23-03-17

ANGEL (25)

Voorzichtig ontsluierde Veronica engele Babbe het testament. De bloedsporen op de rol en op haar sluier waren al bruin aan het worden. Vooraleer ze de vellen (blijkbaar waren er meerdere) open streek, viel haar blik op de sluier. Het smartelijke gelaat van de Nazarener stond er vrijwel geheel op afgedrukt. Gebiologeerd staarde ze naar de doek. Daarna boog ze zich over het bovenste vel, dat zich onwillig voortdurend weer op krulde.

Had de Nazarener door de onverwachte wending van zaken spijt gekregen van zijn gift aan een van zijn vriendinnen?
Nadat zijn ergste wonden wat verzorgd waren – de hele militie zat ondertussen weer veilig en wel verschanst in de quasi onbereikbare grotten van een rotsformatie ten oosten van Jeruzalem – , overlegde hij met zijn kompanen.
‘Was ik op de hoogte geweest van jullie plan, dan had ik natuurlijk de rol niet weggegeven,’ zei hij fel. ‘Waarom gaven jullie me geen informatie?’
‘Te riskant,’ repliceerde Judas. ‘We dienden te vaak een beroep te doen op tussenpersonen. Niemand is nog te vertrouwen heden ten dage. Hoe minder iedereen weet, hoe beter. De Romeinen hebben ook hun luistervinken. Zelfs onder ons. Die hoofdman vormde onze grootste hindernis. En duurste. Eh… we wilden wat jou betreft ook het voordeel van de verrassing. Sorry. Eh… de rol?’
‘Ja… de rol,’ papegaaide de Nazarener nijdig. ‘Mijn testament. Dat is nu in handen van die Veronica. Een vrouw. En… ‘
‘Dat is toch een goede vriendin van je?’
‘Ja. Ja ja. Maar mijn geschriften zijn nu niet bepaald vrouwvriendelijk.’
‘Tja… ‘
‘Vrouwen weren we toch uit onze militie? We hebben er van in het begin al over gestemd… ‘ 
De Nazarener inspecteerde nu met pijnlijke grimassen en gesis tussen zijn tanden enkele wonden.
‘Verdomd… dat snijdt door merg en been… au… au… ‘
‘Dan moeten we daar iets aan doen,’ kwam Petrus tussenbeide.
‘Gezien de onverwachte ontwikkelingen en in het belang van onze zaak zullen de spitsen van onze militie helaas een bezoek aan Veronica in de Habadweg moeten brengen. Het zit er dik in dat ze mijn testament nu al gelezen heeft. Aangezien ik toch nog in leven ben en aangezien ik van mening ben dat een man een woord is en een vrouw een woordenboek, zullen we moeten ingrijpen. Neem nog een derde man mee.’
Judas en Petrus stonden prompt op. Het woord van de leider was wet.
‘Oordeel naargelang van de situatie,’ verordende de Nazarener nog, terwijl hij zelf bijna ononderbroken sissend en lucht inhalerend zijn talrijke wonden verder depte. ‘Gebruik geen nodeloos geweld. Pols de vrouw Veronica eerst. Ondervinden jullie dat ze een en ander gelezen heeft, handel dan. Jullie weten wat je dan te doen staat. Collateral damage, jammer genoeg. Altijd te betreuren. Deze wending had ik echter nooit kunnen voorzien. Ik strompelde een zekere dood tegemoet, en die vrouw betekende toen mijn laatste hoop om vooralsnog het testament in veiligheid te brengen. Anders was het in handen van de Romeinse vijand gekomen.’
‘Ze zouden het inderdaad op de Schedelberg ontdekt hebben,’ bevestigde Johannes, die in opdracht van Petrus de stoet gevolgd was tot op de terechtstellingsheuvels. ‘Ze hebben die Simon van Cyrene volledig ontkleed. Niets bleef verborgen. Ze dobbelden zelfs voor zijn mantel.’
‘Het ware goed dat die man onmiddellijk vlakbij begraven kon worden; ga ook eerst even langs bij Jozef van Arimathea, maar kijk goed uit of jullie niet gevolgd worden. Jozef heeft er een graf dat reeds af is. Betaal hem voor de bewezen dienst. Johannes: ga ook maar mee. O, en vraag of Jozef voor enkele druppels bloed van die Simon kan zorgen. Hij verdient het mijn bloedbroeder te worden, al is het dan postuum. Hij is jezusfactorpositief.’
‘Ja heer.’
‘Waarom heb je die rol niet vooraf aan iemand van ons toevertrouwd?’ wou Judas nog weten.
‘Alles gebeurde te vlug. Voor ik het wist, was ik overgeleverd aan de vijand. Die avondwandeling… ’
‘Welja, precies: en donderdagavond dan? We zaten dan toch samen aan tafel?’
‘Maar toen kon ik nog niet weten… ‘
De Nazarener zweeg abrupt en bleef Judas met een onbestemde blik in de ogen aankijken. De echo’s van de onweersdonders leken zich nu te verwijderen. Het geruis van hevige regen – een zeldzaam verschijnsel in deze streken – had eensklaps opgehouden. Een verfrissende bries met een aangename geur woei de grotten in.
‘Ga nu maar,’ zei hij dan met een korte hoofdknik. ‘Au… au… !’