26-12-11
De Leeuwenkuil (slot)
15
Later zou men mij vertellen dat we met z’n allen stevig dronken waren geweest. Maar ja: het gebeurde dan ook in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie … etc … etc … in die armbloedige tijden etc … etc … en iedereen dat na-aapte! Zelfs de Belgische politici: Vlaamse leeuwtjes en Waalse haantjes stonden nu pal tegenover elkaar, brullend en kraaiend. De toespraak van koning Albert II ter gelegenheid van de nationale feestdag enkele weken geleden (waarin hij zijn overleden broer en oud-koning Boudewijn ten tonele voerde als verzoenende Heilige Belg) had geen effect gehad.
De jaren daarna heb ik niemand van de vrouwen nog teruggezien, hoe vaak ik ook De Zwarte Duif frequenteerde. Ik begon te geloven dat ze niet echt bestonden. Als het een droom was geweest, dan betrof het een mooie droom. Tavernepatron Otto kon of wou na de tumultueuze avond geen commentaar meer kwijt betreffende de vrouwen. Zo zat de kerel in elkaar. Er was ook geen fototentoonstelling meer gekomen. En het schilderij dat hij had gekocht, de saxofonist, bleek spoorloos verdwenen.
Af en toe vertrok er wel nog eens een flits vanuit de boetiek Plena Luna op het Pappapleintje in Klein Byzantium, maar dat gebeurde uitsluitend op onbewaakte ogenblikken …
Men schreef het toe aan de bliksem.
Epiloog
Een echte blikseminslag deed zich voor in Brussel, het naveltje van het welvaartstaatje België: beetje heuvels, beetje land, beetje zee, beetje haven, beetje Vlaams, beetje Frans, beetje Duits. Hij was ingrijpender dan een drash nationale. Zoals het strijkje de ondergang van de Titanic had begeleid, zo had het accordeon Arthur Venus de val van België op noten gezet. Het druilerige driehoekje aan de Noordzee werd zodanig verkaveld en herverdeeld, dat er van een land geen sprake meer was. Eendracht maakte niet langer macht. België werd een plat Zwitserlandje. Neutraliteit had het ooit gehad (of proberen te hebben); chocolade had het ook al; drie talen evenzeer.
Waren er voortekenen geweest?
Een Japanse correspondente die na decennia opdook?
De tsunami die mijn oor teisterde?
Een mens die uit de lucht viel?
De immer opdoemende Kerel Desmet?
Een hoofdloze ruiter op een groen paard?
Een klassiek geschoolde idiot savant?
Het flitsen van onbewaakte ogenblikken?
Het kluwen van verschijnende en weer verdwijnende picturale zieners?
De ondergangsweemoed ontlokt aan Arthur Venus?
Op hemelsblauw luchtpostpapier uit de jaren van voor de fusies tussen de gemeenten rapporteerde ik, Jaak Moeneclaes, schrijver dezes uit het randstedelijke Ramstede, gefusioneerd met Klokrijk, Emiko Takamori in het verre Sendai(-shi) over de defusionering van België, de leeuwenkuil. Er viel een gebochelde man uit de lucht. Er verscheen een koploze ruiter op een grasgroen paard. Ik, schr. dezes J.M., raakte in het origamimuseum in de ban van een lolita. Ruis in mijn oor deed me in een schadelijk Van Gogh-gevecht belanden. Iets later wou ik een heuse Defusioneringspartij oprichten. Kunstbedrijvende vrouwen vlogen in mijn bijzijn elkaar in de haren. Daarenboven dook om de haverklap de dubieuze Kerel Desmet ongevraagd op.
Jaak Moeneclaes, aka ik, aka schrijver dezes, soms getuige, soms betrokken partij, ging met dit alles vrij stoïcijns om. Wat zich in deze leeuwenkuil afspeelde, was vooral voer voor hernieuwde correspondentie met E.T. in Japan. Terwijl de Belgische politici verder bakkeleiden over hun mission impossible, nam ‘schrijver dezes’ nog eens de pen ter hand om, zoals vijfendertig jaar geleden, zijn Japanse penpal E.T. op hemelsblauw luchtpostpapier kond te doen van de defusionering van België, een leeuwenkuil.
