizende’ kopieën van de apostelen, de grondslag vormen van de officiële canon van de gewijde geschiedschrijving. Er is dus het heel eigenaardige feit dat dit hier’ – Lucifer knikte naar de vellen die nog altijd door vier flessen Christustranen op het kunstgras genageld lagen – ‘ja, dat daar, kijk maar eens goed, zowel de officiële als de apocriefe versie is, want het is die van mijn boezemvijand de Nazarener himself. De enige, de echte, de bebloede. Alle andere zijn gematigde mengvormen.

Maar hoe kwam ikzelf nu in het bezit van die rol?, zie ik jullie vragen. Wel, dat zal ik jullie met mijn gebruikelijke engelengeduld uitleggen.

Nadat de Nazarener zijn autobiografie, gelijk zijn testament, voltooid had, verliet hij op een nacht definitief zijn grot. Niet lang daarvoor had hij veertig dagen gevast, let wel: veertig dagen, niet nachten. ’s Nachts at en dronk hij wel wat, dat hij van de Essenen betrok. Hij was dus nog verzwakt toen hij de lange voetreis in westelijke richting begon. In dat westen woonden volgens hem de meeste ‘goddelozen’ zoals hij ze placht te noemen: zij die zijn evangelie nog niet kenden. Dus toog hij naar de landen van de ondergaande zon, waar zich nog weinig concurrentie met andere religies voor kon doen.

Terwijl hij zich op een warme namiddag onuitgenodigd te goed deed aan vijgen die hij van een boom in een gaard plukte, stoof de woedende eigenaar met zijn twee zoons op hem af en eiste geld. Omdat hij geen rooie duit had (hij had de Essenen de rest van zijn centen gegeven omdat de munten waardeloos zouden worden in andere verre landen die hij bereisde), vluchtte de Nazarener ijlings weg… driehonderd meter verder recht in de armen van vier struikrovers. Die waren afgekomen op het gekrakeel. Ze hielden zich verborgen aan de kant van de weg en legden zich even verder in hinderlaag. Ze dachten namelijk dat de reiziger toch wel een goedgevulde beurs op zich droeg, gezien hij er als iemand uitzag die heel ver zou gaan en geld zou besteden. De eigenaar van de boomgaard en zijn zonen keerden bij het zien van dat onheil onmiddellijk op hun stappen terug. En nogmaals, omdat hij geen rooie duit bezat, en dat ook vol bleef houden, en zij hem niet geloofden, want hij zag er ondanks stof en vermoeienis toch tamelijk chic uit, werden zes messteken zijn noodlot.

De misdadigers vluchtten met de testamentrol en zijn sandalen als enige buit. Die rol was nu nog meer bespat met bloed.

De barmhartigste zoon van de boomgaardeigenaar passeerde er diezelfde avond nog op een ezel. Hij dacht de reiziger nog de eerste of de laatste zorgen toe te dienen, maar alle leven was geweken uit de Nazarener. Op dat ogenblik passeerde er ook een uit de kooien van Rome ontsnapte gespierde gladiator, op weg naar het verre oosten. Samen wikkelden ze het lijk in een doek en hesen het in de kruin van de dichtste appelboom op neutraal terrein. Begraven zat er niet in: de grond was er te hard en te dor. Ze deponeerden het lijk tussen twee gevorkte takken als laatste rustplaats. Zo was het toch enigszins beschermd tegen de meeste wilde dieren. Mettertijd ontfermden zich natuurlijk de vliegende aaseters over dat lekkers. Mijn boezemvijand de Nazarener is dus eigenlijk nooit echt begraven. Volgen jullie nog, vrienden?’

Marlize en Erik knikten enthousiast.

‘Goed zo. Luisteren is belangrijk. Waar was ik gebleven… O ja. Aaseters. De struikrovers waren het Aramees niet machtig. Ze snapten niet wat er op de vellen geschreven stond en hoe belangrijk dat wel was. Op een van de talloze zwarte markten in de Levant verkochten ze de bebloede rol voor een appel en een ei, bewerende dat het een eigendomsakte was voor een stuk grond in Cilicië. Van de opbrengst werd het viertal viermaal dronken. Toen waren de centen op. En de rol was… foetsie. Dat laten we nu even los.

