30-10-17

ANGEL (33)

I, 04


De sluierdoek en vooral het testament waren dus weer in het bezit van de stokheren, de militante tak van de Joodse Elkesaieten, die voor geen geweld terugdeinsde. Het manicheïsme in deze groep ging uit van een dualistisch wereldbeeld en kosmologie. Tegenover de heerser van het rijk van het licht (de Vader) stond de heerser van het rijk van de duisternis (de duivel of Ahriman). Geweld kon hierbij een oplossing betekenen: het licht moest hoe dan ook en te allen prijze zegevieren. De Nazarener (wiens naam ‘Jezus’ nooit hardop mocht worden uitgesproken, zelfs niet onder de spitsbroeders in de geheime grotten ten oosten van Jeruzalem) betreurde natuurlijk wel de dood van Veronica.

‘Het was een genadige dood,’ verzekerde Petrus hem. ‘Ze heeft niet geleden, nietwaar makkers?’
De twee anderen die mee op de dodelijke missie waren geweest, knikten onwillig.
‘Recht in het hart,’ mompelde Judas.
‘Niet geleden,’ bevestigde Mattias, de recentste aanwinst van de Elkesaieten.
De Nazarener keek ze een na een onderzoekend in de ogen, knikte en rolde voor de zoveelste keer de vellen van zijn testament zorgvuldig op. Er zaten bruin geworden bloedvlekken op.
‘Weet je zeker dat ze het gelezen heeft?’
‘Haar ogen spraken boekdelen.’
‘Ja, en ze kende ongetwijfeld Aramees. Ze verraadde zich toen we bij het binnenvallen Aramees spraken. Ze begreep alles en reageerde ook op onze eh… bevelen. Toen wisten we genoeg.’
‘We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.’
‘Goed, in orde. De sluierdoek van de betreurde Veronica hier is voor Jozef van Arimathea,’ zei de Nazarener. ‘Zijn honorarium voor het gebruik van het graf. Petrus: jij bezorgt het hem een dezer dagen. Maar geen woord over de ware toedracht van de zaak! Verklap hem niet dat… ’ Hij knikte even naar de kleine grot ernaast.
‘Ja, heer. Nee, heer.’
De Nazarener krabbelde moeizaam overeind (vier, zes handen strekten zich naar hem uit om hem te ondersteunen) en begaf zich nu naar de kleine belendende grot, waar Simon van Cyrene verzorgd werd sedert hij halfdood door Jozef van Arimathea eerst van het kruis gehaald werd om daarna in diens eigen  graftombe te worden bijgezet.
‘Simon, hoe gaat het? En ik die kort geleden nog dacht dat je dood was…’
‘Jozef van Arimathea heeft goed werk geleverd hé,’ glimlachte Simon pijnlijk.
‘Hij is in de waan dat jij in zijn graf ligt. Hier rust een embargo op, Simon. Vanaf nu ben je een van ons. Je bent ook mijn bloedbroeder. Hier.’
Hij likte zijn rechterwijsvinger, roerde er in de beker mee die Jozef van Arimathea had meegebracht en bracht een weinig van het bloed in een van zijn vele wonden aan.
‘Dank je, heer!’ stamelde Simon.
‘En ik die dacht dat dit postuum zou gebeuren! Hoe heb je die vreselijke marteling kunnen overleven!? IK moest daar gehangen hebben! Morsdood ondertussen!’
‘Gods wegen zijn ondoorgron… ‘
Simon stokte en verzandde in een vreselijke hoestbui. Ondersteund door de Nazarener richtte hij zich half op. Het bleef maar duren. Verscheurende hoestbuien leken de borst van de gemartelde aan flarden te rijten.
‘Johannes! Mattias!’ riep de Nazarener. ‘Water! Olie! Mirre!’
Maar het was al te laat: met een gekke doodshik en een rare ruk van zijn hoofd gaf Simon van Cyrene de geest. Er zou een bisbegrafenis nodig zijn.

Bij de Romeinse bezetter was Jozef van Arimathea niet geliefd. Hij was niet alleen lid van het sanhedrin, de Joodse rechterlijke raad onder supervisie van de Romeinen, maar hij werd ook verdacht van contacten met dissidente groeperingen. Het was bekend dat hij het lichaam van Simon van Cyrene van diens kruis had bevrijd. Zo werd hij ook zonder dat hij het merkte gevolgd toen hij de beker met Simons bloedafname erin aan de oppositiegroep van Petrus en consorten overhandigde. De achtervolgers lieten even betijen, want ze hadden orders gekregen de grote vissen te vangen, en niet de kleine garnalen. Daardoor kwamen ze bij ene Judas terecht, in een achterafsteegje in de grauwste buurt van Jeruzalem. Dat was blijkbaar het tussendepot. Judas, zelf een samenzweerder en ex-spion, bufferzoon tussen Romeinen en Joden, liet zich niet onbetuigd. Hij verwisselde de echte beker voor een gelijkaardige mok met enkele druppels van zijn eigen bloed en slaagde er zelfs in die voor dertig zilverlingen aan de achtervolgers te verkopen. Pilatus had namelijk ook verordend dat koste wat het kost de beker met die allerlaatste bloeddruppels bemachtigd moest worden om te beletten dat het een aanbeden en gegeerd symbool zou worden. Ook de sluierdoek van Veronica en vooral die geheimzinnige traktaatrol moesten nog dringend opgespoord worden. Enkele soldaten hadden gemerkt hoe de veroordeelde Nazarener tijdens de doodstocht die rol nog vlug in Veronica’s handen had gestopt, via die doek.

De commentaren zijn gesloten.