TOT ZOVER DIT VLAAMS NARRATIEF ROMANESK JOURNAAL OVER DE BOZE BUIEN BOVEN BELGIE
20-12-11
De Leeuwenkuil (45)
14
Terwijl ik me dagenlang kan opwinden over een onnozel detail, en er zelfs door in slapeloosheid verzeilen kan, ben ik nooit erg verbaasd of ondersteboven wanneer zich iets ongewoons of ergs voordoet.
Ik hou van onverwachte attractoren (om het woord attracties niet te hoeven gebruiken).
Ik keek aanvankelijk onbewogen naar de vechtpartij, als naar een feit. Fotografe versus schilderes. Nul - nul. Ook een tiental stamgasten deden zich te goed aan het partijtje worstelen vrije stijl, reeds voorafgegaan door het klassieke gegooi met bier. Enkelen moedigden Jurka aan, omdat ze haar al wat kenden. De modder ontbrak, maar Jurka had een adembenemend rokje aan en Rapunza was op z’n magisch-boetieks gekleed. Ik merkte dat Dienke ijlings Arthur Venus instopte en de cocon vervolgens in veiligheid bracht, vertrekkensklaar postvattend bij de deur. Gaandeweg (het bleef maar duren) begon ik het gebeuren als een kunstwerk te bekijken.
Maar hoe kwam het godgenageld dat ik plotseling wel letterlijk ondersteboven lag, gesandwicht tussen die twee kroegtijgerinnen? Ik zweer het: ik wist het niet, ik weet het nu nog niet, ik zal het nooit weten. Want in één klap was de hele taverne in beweging gekomen, Arthur Venus incluis: in een opwelling had Dienke haar accordeon weer uit de cocon gehaald en begeleidde ze het tafereel met snerpende uithalen en lange zuchten. Simultaan was ik deelnemer aan en observator van de collectieve schermutseling. Voortdurend flitsten filmische beelden van Ierse pub-vechtpartijen door mijn hoofd (o.a. uit Un taxi mauve). En van de Belgische politici die het voorbije jaar de televisieschermen hadden geteisterd. Ik zag mezelf bloeden en geblutst worden, maar vreemd genoeg was van pijn geen sprake. Mannen en vrouwen sprongen en duwden en klauwden en vielen om mij heen. Ik hoorde kleren scheuren, kootjes kraken, glazen breken, stoelen en tafels met snerpende geluiden verschuiven. Bier en bloed doorweekten textiel. Mensenfoto’s fladderden door de lucht en belandden in de smurrie op de grond. Muzikale schilderijen werden met halfvolle glazen bekogeld. Bij dit alles bleef patron Otto lange tijd als aan de grond genageld toekijken, met open mond. Hij geloofde niet wat hij zag. Ground Zero in De Zwarte Duif. Daarna greep hij naar zijn gsm, terwijl hij intussen een panoramisch zicht op Jurka’s billen kreeg, wat hem nog even deed twijfelen betreffende zijn communicatie.
Midden dat kluwen kwam ik in de armen van Dienke terecht. En zij in de mijne. Dienke! Ze had Arthur Venus in de steek gelaten en mengde zich vol overgave onder de genodigden, op zoek naar mij. Ik heb haar later niet meer ontmoet, maar soms welt de vraag in mij op: had ze me plotseling lief of wou ze me wurgen?
Even later viel het blauw van op straat in De Zwarte Duif binnen. Iedereen werd van iedereen gescheiden. Er werden vreemde, sussende gesprekken gevoerd. Het bloed werd gestelpt, de schade opgenomen. Enkele bezems harkten de gruzelementen in een hoek. We gingen zowaar met z’n allen weer naar onze vaste stek in de taverne terug, Otto om nog een laatste glas verzoekend, terwijl we middels het duim/wijsvinger-strijkgebaar signaleerden dat we dubbel en dik zouden betalen. Otto combineerde begrip, gelatenheid en woekerprijzen. Jurka, Rapunza en Dienke zagen er heerlijk smerig uit. Arthur Venus rustte op een barkruk, met zijn hele gebit open en bloot grijnslachend.
