20-02-17

ANGEL (24)

Veronique en Jozef frunnikten wat met kleren, bepotelden elkaar af en toe en wisselden zatte moppen.
‘Ik moet dringend pissen,’ deelde Jozef na twee-en-een-halve Duvel mee.
‘Niet te lang wegblijven, liefke.’
‘Nee nee… even lekken,‘ antwoordde hij dwaas. Hij pootte zijn kelk op het salontafeltje neer en stapte onzeker naar de wasplaats achter de keuken. Toen ze door de openstaande deuren het geklater van zijn water hoorde, net niet overstemd door het vochtige geruis van het onweer, kreeg ze opeens ook een felle aandrang. Niet te doen. Het water kwam haar zelfs in de mond. Maar dit huis had godgenageld maar één wc. Ze haastte zich naar buiten, de diepe duistere tuin in, waar grote droppen hemelwater op het gebladerte pletsten. Verdorie, ze was zatter dan ze dacht. En alles was ook natter dan ze dacht. Ze gleed voortdurend uit. Over het smalle tuinpad laverend, bereikte ze de grote rabarberstruiken achter in Jozefs tuin.
‘Au! Au au au!’
Het laatste stuk van dat verrekte tuinpad was met lege in de grond geschroefde flessen afgezoomd. Een van die flessen was gebroken. Veronique was er met haar volle gewicht en haar zomersandaaltje op gaan staan, zich voorover buigend om enkele rabarberbladen opzij te duwen teneinde er een ongezien plasplekje te improviseren. Schroeiende glasstekels doorboorden haar voetzool; de pijn snerpte tot in haar borst. Ze schrok zich rot en kukelde kermend in de rabarberstruik. Gulpen bloed welden uit haar sandaaltje op. Ze eyeballde ontzet tegen de bliksemschichten in, heftig met haar armen wiekend, op zoek naar een houvast in deze vochtige kosmos. Hierbij mepte ze met haar rechterpols ook nog eens op de schervenfles die daarnet haar voet had doorboord. Fluks knapten haar aders. Ze zonk met een zucht achterover in de rabarberweelde, waarvan de twee bovenste van elkaar wegbuigende bladeren langzaam rood kleurden. In deze kelk vermengde haar bloed zich met de lauwe zomerregen en biggelde dan tappelings en sappelings van de bladeren af. De beide sappen verzamelden zich nog even in de grote gleuf van het onderste blad vooraleer ze de aarde bereikten, drup na drup na drup.
‘Bab… bab… bab… ‘ klonk het.

Nadat Jozef zijn dronken lulletje had afgeschud en (zijns inziens) voorlopig weggeborgen, constateerde hij het verdwijnen van Veronique.
‘Godvers retrowijf.’
Hij haalde zijn schouders op, stak nog een sigaret op en pakte zijn Duvel weer vast. Het was niet de eerste keer. Drank deed sommige mensen wel vaker verwarren tussen beslissingen en opwellingen. Ze had hem zelfs al eens een blauw oog geslagen zonder dat ze wist waarom. Morgen misschien. Of overmorgen. Dan zou hij haar pakken. Hij moest ook eens thuis kunnen blijven, verdomme. Die verrekte tuin vroeg aandacht. Hij goot haar bier bij het zijne en dronk rechtopstaand alles in één keer op.