11-07-15

ANGEL (04)

Onverwacht tilde de duivel haar met één dwingende oogopslag en zonder haar aan te raken op en steeg met haar schreeuwende zelf naar het duistere uitspansel boven de schuimende boomkruinen. Daar zette hij koers naar het verre oosten, terwijl de huisdeur van Marlize diep beneden hen met een zware dreun dichtklapte. Denise verroerde niet eens een poot. Ze kon dat ook niet meer: ze was inmiddels in doden lijve echt wel de hond op de straat, want de duivel had gelijktijdig zijn werk gedaan zonder dat Marlize er erg in had gehad. Dat lag in zijn macht; hij kende immers geen menselijke tijd of chronologie. Spartelend en schreeuwend als een mager speenvarken werd ze mee de nachtblauwe lucht in gevoerd. Gelukkig voor haar was het donker, zodat haar hoogtevrees haar een ietsepietsie minder parten speelde. De duivel voerde nu de snelheid op. Naarmate ze verder oostwaarts suisden, werd de lucht vermengd met melkachtig witte slierten. Marlize staakte haar gespartel en geschreeuw en gaf zich willoos over aan de vleerduivel.

Toen Franklin de volgende ochtend achterwaarts zijn garage uitreed, hobbelde zijn achterwiel over een dode hond. Geschrokken stapte hij uit en constateerde dat hij de trouwe viervoeter van zijn buurvrouw in de prak gereden had. De trouwe kop lag als een vreemd voorwerp geknakt in een eigenaardige hoek ten opzichte van het lijf, waaruit een deel van de inboedel puilde. Verbouwereerd zette hij zijn auto aan de kant. Hij belde aan bij Marlize, terwijl hij onvolkomen pogingen deed om niet naar de overleden Denise te kijken. Tweemaal, driemaal belde hij aan. Af en toe slalomde een auto om het kadaver heen. Onverrichter zake keerde Franklin naar zijn auto terug.
‘Ruimdienst bellen!’ riep een voorbij zoevende ligfietser, terwijl hij het telefoongebaar maakte. ‘Kadaver op straat!’
‘Godver’ zei Franklin, die alleen maar vliegen en spinnen als huisdier duldde. Hij knikte, keek naar links en naar rechts, speurde de al net zo dode Bambruggestraat en de stille voorgevels af en nam toen een beslissing.


Vijfentwintig minuten later zat hij in de lerarenkamer van zijn school achter een automaatkoffie voor zich uit te staren.
‘Slecht geslapen, Mozart?’
‘Nee nee.’
‘Je zou het niet zeggen.’
‘Ewel, nu je ’t zegt: inderdaad. Vannacht wakker geworden door een harde knal. Soort van dreun die je ruggengraat doet rimpelen. Niet meer geslapen. Of maar half. Toen ik opstond voor een glas water in de keuken en een sigaret in de tuin leek er overal een verbrande reuk te hangen.’
‘Maar je leeft nog. Was ’t je sigaret niet?’
‘Amper. Maar ik heb gisteravond laat nog wel iets gecomponeerd. Er is eindelijk iets uit de bus gekomen.’
‘De geest moet bezig blijven hé.’
‘Ik kan nu aan die wedstrijd meedoen. Ik heb kans.’
‘We gaan duimen.’
‘Drie maanden niks… geen noot… en gisteren, plotseling… ‘
Franklin knipte met zijn vingers in het ijle.
‘Het komt wel vaker onverwacht hé, zo’n meesterwerkje.’
‘Zes uren les vandaag. Djeezes!’
Franklin boog zich weer over zijn bekertje inktzwarte troost en dook andermaal  diep in zijn gedachten. Had hij werkelijk dat buurbeest overreden? Wat deed het op straat op dat vroege uur? Buitengesloten? Verdwaald? Waar was Marlize gebleven? Nog in bed? En… gadverdamme!
Franklin nam een haastslok en holde dan plotseling de lerarenkamer weer uit. Stom van hem om dat niet eerst te controleren.
Hingen er nog hondenbrokken aan zijn achterwiel??