02-03-16

ANGEL (11)

De Devil’s Sperm begon zijn werk te doen. Nog drie cocktails later, bij ondergaande meizon, wees Franklin met dramatisch gestrekte arm naar zijn dichtste bovenvenster en sprak tot zijn nog immer halfontblote buurvrouw en haar zwartzalmroze zaadtoeleverancier: ‘Ziedaar mijn zielenluik naar binnen gericht, mijn vergezicht naar buiten gericht, de hemelspiegel voor mijn instrument… ‘
‘… mijn fluitje van een cent… ‘ vulde Marlize aan, terwijl ze rechtopzittend in het midden van de schommelende hangmat haar evenwicht verloor en hikkend lachend slagzij maakte. Moeizaam klauwend kwam ze weer overeind.
‘Fluit nog eens voor de kokkelkop, toe,’ fleemde ze.
Denise de hondin kwam grommend overeind; een zwerm kwaad kwetterende vogels scheerde als een luftwaffe over de berkjes.
‘Jij niet, blafmachine!’
‘Wat zei je?’ vroeg Franklin, terwijl twee van de tuinstoelpoten waar hij op zat dieper in het kunstgras wegzonken. Hij morste wat duivelssap op zijn rechterbil.
‘Wie zaad slikt, kan fluiten.’
‘Ha ha ha ha!’ lachte Erik dronken.
‘Wat geven ze je in de refter op school te vreten, zangvogel Franklin?’
Marlize articuleerde langzaam, loom en lijzig. Haar roestige stembanden leken de woorden als met een trage hijskraan vanuit de peilloze poel van Devil’s Sperm in haar maag op te vissen.
‘Weet je wel altijd wat je achter je… tussen je… om het even… onder je tanden krijgt? Hé?’
Franklin keek haar dronken aan. Hij zag alles dubbel. Ze zat met z’n tweeën op de hangmat; de vier bikinibandjes hingen weer halfstok. Erik hing met z’n kloon languit in een ligstoel die steeds maar wegzeilde en terugkeerde. Zijn teelballen en zijn lam gedronken lul lagen buiten westen in zijn boxershort. Was er hier nog iemand? Geweest? Steeds weer meende Franklin dat dit zo was. Geweest was. Waar was hij? De omgeving veranderde voortdurend. Wie zat hier daarnet ook? Met z’n hoevelen…
‘… piano… vals gebit… uren hebben… muren hebben het gehoord… oren… zei ik… Erik… waar of geen waar… ‘
‘Devil’s Sperm!’ brulde Erik plotseling. Hij probeerde uit de ligstoel te komen en rechtop te springen om te toosten, maar dat lukte niet. Denise kwam overeind.
‘Franklin! Santé! Gezondheid! Op mij!’
‘Erik’s Sperm!’ joelde Marlize. ‘Een fluitconcert op Erik’s Sperm! Joehoe!’
Franklin boerde ongewild hardop en secondelang. Verschrikt probeerde hij hun blikken vast te houden. Zijn oogballen gingen echter ieder huns weegs. Hij tuimelde opzij met zijn tuinstoel, gooide gelijk zijn halfvolle glas in Eriks schoot en braakte dan wellustig een kruidenperkje onder. Denise stortte zich grommend op hem.

Franklin werd wakker met een hondenkop. In zijn muil overheerste de kotssmaak. Hij drapeerde zijn kop tussen zijn voorpoten en gaf zich over aan bodemloos ziek-zijn, zo horizontaal mogelijk. Aldus overbrugde hij een nacht en een dag – overgeleverd aan een kosmos van zinloze en zieke flitsen, spiralen, pijlen, slingers, sterren, zwarte gaten en walgelijke Melkwegvellen. Tussendoor zweefden er enkele toonloze noten, maar de ladders bleven telkens buiten zijn bereik. Af en toe gromde Franklin in deze ziekelijke halfslaap. Toen hij na een eeuwigheid misselijkheid eindelijk wakker werd, merkte hij dat hij in een hondenhok lag. Een zware ketting die van om zijn nek vertrok, leidde meanderend naar een stalen pin met een oog. Die was diep in een in de grond verzonken betonblok gedreven drie meter buiten het hok. Franklin balde ongeloof, paniek en nieuwsgierigheid samen en verkende zijn opgelegde territorium. Hij bleek net om zijn hok heen te kunnen; wrikken of sleuren aan de pin of met de ketting was totaal zinloos: zoveel was duidelijk. Hij blafte schril en keerde beschaamd omwille van zijn blote kont en zijn stomme ontsnappingspoging naar zijn hok terug.