24-03-15

ANGEL (01)

HET OUDE TESTAMENT

 

I, 01


Marlize keek naar de schuimende boomkruinen die de lucht boven het stadspark schoonveegden. Dat ging gepaard met een aangenaam druisen – een weldaad voor de oren. Er dreven nog enkele wattenproppen in het zwerk rond. De wind rukte aan de haren van een jogger met witte hoofdband om. Zijn kapsel leek beurtelings geëlektrocuteerd en platgewalst. De jogger naderde haar bank. Zijn gesnuif won aan volume.
‘Marlize! Een depressie?’
‘Erik. In galop. Midlifecrisis?’
‘Waarom?’
‘De aardbol is rond. Waarom nog gaan lopen? Voor wie? Je komt straks jezelf weer tegen aan de onderkant van de wereld. Je loopt je eigen staart achterna.’
‘Ha ha.’
Erik huppelde even ter plaatse en vervolgde dan zijn parcours op leven en dood. Zijn kuiten hadden reeds de foeilelijke gespannen vorm aangenomen van een hobbysporter op middelbare leeftijd: iemand die vroeger via valse doktersbriefjes de gym- en zwemlessen omzeilde en jaren later verslaafd werd aan termen als ‘marathon’, ‘barrière’, ‘grenzen’, ‘melkzuur’ en ‘hartslag’. Te bruin verbrande kuiten, bah. 
Marlize dook weer in haar lectuur. Vijf minuten later naderde Erik alweer. Hij maakte blijkbaar rondjes.
‘Ik heb vannacht gedroomd dat ik een regenworm was’, hijgde hij.
‘Ik zie het voor me, Erik, helemaal.’
‘Ik kon verdorie mijn pik in mijn eigen kont steken.’
‘Het beeld wordt nog scherper, Erik. Loop heen. Je kont volgt. Morgen een rokje aan.’
‘Doe ik, Marlize.’
‘En kom niet meer terug! Bespaar me je zweetdruppels!’
‘Laatste rondje! Nog één keer loeren naar mijn kontje!’
‘Sommigen lopen als een pinguïn,’ dacht ze. ‘En hun eerste ei is hun smerigste.’
‘Rondjes op z’n hondjes!’ riep ze hem nog na.

Marlize klapte het pocketje dicht en mikte het ding in de afvalzak naast de bank. Het was een gratis pocketuitgave van het zoveelste whodunitje van Peter Hespe waarin een moord gebeurt en daarna via bladvulling duidelijk moet worden wie het gedaan heeft. Het dunne ding was vorige zaterdag aan het station en aan enkele warenhuizen gratis uitgedeeld. Promotie voor Hespe – toch echt niet meer nodig, want er liep zelfs al een gelijknamige tv-serie op het scherm van afgrijzen. Zappen, die handel.
‘En zo doodgewoontjes opgeschreven’, zei Marlize hardop vermanend tegen zichzelf. ‘Niks aan. Drie bladzijden duurt het om te beschrijven hoe een vrouw een sigaret uit haar handtas neemt (nee: ‘plukt’) en opsteekt, godverdomme. Dat is geen schrijven, dat is opschrijven.’
Marlize praatte wel vaker hardop met zichzelf, beroepshalve vooral. Een voorbijfietser keek even bevreemd opzij.
‘Niet tegen u, meneer. Boekenpraat.’
‘Kokkelkop!’ riep de man.
Hoorde ze dat goed? Verbaasd keek Marlize hem na.
‘Kokkelkop?’
Ze spiegelde naast de bank haar wezen in een allerlaatste overgebleven plasje hemelwater dat nog welwillend door de zon geadopteerd was.
‘Een paasei. Ik gelijk inderdaad op een paasei. Witte chocolade. Ik moet dringend naar Hawaï. Maar aan de vorm valt niks meer te veranderen.’
Marlize mikte haar kont op de vouwfiets en trapte zichzelf een beetje depressief naar huis in de Bambruggestraat. Wie kon liplezen, zou herhaalde malen het woord ‘kokkelkop’ ontcijferd kunnen hebben, dat als een praatballonnetje van tussen de eindstreep van haar lippen ontsnapte en de lucht in zeilde.
Toen ze afstapte en de fiets tot dwergproporties opvouwde, floot ze om zichzelf te troosten per ongeluk iets dat later een wereldhit zou worden.

De commentaren zijn gesloten.