01-02-16

ANGEL (10)

Franklin spoot zigzaggend enkele haastbuitjes Azzaro TWIN for MEN in zijn meest bedenkelijke huidplooien, harkte met zijn vingers zijn haar achteruit en spoedde zich naar de begane grond. Een uitnodiging in de Bambruggestraat deed zich maar eens om de duizend jaar voor. Dan moest je er voor zorgen dat je er goed uitzag en niet naar oude vis stonk.


‘’t Is Franklin hé? De naam. Dat wij al zolang buren zijn en… ’
‘’t Is Franklin,’ herhaalde hij dwaas, knikkend als een kind.
‘Marlize. De badgast is Erik. Wat heb ik daar gehoord?’
Dat mens viel godverdomme met de deur in huis.
‘Eh?’
‘Daarnet. Daarboven. Je floot iets.’
Marlize beeldde net iets te heftig uit wat ze bedoelde; een gulpje lekkers walste uit haar cocktailglas en pletste op het kunstgras. De hangmat schommelde vervaarlijk.
‘Oei. Overvloed. Wil je er ook één?’
‘Eh… bah ja… graag. Fluiten is een tic van mij.’
‘Nog een vakantiejob gedaan bij de bouwvakkers?’ lachte Erik. Hij herschikte zijn handdoek om zijn middel, waardoor zijn lul en klotenzak even een gastoptreden verzorgden.
‘Prepareer jij nog een glas, Erik?’ verzocht Marlize.
‘Aye aye!’
‘En doe wat kleren aan over dat kippenvel.’
Ze drapeerde de bikinibandjes weer over haar schouders.
‘Ik gooi de handdoek in de ring. Zo terug.’
‘Nee, serieus,’ vervolgde ze. ‘Daarnet, daarboven stond je te fluiten. Ik herkende het precies.’
‘Ik zit in de muziek hé, de hele dag. Ik loop driekwart van de dag te fluiten. Dat spaart de stembanden.’
‘Ah ja. Beroepsvorming hé. Zitten we met een nieuwe Ennio Morricone in de straat?’
‘Ha ha.’
‘Of een papegaai?’
Ze keek hem even scherp aan. Eigenlijk moest ze hem niet, hoewel ze nog maar zelden contact hadden gehad.
‘Neem een stoel. Erik is zo terug met de Devil’s Sperm.’
‘Straf spul?’ vroeg Franklin ongerust. Alcohol had de vervelende gewoonte ruis in zijn bloed te veroorzaken.
‘Zuiver natuur, zelf gefabriceerd: Mekhong whisky, Bulgaarse mastika, tulameenpulp, volle melk, een kwart van een madame Jeanette-peper, geen rietje.’
Franklin knikte gerustgesteld toen hij het woord ‘melk’ hoorde.
‘Devil’s… ?’
‘Sperm,’ vervolledigde ze. ‘Het duivelskwakje.’
Ze zwegen een volle minuut. In de Bambruggestraat wemelde het van zulke minuten.
‘Is Erik op bezoek? Ik herinner me… ’
‘Hij is terug. Woonachtig, bedoel ik. Hij is hier weer ingetrokken, ja. Ik had nochtans gezworen… Ach, jouw zaken niet. Dat ga ik niet aan je neus hangen.’
‘Aha. Tiens, wat een toeval. Een paar nachten geleden… Ik denk… Ik herinner me… ‘
‘Ja?’ Ze slurpte ongegeneerd van haar Devil’s Sperm.
‘Zou het kunnen dat hij in mijn dromen opdook? Jullie beiden? Vreemd hé… En nu… ‘
‘ … is hij terug, ja. Lukte het nog, Erik?’
Erik grijnslachte breed. Hij had een zwart T-shirt en een roze boxershort aangetrokken en droeg de cocktail voor Franklin als een maagdenkaars in een processie voor zich uit.
‘Hier, buurman. Een kwak gezondheid. Laat het je smaken.’
Franklin nam de bokaal in ontvangst.
‘Geen rietje, lekker slurpen. Bottoms up.’
Ze klikten even de glazen tegen elkaar.