Ik denk dat Rapunza nog haar arm om Jurka’s schouder geslagen heeft. Ik denk dat ik Dienke nog vol gezoend heb. Ik denk dat Griet nog teruggekeerd is. Ik denk dat Arthur Venus plotseling vanzelf begon te spelen. Ik denk dat Otto nog een langdurige aanval van slappe lach kreeg.
27-11-11
De Leeuwenkuil (44)
13
Rapunza – in De Zwarte Duif niet onbekend: ze kwam ’s middags wel eens om een dagsoepje – spreidde voor Otto haar portfolio op de toog open. Hij ‘had vijf minuten’, luisterde welwillend en plukte intussen frieten uit een gekarteld bakje.
‘ … zoals op het pleintje einde zomer hé … ‘ knikte hij, terwijl hij de collectie foto’s monsterde.
‘Recent werk,’ legde Rapunza uit. ‘Ik moet ze natuurlijk wel nog inkaderen.’
‘Een vijftiental?’ opperde Otto, terwijl zijn blik even over de muren scheerde.
‘Dat ware prima. Ik zou mijn tentoonstelling noemen: Onbewaakte Ogenblikken.’
‘Ja. Ja, ja. Ik hang hier zoals je merkt wel eens een kunstenaar op, ik bedoel: werk van hem. Haar.’
‘Ja, dat weet ik. Die schilderijen … daarom … en door die tentoonstelling op het pleintje dacht ik zo … ‘
‘Mooi hé?’
Rapunza knikte, maar wist niet of Otto op haar foto’s dan wel op de schilderijen aan zijn muren doelde. Hij bladerde door haar mensenfoto’s.
‘Mooi gedaan. Die wisten waarschijnlijk niet dat ze gefotografeerd werden?’
‘Helemaal niet. Onbewaakte ogenblikken, hé.’
‘Dat zijn de beste.’
‘Anders krijg je derderangsacteurs met verkrampte grimassen.’
‘Ja: grimassen, gesloten ogen, vreselijk lachende gebitten.’
‘Haha.’
‘Wel, oké hoor,’ besloot Otto dan. ‘Wanneer kom je de dingen ophangen? De schilderes daar komt zaterdag haar werken wegnemen. Van mij mag er best wel eens iets anders in de plaats. Het wordt hier nog een kunstkroeg, haha.’
Plotseling boog hij zich wat dieper over een foto.
‘Hé … ‘
Hij keek naar het tafeltje met de vier vrouwen, waar Dienke alweer een deuntje had ingezet.
‘Maar dat zijn zij!’ wees hij, met zijn ene wijsvinger boven een foto haperend, met zijn andere in de richting van het tafeltje wijzend.
Rapunza keek om en herkende onmiddellijk de vier gezichten die ze enkele weken geleden stiekem gestolen had. Ze had er bij het binnenkomen helemaal niet op gelet; het was druk in De Zwarte Duif.
‘O … ‘ deed ze. Ze sloeg haar hand voor haar mond.
‘En dat is de schilderes daar, hé,’ zei Otto.
‘Maar … ‘ zei Rapunza verbijsterd.
Ik keek verbaasd naar de prachtige vrouw aan de toog. Ze leek zo weggelopen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze vertoonde tekenen van herkenning.
De avond was gezapig en weemoedig begonnen, maar eindigde in alcoholische chaos omdat Jurka en Rapunza iets gedeeld hadden waar wij niet van op de hoogte waren: een man. De beide kunstenaressen hadden zich een tijd geleden over dezelfde kerel ontfermd, Jurka eerst, want ze was er toen mee getrouwd, daarna Jurka half en Rapunza heel, dan Rapunza totaal, en toch Jurka weer even, daarna geen van beiden meer. En bij geen van beiden had hij nageslacht nagelaten. We kwamen dat te weten en we zouden het geweten hebben. Vaak escaleert een onnozele oorzaak zo hevig dat ze onzichtbaar wordt in het kluwen en niemand nog weet waar het over gaat of ging. La plupart des occasions des troubles du monde sont grammairiennes.