Ondertussen kreeg Maria Magdalena (tussen twee haakjes: een prachtige vrouw met twee schitterende vooruitzichten en een bedwelmende gleuf in het midden) een zoon. Tot nu toe heeft niemand ooit exact kunnen duiden wie de echte vader was. Er heerst namelijk nog altijd verwarring omtrent het tijdstip waarop Maria Magdalena en Lazarus naar het zuiden van Frankrijk vertrokken en ook over dat waarop de Nazarener zelf (even?) later zijn grot bij de Essenen verliet. Feit is dat Lazarus zo’n intieme vertrouweling van hem geworden was, dat hij in diens afwezigheid zich wellicht ook toegang had verschaft tot de geheime grot van Maria Magdalena. Hoe gaat dat in den vreemde, nietwaar. Het is een kwestie van maanden; de Schriftgeleerden zijn er nog niet uit.          

Nou, de zoon die dus daaruit ontsproot, was al net als het testament: officieel en apocrief. Van wie was hij?? Hoe dan ook: hij kon echt wel als ‘Lazarener’ aangesproken worden. En aldus gebeurde. Want net als de verhoopte vader, mocht zijn echte naam nooit vernoemd worden.

Even terzijde: wees niet verwonderd over de naam ‘Lazarener’. Pasja en Denise hier zouden toch ook een Pasjize opleveren hé? En jullie kennen toch ook de kruising tussen een pitbull en een shih tzu? Bullshit? Ha ha ha! Nu heb ik alleszins jullie aandacht! Seks en stront blijven het doen.’

Lucifer dronk nu uit een van de vier flessen die het testament op zijn plaats hielden en gaf de fles door aan Marlize.

‘Drink. Drink op een edel verbond. Dit is mijn… Nee, dat is erover. Ik vertel verder. De Lazarener groeide dus op in het zuiden van wat toen ook Frankrijk was, maar dat wist het nog niet. Toen na verloop van tijd zijn officiële pa de Nazarener maar niet opdaagde, trouwde Maria Magdalena dan maar met Lazarus, die zich na zijn opwekking uit de doden door de Nazarener altijd zeer levendig had gedragen. Ze kregen drie dochters, allen een flink stuk jonger dan de Lazarener. Ondertussen probeerden ze tussen het geitenhoeden door hun evangelie van de gekopieerde vellen te verkondigen. Dat viel niet vaak in goede aarde, want het betrof regelrechte kopieën van het ‘gewelddadige’ moederexemplaar van de Nazarener, die vuur en vlam en zwaard predikten. Na een meeting met bijzonder verhitte discussies, waarin het citaat van de profeet ‘Uw kinderen zijn uw kinderen niet’ een cruciale rol speelde, werden Maria Magdalena en Lazarus zonder vorm van proces door een vijandige sekte van de purperen heidenen ontvoerd, levend gevild en ingezouten en –gepeperd. Zo werden ze achtergelaten hoog in de besneeuwde Pyreneeën, waar ze een vreselijke dood stierven.

De dochters en de Lazarener gingen prompt ondergronds. Ze doken enkele jaren onder in Mulzaerje, een Baskische enclave in Frankrijk. Veel bekeringswerk ondernamen ze niet meer; dat was voor rekening van de apostelen, die wijd en zijd hun leer verkondigden. De Lazarener, de vermoedelijke zoon van de Nazarener, trouwde later met een bijenkweekster die in Allah geloofde. Zijn stiefzussen zwermden na verloop van tijd uit over de Maghreb, want op Franse bodem voelden ze zich altijd onveilig. De bijenkweekster schonk de Lazarener drie zonen, die later op hun beurt… maar hier laat ik deze draad even los. Jullie willen natuurlijk weten hoe het de rol verder is vergaan en hoe ikzelf die heb verworven?’

Marlize en Erik knikten.

‘Wel. De louche kerel die de zogenaamde eigendomsakte van een stuk grond in Cilicië gekocht had, kwam van een kale reis terug. Niks geen grond. Nog geen grasspriet. Hij liet de Aramese teksten grondig ontcijferen door een Schriftgeleerde en kwam tot de constatering dat hij een hoop opruiende pamfletten had gekocht waar de bloedvlekken nog opzaten. Dus besliste hij om te doen wat alle bedrogenen doen: anderen bedriegen. Hij verkocht op een van de vele openbare markten de rol aan een koopman uit het noorden van Afrika, bewerend dat het het testament van de heer Jezus Christus betrof. Deze waarheidslievende leugen leverde hem nog een aardig bedrag op, want de koopman was niemand anders dan de echtgenoot van een van de stiefzussen van de Lazarener. Die reisde in een opperste staat van gelukzaligheid terug naar huis. Toeval bestaat dus niet. Het bestaat het niet te bestaan.’

‘Wauw,’ deed Marlize.
‘Ongelofelijk,’ mompelde Erik. ‘En wanneer was jij dan aan zet?’
‘Tijdens mijn periode als paus,’ luidde het verrassende antwoord.

De commentaren zijn gesloten.