08-09-16

ANGEL (17)

I, 02


Er viel nog iemand uit de lucht.
Engele Babbe, met name.

Dat gebeurde in Verkavelgem, op achtentachtig steenworpen van de voorstad: een bescheiden voorportaaltje van een rustiek landschap met een ‘berg’ op de nabije achtergrond, eerder een molshoop: de Cruisberg.
Het marktje in Verkavelgem leek eerder op een korte landingsbaan. Het was een strook tussen de kerk en wat als hoofdstraat door moest gaan, met aan weerszijden enkele winkels en twee horecazaken. Ideaal als landingsplaats voor een vliegende schotel.

Anno 20XX landde er daar inderdaad iets. Het was geen vliegende schotel. Het was een jonge vrouw. Ze kwam op een avond in augustus zo uit de lucht gevallen. Vanuit het oosten. Nou, vallen. Ze diende niet van straat geschraapt te worden, zoals het cliché dan luidt. Haar nederdaling werd gebroken door de luifel van eethuis De Vlaschaard, die uit heel sterk weerbestendig zeildoek bestond. De gevallen engele (Babbe zou ze blijken te heten) veerde met een dwaze buiteling nog een keer op, landde ten tweeden male, gleed dan van de luifel af en hupte lenig als een turnster op het trottoir.
Geen levende ziel had deze teraardebestelling gezien. Alleen Patrick van De Vlaschaard had een doffe klap gehoord.
‘Het gaat donderen,’ had hij geconstateerd. ‘Het gaat het weer niet houden, dat weer. Het is te geweldig geweest.’
Niemand luisterde, knikte of beaamde, want hij was alleen in de bijkeuken. Het betrof overigens een draak van een mededeling, verpakt in een cliché als zilverpapier: het kleinste kind voelde dit donderweer zo aankomen.

Voorwaar: diezelfde avond nog brak inderdaad een onweer los, dat de vergelijking met het tempeest in ‘De Vlaschaard’ van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels kon weerstaan. Maar toen was engele Babbe al in soesland, ergens te velde, in een moestuin onder reuzengrote rabarberbladeren.

Hupsake!

Babbe vormde met beide handen een kommetje om haar neus en schudde zich even als een natte hond. Daarna zeilden haar blikken over de verlaten hoofdstraat. De stoelen op de terrassen stonden al voorovergebogen tegen hun tafels geleund. Hier en daar flikkerde een tv-scherm even op. In de verte klonk wat gerommel. Het halfduister achter de ramen van café Retro herbergde nog drie gasten, als vraagtekens gebogen aan de toog: een vrouw en twee mannen – een ware Hopper in Verkavelgem.    

Door wie (Wie?) was deze engele gezonden?
Betrof dit een waarachtige Godsgezant?
Een tegenwicht (Wicht) voor Lucifer?
Of was dit (letterlijk) ook een gevallen engele?

Die laatste vraag was de moeilijkste, maar alvast dit. Een verklaring kan soms eenvoudig zijn: engele Babbe was simpelweg door een gat in de ozonlaag getuimeld en zo op de aardkloot gedonderd. Een hemelachtige voorzienigheid had haar veilig en wel, maar toch met een himmelhoche snelheid door een glijschacht geleid en heelhuids, nou: heelengels, ter aarde besteld. Er was alleen ter hoogte van haar neus wat ijsvorming, die alras ontdooide. Maar toch… misschien was hier nog iets anders in het spel… iets waar stervelingen geen vat op hebben.