Jij steelt muziek voor je doeken!
Jij steelt gezichten voor je prenten!
Dat waren plotseling de blikopeners geweest voor een vrouwelijk oorlogje in De Zwarte Duif, na een aanvankelijk ingehouden maar toch verbazend en onheilspellend voorspel dat anderhalf uur in beslag nam en steeds maar crescendo ging qua vinnigheid. De drank had de gevoelens plotseling geflambeerd. De fotoportfolio van Rapunza lag gevaarlijk beschikbaar op het tavernetafeltje. We hadden er al in gebladerd. Nee, we vonden het niet erg dat we verstolen waren vereeuwigd, samen met nog andere groepjes mensen tijdens de feestvernissage van de Byzantium-fototentoonstelling.
Maar toen kwam vanwege de schilderes de opmerking: Jij steelt gezichten!
Waarop de fotografe repliceerde: Jij steelt muziek!
Ze bedoelden allebei: Jij hebt mijn man gestolen!
De smalende toevoegingen doeken en prenten even later waren er te veel aan. Plotseling vlogen ze elkaar in de haren. Arthur Venus schrok zich een felle ademstoot. Griet sprong op, graaide naar Stefanie’s hand en verdween ijlings.
28-10-11
De Leeuwenkuil (43)
12
Niet lang daarna, in de Week van de Dode Egels, ontmoette ik de gekke schilderes Jurka.
Ze exposeerde haar schilderijen in taverne De Zwarte Duif. Op elk schilderij bespeelde iemand een instrument. Toen ze voor de eerste keer grondig openbaar dronken werd aldaar (ze kwam voortdurend poolshoogte nemen, schr. dezes ook, na die avond met die lieve aartsengelen), beschreef ze het schilderij dat iedereen wel eens wou zien: hoe ze bij zichzelf de liefdessappen losvingerde en de genotsgolven liet komen, – maal twee: ook in de spiegel. De liefdesschilderes bekeek zichzelf terwijl ze zich schilderde. Het water kwam ons in de mond. Jurka beschikte over het fraaiste stel benen ter wereld. Die onthulde ze pas dagen na de ophanging van haar schilderijen. Eerst moest ze nog wennen aan ons. Toen ze haar verlegenheid ontwend was, kreeg iedereen een gulle, gekke inkijk bij haar. En daardoor keek iedereen ook wel eens af en toe naar haar schilderijen. Die zouden twee maanden lang in De Zwarte Duif blijven hangen.
Sappige gekke Jurka bleek sterk doorleefd te zijn – gemarineerd en gekookt in de woedende weeën van het leven. Dat merkte je ook aan haar. Prachtig verval. Op twee adembenemende zuilen. Maar wat heet gek? Je bent maar zo gek als de mensen je toedichten. Na haar dronken spiegelopenbaring noemden sommige mannen haar: Jurka-Doe-Het-Zelf. Waar ze in haar een makkelijke prooi vermoedden, daar sloegen ze echter de bal volledig mis. Jurka flirtte alleen met alcohol, nicotine en verf.
En zo zat ik op een van de laatste expositieavonden samen met vier vrouwen aan een tafeltje in De Zwarte Duif: Jurka, Griet, Stefanie, Dienke. En bovenal … met Arthur Venus. Ik had namelijk Dienke kunnen overhalen als levend schilderij met kleur en klank aanwezig te zijn en het spiegelbeeld te evoceren van Jurka’s doeken. We waren teruggekomen naar de plek waar we ons goed gevoeld hadden. Iedereen kon het prima met elkaar stellen.
We dronken, vonden het jammer dat Jurka met haar doeken weer zou verdwijnen en af en toe ontlokte Dienke weemoed en passie aan haar accordeon. Stefanie nam voortdurend foto’s.