Marlize richtte zich nu tot Erik: ‘Erik: zou het kunnen dat jij in een droom van Franklin hebt gefigureerd?’
‘Ja, in een Bulgaars vampierkasteel,’ lachte hij spottend.
Geschrokken slikte Franklin zijn eerste gulpje Devil’s Sperm door.
‘Maar ja! Daar was het! Een… zo’n… een soort spookkasteel. Rare kleuren. Bloed. En jij was er ook, buurvrouw. Jij was er ook.’
‘Tiens. Zou het dan zo zijn dat dromen zich wederzijds voordoen? Jij droomt van mij, dus ik droom van jou?’
‘Dat is dan een nachtmerrie!’ riep Erik uit.
‘De duivel… ‘ opperde Franklin hardop, terwijl hij in zijn glas staarde. ‘De duivel was er ook.’
‘Hoe zag hij er uit?’
‘Dat weet ik niet meer.’
Franklin nam nog een slok van het opake witte goedje, waarin een firmament van slierten en schilfertjes zweefde. Een Melkweg, voorwaar.
‘Jullie moesten dit de Milky Way genoemd hebben. Eigen brouwsel?’
‘Hi hi hi. Zeker weten! Vind je het lekker?’
‘Het is alsof engeltjes… Nee: sorry, geen clichés.’
‘Je hebt gelijk. Een cliché is als een kathedraal met duivenstront op.’
‘Doen wij niet aan mee, nee.’
‘Dat rijmt.’
‘Mijn prostaat in de Bambruggestraat… ‘
‘Hou op, Erik.’
‘Lekkere afdronk.’
‘Ik heb er hele karaf van gemaakt; hou je niet in.’


Marlize floot nu naar Erik: ‘Haal je er nog eens drie, schat? Het smeert de keel zo lekker en het werkt verslavend. Als we er aan toegeven, zijn we af van onze verslaving. Het fietst zo heerlijk naar binnen.’
‘Duivelssap komt eraan!’, riep Erik. ‘Drink jullie grondsop op, goddelozen!’
‘Zeg,’ zei Marlize, ‘nu je het zegt… bij nader inzien… ik was er inderdaad ook bij… bij jullie twee bedoel ik. Zou best wel eens kunnen, dat we elkaars droom bevolken. Of nee: dat we tegelijkertijd in elkaars droom zitten… hé… En ik had korte tijd daarna een werkstuk gereed waarvan ik niet begrijp hoe ik het in hemelsnaam klaargespeeld had. Het leek wel alsof het zichzelf geschreven had. Of dat iemand anders het voor mij gemaakt had.‘
‘Ik liep die dag met jouw hond aan de lijn naar huis! Onverklaarbaar, maar ik vond het… normaal. Alsof… Hoewel ik niet zeker weet… ’
Denise hief voor de eerste keer lodderig een ooglid. Ze had na Franklins entree haar mand in de keuken verlaten om zich na een aandoenlijk slakkengangetje over het pad naast de tuintafel neer te vlijen.
‘En ik zat dan op fonteineiland in het stadspark gevangen! Hoe ik in hemelsnaam daar terecht ben gekomen… de duivel mag het weten.’
‘Je neemt daar toch wel af en toe een natuurdouche na je rondjes hé,’ zei Marlize. ‘Als het weer het toelaat.’
‘Ja, maar… ‘
Ze keken elkaar vorsend aan en dronken gelijktijdig hun grondsop op.
‘Klopt dit wel allemaal?’
‘De duivel is ermee gemoeid.’
Erik sprong op: ‘Ik haal dus nog drie kelken duivelsmelk.’
‘Wacht eens. Heb jij ook… Jij hebt toch ook die droom gehad hé?’ vroeg Marlize. ‘Ja hé?’
‘Ik herinner me niet veel,’ antwoordde Erik. ‘Eh… of… potverdorie, Franklin, ja: zaten wij… zat jij niet… zat ik niet… in een kamer met eh … luciferkleurige muren? Hé?’
‘Zat… zat… zat… ‘ bouwde Marlize na.
‘Zie je wel! Dacht ik het niet!’ riep Franklin.
‘Ik herinner me hoogtevrees,’ zei Marlize. ‘En ik heb dorst. Zat. Die zat.’
Ze reikte haar leeg glas naar Erik. Franklin deed hetzelfde.
‘Is er nog?’
‘Er is nog zat, schat. En ik wring er nog wel verse uit.’
‘Goed. Werk je niet te pletter. Hou nog wat sappen over voor vannacht, ha ha.’