16-07-17

ANGEL (29)

Op de zestiende rij zat een heerschap dat zowel advocaat als imker kon zijn. Omdat dit een begrafenis betrof, viel hij niet echt op: rouwtenues kunnen er soms heel apart of eigenaardig uitzien. Ondanks de zomertemperaturen droeg hij een lange zwarte pandjesjas. Bij het binnenkomen had hij een hoge hoed met driehoekige voile afgezet; die bevond zich nu op zijn rechterknie, die zenuwachtig op en neer wipte. Wie de voile zag, veronderstelde waarschijnlijk dat de man bij het protocol van de teraardebestelling hoorde. Onder de pandjesjas was even een glimp van een inktzwart hemd zichtbaar, waarover horizontale gele strepen liepen. Zijn pantalon vertoonde messcherpe vouwen. Zijn ravenzwarte uitdunnende haar was streng achterover geharkt. Een zo mogelijk nog zwarter kutbaardje omkranste zijn dunne lippen, die paars geworden waren onder invloed van de gebroken lichtinval doorheen diverse brandglazen. Zijn parfum combineerde de zoete rijpheid van de zomer met de kruidigheid van de herfst.

‘Een voltreffertje,’ dacht Marlize, die nog eens extra inhaleerde. Ze zat met Erik op de zeventiende rij, net achter de welriekende man. ‘Net zo goed stinkt het in kerken naar natte hond of ongewassen feestkleren die na jaren weer uit de kast zijn gehaald. We zitten hier wel voor een uur lang.’
Ze stootte Erik even aan, knikkend naar de man voor ze: ‘Ruik je dat ook?’
‘Solfer?’ opperde Erik, even opzij naar haar neigend. ‘Sigaretten?’
‘Heb je weer hooikoorts misschien?’ fluisterde ze geïrriteerd.
‘Sstt.’

Even over elven ontwikkelde zich een ver gezoem. Het naderde via de voorstad, zwol aan op het land, accelereerde ter hoogte van Verkavelgem en nam crescendo bezit van de omgeving. Bomen, houten tuinstoelen, houten afdakjes, houten raamwerk van vogelkooien en houten vensterluiken kregen in een mum van tijd een zwarte baard van bijen. Miljoenen beestjes smulden van het hout, kauwden het fijn en legden zo een voorraadje papierachtige stof aan om hun raten te maken. Een hoofdbij naderde tot dicht bij de kerk in Verkavelgem. Ze rook het lekkere onbewerkte hout van de drie lijkkisten. In onderling overleg hadden de families van de overledenen – die het niet breed hadden – namelijk geopteerd voor de eenvoudigste keuze van hout. Het was toch maar om in de grond te stoppen, nietwaar.

Als een lopend vuurtje verspreidde zich het nieuws onder het vlijtige bijenvolk: drie kisten onbewerkt hout! Honderden stoelen als toetje! Wierook inbegrepen! Brandglaslicht bijgeleverd!

De hoofdbij zond zeven verkenners uit om de toegangswegen tot de kerk te onderzoeken. In de kerk zelf nam het rumoer toe: de offerandegang naderde. De kassa rinkelde. Omdat het er aan toe zou gaan zoals overal in elke kerk bij elke begrafenis, zette een bediende van de uitvaartfirma alvast de kerkdeuren achteraan open, want een flink deel van de rouwtoeristen zou na de offerande naar huis verdwijnen. Kwestie van gezien te zijn en toch geen tijd te verliezen. De zeven verkenners keerden dus met goed nieuws terug: de kerk van Verkavelgem, met al dat lekkers erin, stond wagenwijd open!

Op de zestiende rij zat Lucifer, hoge hoed reeds in de hand, te grimlachen. Hij hield eigenlijk wel van bloedgolven, onweersvlagen en bijenaanvallen. Al was hij er – toegegeven – soms minder goed op voorbereid. Dit keer klonk het gezoem hem als muziek in de oren. Schielijk draaide hij zich om. Er stak een stuk kauwgum tussen zijn zwarte brokkeltanden. Bijna een schoonheidsvlekje.
Marlize en Erik schrokken zich rot.
‘Derde hoofdstuk van je roman, Marlize,’ grijnsde hij hardop, immer kauwend.
‘Erik: een zwanenzang? Ga je gang! Componeren! Fluiten! Redde wie zich redden kan!’