Zouden we Jurka nog wel eens weerzien wanneer haar schilderijen hier ontbraken? (Er was er maar één van verkocht, de saxofonist, aan tavernebaas Otto, dat spoor bleef dus alvast). Deze onuitgesproken gedachte vatte vlam telkens Arthur Venus in beweging kwam. Accordeons kunnen vreselijk tergen, maar anderzijds ook diep in je ziel kerven. Het hangt er van af wat je eraan ontlokt, en hoe, en wanneer, en door wie dat gebeurt, en voor wie, of waarom. De adem van de accordeon kan een wee zijn, een zucht of een bries. Hij kan je doen wenen, hij kan je doen zwijgen, hij kan je doen dansen.
25-09-11
De Leeuwenkuil (42)
11
Eind oogst in de leeuwenkuil … en er deed zich een echt gevecht voor, waar schrijver dezes midden in belandde.
Het was in de tijden dat men bij gebrek aan inspiratie doodgewone typetjes in alledaagse situaties op affiches van culturele manifestaties zette (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie het haar tot dicht tegen de schedel afroetsjte teneinde via deze concentratiekamp-look kaalheid te verhullen en tot het leger der gelijkgeschakelden toe te treden (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie alom de slogan Wij maken het verschil zag opdoemen, maar niemand echt dat verschil maakte (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie ging coveren, playbacken, samplen en kopiëren alom (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie zielloze e-mails de wereld inzond en zelden zelf reageerde op geschreven berichten (en iedereen dat na-aapte), dat men bij gebrek aan inspiratie de televisie en hun tateraars als bron en evangelie en autoriteit ging beschouwen en de bête slogan Gezien op tv voor onvoorwaardelijk juist en goed en waar aannam (en iedereen dat na-aapte), het was in die droevige tijden zonder inspiratie dat wie een vondst deed, verdacht was, en voor aap stond, het was in die armbloedige tijden dat de media en hun medioten (een nog ergere variant van videoten) mensen maakten of kraakten (en iedereen dat klakkeloos beaamde).
Dit Vlaams romanesk narratief journaal wil daar een protest tegen zijn.
Op een valavond in die tijden sloot Rapunza haar boetiek Plena Luna op het Pappapleintje in het gehucht Klein Byzantium (aan de periferie van Ramstede en grenzend aan de oude ringweg om Klokrijk) omstreeks halfzeven af, maar liet voldoende kieren en spiedluikjes open. Ze hield bovenal van het uur van de dag waarop ze kon sluiten. Vanavond zou ze van een extra vertoning buiten op het plein kunnen genieten. Op drie verschillende plaatsen in haar winkel/woning, beneden en boven, bracht ze evenveel fotoapparaten in gereedheid.
Op een valavond in die tijden ontmoette schr. dezes Stefanie, Dienke, Arthur Venus (in gedachten) en Griet toevallig op het Klein-Byzantiumfeest eind augustus. Griet en Dienke waren boezemvriendinnen; Stefanie was een hartenkind; Arthur Venus was een accordeon.
Op vrijdagavond zou een fototentoonstelling worden geopend. Dat heuglijke feit was ik vergeten, tot een uur voor de gebeurtenis. Ik repte er me haastig langzaam heen, per auto en een stuk te voet op smalle paadjes tussen eindezomergewassen. Het had enkele dagen onverdroten geregend. Nu scheen de avondzon, zakkend achter de tralies van hoge populieren.
Ik verkende de ruimtes waar de foto’s werden getoond en ging daarna aan een tafeltje op het Pappapleintje zitten, wachtend op wat komen zou in de nadagen van het rusthuis van de zomer, de oogstmaand.
Wie ik daar niet per toeval ontmoette, waren de politici. Er waren immers gemeenteraadsverkiezingen op til. Zij klopten mensen op de schouders, staken hun handen vooruit, gooiden hun armen in de lucht. Ook ik werd stevig aangepakt. Even bekroop me dan de lust om over mijn geaborteerde DefusioneringsPartij te beginnen. Ze mochten getverderrie van geluk spreken.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
Eerst merkte ik Stefanie op. Later kwam haar moeder erbij zitten. Dat was Griet. Nog even later kwam Dienke eraan. Zij kenden mij ietwat omdat ik schrijvenderwijs een tamelijk openbaar leven leidde in de culturele sector en via De Streekbazuin; ikzelf kende tot dan toe alleen Stefanie oppervlakkig: zij had ooit bij mij een serie poëziesessies gevolgd, samen met een vijftiental jongeren. Hier op het Byzantiumfeest stelde ze twee van haar foto’s tentoon. Over Arthur Venus werd die avond alleen even gesproken. Hij was niet zelf aanwezig.
