08-09-17

ANGEL (31)

Tussen de zerken op het kerkhof omheen de kerk en op het grasplein bij de parkeerplaatsen was het een slagveld. De Verkavelgemnaars leken op lazarussen die net uit de dood waren opgestaan. En de zon brandde ongenadig.
‘Kan men op twee of meer plaatsen tegelijk pijn hebben?’ riep iemand vertwijfeld uit. ‘Dit kan toch godverdomme niet!?’
‘Au… au… au… !’
‘Help! Help me!’
‘Ik ben allergisch! Help! Naar de apotheek!’
‘Ik ook! Ik zwel op! Ik ga dood!’
Marlize en Erik waadden tussen de gesneuvelden door.
‘Dat is het werk van de duivel,’ gromde Erik.
‘Misschien is dit een van zijn tien geboden,’ hijgde Marlize. ‘Gij zult niet… pff… gij zult niet nieuwsgierig zijn.’
‘Zag je dat rare creatuur zitten vlak voor ons?’
‘Ja. Die zwarte snuiter met zijn ringbaardje?’
‘Soort kunstenaar zeker? Schilder, wedden?’
‘Moeten wij hier niet helpen? Wij zijn blijkbaar de enigen zonder steek.’
‘Nee, vooruit, niks aan te doen. Straks krijgen we wel nog een steek: een zonnesteek.’
‘Maar daarbinnen… in de kerk… ‘
‘Niks mee te zien. Ze moeten het zelf oplossen. Jij wou toch per se naar die begrafenis hé? Begrafenissen?’
‘Ja. Voor mijn boek. Vlug, opschieten: ik moet dringend gaan schrijven. Iets heeft zich geopenbaard.’

Robert van café Retro zat verwilderd voor zich uit te staren naast de zerk van een van zijn voorouders. Het zou nooit meer goed met hem komen. Hij was reddeloos verloren voor de mensheid. Bijen hadden hem zijn verstand ontnomen. Zijn oogkassen waren driemaal zo groot als gewoonlijk en zijn gespierde rechter voorarm – zijn taparm – zat giftig Pruisisch blauw.
‘Bijen… wespen… Robert: hadden we nu onze schietlappen meegebracht… onze katapulten! Weet je ’t nog? Schiet Maar Raak?’
‘Ha… !!‘ lachte Robert schril. Het was het overspannen lachje van iemand die uitgesproken kandidaat was voor de Laughing Academy – een rustig gebouw in een kalme groene zone waar iedereen van zijn zinnen beroofd was en daar niet verder op zoek naar wilde gaan: te kalm, te groen, te gezond. Net vakantie.
‘Driewhiskie!’ riep Robert ze nog na. ‘Ik ken een café in de voorstad dat Driewhiskie heet! Waar halen ze het!?’
‘Drie kisten,’ mompelde Erik. ‘Drievuldig. Driekistie.’
Hij wuifde Robert vaag gedag.
‘Heb je het ook zitten?’ informeerde Marlize. Ze klikte de auto open.
‘Jij bent de schrijfster hé; ik de componist. Alles is bruikbaar. Wat is het heerlijk en vrijblijvend om kunstenaar te zijn. Je kunt het je zelfs permitteren te beweren dat de duivel himself je prachtige dingen influistert. Een nieuwe wereld, voorwaar. Vrijheid alom. Ik heb zin om te juichen op deze begrafenisdag.’
‘Je vergist je; het is een engel die fluistert en de mens die luistert,’ zei Marlize.
‘Belangrijke voetnoot.’
‘Heel erg belangrijk. Lees altijd de kleine lettertjes. Advocaat van de duivel spelen.’
‘Bij mij zijn het nootjes’
‘Doet er me aan denken: we moeten Pasja en Denise nog voederen.’