21-11-16

ANGEL (20)

Ze ontdeed zich van haar sluierdoek, stapte onbevreesd op de bloedende man toe en depte met de doek zijn aanschijn. De soldaten maanden haar tot spoed aan. Terwijl dat gebeurde, siste de veroordeelde door de doek heen: ‘Hier, vlug, voor ik weer val: mijn testament. Pas op: het is nieuw. Het vervangt het oude. Verstop het op je lijf; niemand mag het zien.’
Terzelfder tijd toverde hij (ietwat beschermd door de sluierdoek) met de ene hand een rol vellen uit zijn verscheurde gewaad. Veronica aarzelde geen seconde, moffelde het razendsnel in haar doek en maakte zich weer uit de voeten. Blijkbaar had niemand de overdracht in de gaten gehad. Ze klemde de doek stevig tegen haar borst, waar haar hart hamerde hoog in de versnelling. Toen ze nog eens omkeek, zag ze hoe de man voor de tweede keer bezweek onder zijn balk-met-dwarshout. De Romeinen ranselden er vloekend op los.

Veronica engele Babbe haastte zich nu ongesluierd tegen de mensenstroom in naar huis. Iedereen leek ondertussen naar de hoofdweg gestuwd te worden, waar dead men walking in een vreselijke geselstoet vooruit sjokten, hun knekeldom tegemoet. Er waren niet minder dan dertien groepen, die telkens een veroordeelde in hun midden hadden. Aan de kruisheuvels zelf troepten inmiddels al honderden rampnieuwsgierigen samen. Sommigen hadden ook al het begin van de stoet gezien en waren dan ijlings via een omtrekkende beweging naar de plaatsen van de terechtstellingen gelopen. De duifgrijze lucht verschoot nog een tint of twee donkerder. De eerste bliksemserpentines wapperden boven de stad. Het was bloedheet, maar het zweet van de mensen voelde koud aan. Het was de temperatuur van een laffe stad die het in stilte uitschreeuwde.    

Die tweede val was er te veel aan. De soldaten plukten willekeurig een mannelijke toeschouwer uit de dikke rijen ramptoeristen en verplichtten die de doodsbalk een eind op zijn schouders mee te zeulen, in plaats van de veroordeelde.
‘Een koning mag toch niet sterven als een hond op straat!’ spotte een van de soldaten.
Na enig protest van de man en dreigementen plus zweepslagen van de escorte zette de stoet zich weer in beweging. Van die gelegenheid maakte de man met de doornenkroon gebruik. Hij naderde strompelend de opgevorderde drager en fluisterde hem toe zonder hem aan te kijken: ‘Rep je naar het huis van de vrouw die daarnet mijn gezicht depte en breng samen met haar mijn testament in veiligheid. Ze heet Veronica. Zoek haar. Hoe heet jij?’
Even gluurde de man verbaasd opzij, in het bebloede gelaat van de veroordeelde.
‘Testament?’ vezelde hij tussen zijn tanden. Daar had hij wel oren naar.
‘Ja, ik smokkelde het daarnet met haar mee. Vind haar. Hoe heet je?’
‘Simon. Simon van Cyrene.’
‘Doe het, Simon. Straks is het weer mijn beurt. Maak je daarna onmiddellijk uit de voeten,’ fluisterde de veroordeelde met aandrang. ‘Het is belangrijk!’
‘Maar waar woont die Veronica?’
‘Langs de Habadweg. Doe het, Simon!’
‘Wat lopen jullie daar te konkelfoezen?!’ riep plotseling de escorteleider. ‘Voortmaken!’
Ongerust tuurde hij naar het donkergrijze zwerk, terwijl hij blindelings de drager enkele zweepslagen toediende. Uit de immer bewegende onrustige mensenhagen stegen kreten van verontwaardiging en afkeuring op.
‘Voortmaken!’ brulde de decurion weer. Hij rekte zich even uit en ging op de tippen van zijn tenen staan om voor en achter poolshoogte te nemen hoe het eraan toe ging bij de andere ploegen met hun veroordeelde. Hij voelde aan dat hij zelf met zijn eigen decuria de zaken niet echt onder controle had. Er ging te veel dreiging uit van de opeengepakte nieuwsgierigen, waarboven die zware loden luchten gedrapeerd waren. Zijn soldaten waren dronken, alle acht. De sfeer was broeierig en leek met de minuut verhitter te worden. Hij proefde bloed, zweet, stank, zout. En er zat een verdomde houtsplinter in zijn duim, die hij er maar niet uit kreeg. Andermaal probeerde hij…

Toen gebeurde alles razendsnel.

Ter hoogte van de Oostelijke Weg weken de mensenrijen aan weerskanten plotseling uiteen. Gejoel en gebrul zwollen aan. Vijftien, twintig onherkenbaar gemaakte mannen verrasten de decuria totaal. In groepjes van twee, drie tegelijk en geholpen door omstanders vloerden ze ieder een soldaat, smakten die tegen de grond, ontnamen hem zijn speer en voeren daarna de veroordeelde mee in een dreigend terugdeinzende falanxorde, waarbij de mensenrijen aan de oostelijke kant zich vlot openden en weer sloten. Alles gebeurde in een handomdraai. De decurion had amper de tijd gekregen om op te kijken vooraleer hij met een mokerslag tegen de lever op de grond gekwakt en even overmeesterd werd. Simon van Cyrene, doodsbang voor het vooruitzicht dat ze misschien ook hem op een van de knekelheuvels zouden kruisigen – met die Romeinse dronkenlappen wist je maar nooit – keek pas na de coup ontzet om zich heen. Hij zag zijn escorte overeind krabbelen, beroofd van hun speren, grijpend naar hun hoofd, ballen, voorovergebogen, beduusd, duizelig, dronken en sommigen onder het bloed. Maar waar was… !?
Het werd Simon zwart voor de ogen. Hij viel op zijn beurt met de kruisbalken ter aarde neer.

De commentaren zijn gesloten.