Al vlug was ik in drukke gesprekken met het drietal gewikkeld, afgewisseld met periodes van luisterbereidheid ten opzichte van een muzikaal duo dat onder een paar grote (overbodige) paraplu’s evergreens uit de 20e eeuw coverde. Griet bleek zich (inter)nationaal het lot aan te trekken van jonge hartpatiënten; de werkloze herbariste Dienke was een fervent bomenmens, tekende naaktportretten op verzoek en trad geregeld op met haar accordeon Arthur Venus, waarbij het instrument Arthur heette en zijzelf Venus. Stefanie, het meisje met het hart dat te vlug moe werd, viel met haar twee foto’s net niet in de prijzen, vernamen we tussendoor van de voorzitster van de jury.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
Het avondlicht van augustus werd door het duister uitgevlakt. Straat- en kermisverlichting namen deze taak over. Iedereen bleef keuvelen, staand aan ronde receptietafels of zittend aan feesttafeltjes op het plein. Dat gekeuvel werd gebabbel, steeds harder, en ging hier en daar in een onverwachte groepsbrul over. Ook wij, inmiddels staande lichamen aan zo’n hoge receptietafel, gingen luider praten en breder gesticuleren. Dienke verdedigde met woedende stem en harde r-klanken alle bomen in de stad; Griet legde met vuur en vlam uit waarom ze ondanks een geschikt diploma al die jaren uit het onderwijs was gebleven. Stefanie bracht beiden op gezette tijdstippen tot bezinning. Ik luisterde, knikte en vond het best gezellig. Het luisterde als een open boek. Ik informeerde naar Arthur Venus en naar de Hartenkinderenstichting. De laatste uren van de vrijdag, het slothoofdstuk van de week, geurend naar zeep, gleden glad voorbij. Rond halftwaalf bracht Griet haar dochter naar huis. Ze zou wel nog terugkeren, en bezwoer ons niet te verdwijnen. Intussen ging ik met Dienke op het Byzantiumbrugje de brede beek bekijken, niet ver van het Grieks-orthodox kerkje. Het water stroomde snel ruisend onder ons door. Ik vertelde haar ook over de paden en kerkwegels tussen de velden in de onmiddellijke omgeving. Dienke was verrast door al dat fraais zo vlakbij en besloot dat ze hier binnenkort tussen de landerijen van randstedelijk Ramstede zou komen fietsen. Flarden doffe muziek waaiden ons vanuit de jongerenfeesttent aan. We zochten het pleintje weer op en troffen Griet weer op onze weg aan. Ze moest zich gehaast hebben.
Al die tijd al werden we vanuit boetiek Plena Luna in het oog gehouden door Rapunza.
We vervingen de brave witte receptiewijn door stevige glazen bier; bleek dat geen van ons drieën echt compatibel was met dat feestspul. Waarover praten mensen urenlang? Geen idee. Toen we even later om ons heen keken, zagen we vrijwel niemand meer. We stonden aan het ene tafeltje dat overgebleven was, reeds tot dicht tegen de gevel van een huis geparkeerd, om passage toe te laten. Dat kon niet blijven duren, hoewel ik het een interessante vorm van eeuwigheid begon te vinden. De beide vriendinnen blijkbaar ook. De onvermijdelijke Man-die-Sluit kwam echter opdagen, de Klaas Vaak Der Grote Mensen, op strenge kousenvoeten.
Of wij binnenkort zouden kunnen …
We knikten begrijpend en kozen voor de korte pijn.
‘Is er hier ergens nog iets open?’
Ik keek in vier verwachtingsvolle ogen, na deze klassieker onder de nachtelijke vragen. En ik liet mijn kersverse vriendinnen niet lang in het ongewisse. Het werd natuurlijk De Zwarte Duif, de enige stamtaverne vlakbij. Tearoom De Orangerie kwam natuurlijk allang niet meer in aanmerking.
