29-08-15

ANGEL (05)

Erik Vinquier had een ongewoon beroep annex hobbelige carrière. Hij was doelman. Geweest. Na een steile vlucht in de landelijke voetbalcompetitie verkaste hij naar Italië, waar hij voor een eersteklasser speelde. Twee jaar later werd hij voor de duur van drie jaar en zeven maanden geschorst na bewijs van  medeplichtigheid aan het fixen van een aantal matchen. Vaarwel trillende netten en mollenpootje. Ex-doelman Vinquier werkte heden ten dage halftijds in de fitnessclub Shakespier aan de periferie van de stad. Sinds hij thuis bij voorkeur een rokje droeg, was zijn relatie met senior copywriter Marlize afgesprongen. Hij trok weer bij haar uit en verschanste zich tegenover het stadspark in een appartementsgebouw dat veel weg had van een honingraat. Op de vooravond van de nationale feestdag nodigde hij wat vrienden uit, bereidde spaghetti met frambozen en bekende dat hij graag vrouwenkleren droeg. Terstond groeide het avondje-outing uit tot een woeste verkleedpartij. Meteen ook werd Erik definitief persona non grata voor Marlize. Ze stopte voor de laatste keer zijn achtergebleven zeemansbroeken en –truitjes in de wasmachine en leverde die kraakvers omgaand af in een plastic zak aan de vooringang van residentie Parkzicht. Met een zwarte viltstift had ze er NO COMEBACK op geschreven. Zijn stalkgedrag beperkte zich daarna tot gezonde rondjes in het park, waar Marlize wel vaker kwam luchten, lezen of inspiratie opdoen.    

Toen Erik die vrijdagvalavond andermaal zijn rondjes aan het malen was, werd hij plotseling op de hielen gevolgd door een heerschap dat het midden hield tussen een advocaat en een imker. Hij viel namelijk helemaal niet op en hij viel namelijk heel erg op. Hij hield een reuzenvork vast zoals een speerwerper dat met zijn speer deed. Eigenlijk voelde het aan alsof Erik het gewicht van de halve wereld op zijn rug meezeulde. Er was ook die solferreuk. Nu trapte de achtervolger hem echt even op zijn achillespees, terwijl de vlammen uit zijn voetzolen schoten.
‘Godver!’
Met een ruk hield hij halt. Zijn hele gestel protesteerde; zweet spatte uit zijn hoofdband.
‘Geschrokken?’
‘Zelfs een standbeeld zou kippenvel krijgen. Wie bent u? Waarom achtervolgt u mij? En u staat in brand.’
‘Dag Erik Vinquier, voor de verandering in een sportbroekje gehuld.’
‘Ik vroeg wie ù bent. Ik weet al wie ik zelf ben.’
‘Sportbehaatje aan, Erik?’
De duivel – want hij was het in vlammenden lijve – strekte zijn linkerhand uit naar Eriks borstkas. Die deinsde achteruit.
‘Het is vrijdag, heer Erik. Het laatste hoofdstuk van de week. Het ruikt naar zeep. Ga je mee om zeep?’
‘Man ik ken je niet. Wat raaskal je… En het stinkt naar solfer, als je ’t mij vraagt.‘
‘Ha! Je ruikt doelgevaar!’
‘Wat voor de duivel… ‘
‘Slim kereltje. Hij staat voor je. Achter je.’
Het heerschap verdween eensklaps, om weer achter Erik op te duiken en met zijn vork even in diens kont te poken.
Very funny,’ zei Erik, maar hij werd bleekjes om zijn neus.
‘Zin in een luchtmisdrijf?’ grijnsde de duivel. ‘Je hoeft niet te antwoorden. Kom: mee met Lucifer.’
Het volgende ogenblik kliefde het tweetal al door de lucht. Eén ervan spartelde als een kater die in zijn nekvel gegrepen wordt, maar dat was totaal zinloos, gezien de diepte, nou: hoogte.