‘Tiens, ik denk al de hele avond af en toe een bliksemflits gezien te hebben. Daarnet weer.’
‘Hé: ik ook! Ik dacht, dat kan niet, maar blijkbaar … Hebben we zoveel gedronken?‘
‘Een flits in je hoofd wellicht?’
‘Haha.’
Op hetzelfde ogenblik werd het laatste overgordijn in boetiek Plena Luna dichtgeschoven.
31-08-11
De Leeuwenkuil (41)
10
Een half etmaal later verkavelde ik mijn gedachten in kleine partikels om beter het geheel te kunnen begrijpen. Ik riep bijvoorbeeld opnieuw de getuigen te voorschijn van die donderdagavond. Niemand van dezen, waaronder een aantal van mijn toenmalige drankgenoten, had ik inmiddels al teruggezien. Ook waardin Frieda van kaffaat De Eenhoorn was geen betrokken partij: die avond had ze vervanging voor zichzelf voorzien en was uiteten in Lille. Ik had dus nog niemand echt kunnen interpelleren omtrent het paard en de ruiter. Ik begon te twijfelen aan mijn zintuiglijke capaciteiten en voelde zekerheid stijgen omtrent drankmisbruik annex ontregeling van diezelfde zwaarbeproefde zintuigen. Misschien had de hitte me doen hallucineren, alleen of samen met z’n velen. Diezelfde hitte had daarna het tafereel weer weggebrand uit mijn, onze hersenpan. Maar er waren toch zoveel verbaasde blikken en opmerkingen geweest toen? Die paardenvijg had toch uiterst concreet die groene paardenkont verlaten? Een dag later de ‘eeuwige’ tekening van de oude vrouw. Nog later de opmerking van de dichters in Oostende. Had ik ginds natuurlijk maar niet over dat grasgroene paard moeten beginnen, moi, Baudelaire de Klokrijk-Ramstede.
Peinzend en wandelend passeerde ik het Testament van de Tijd, verhuurbedrijf van vermommingen en feestkleren, gezellig gelegen langsheen het stadskanaal Klokrijk - Ramstede - Buitkerke. Buiten aan de deur stond een oud hobbelpaard.
Ik, schrijver dezes, die nog geen ijsje van de mobiele ijsboer durf te betrekken, nooit de weg durf te vragen en zeker nimmer zelf geheel alleen een kledingzaak binnen durf te stappen, informeerde vijftig seconden later aan de balie van het Testament van de Tijd naar het bestaan van een koploos ruiterplunje teneinde een soort headless horseman te kunnen zijn.
‘’t Is maar dat ik meedoe aan de Taalstoet in Brugge’, loog ik onbarmhartig. Er bestond helemaal geen Taalstoet, noch te Brugge, noch te Stuivekenskerke.
‘Staal … Taalstoet?’ informeerde de vrouw. Ze leek precies op iemand die ik kende.
‘Ja, eh … eind september. De evolutie van moerasbrul tot Vlaamse oneliner, van zulks, ja, van holbewoner tot Bart Dewever. Ik vertolk de taalloze. Ik zoek daarvoor … de regisseur wil daarvoor een ruiterplunje waar ik mijn kop … dat mijn hoofd verbergt, zodat de indruk ontstaat dat … ‘
‘Dat hier?’ onderbrak ze.
Ze wees me een aan het plafond opgehangen pak aan; ik wist onmiddellijk met zekerheid dat het de outfit van de marktruiter geweest was.
‘Hebt u ook groene paarden?’ vroeg ik lacherig, wijzend naar het hobbelpaard bij de deur.
‘Dat kan geregeld worden,’ zei ze ernstig. ‘Gek dat u dat vraagt: onlangs hebben we voor iemand een grasgroen paard geregeld.’
Ze keek me even scherper aan: ‘En ja: ook al dat ruiterpak.’
‘O? Iemand van hier? Voor een stoet ook misschien?’
‘Nee, weddenschap.’ Ze zweeg en observeerde me grondig.
‘Maar dat valt natuurlijk onder het beroepsgeheim. Bent u van de pers? De politie?’
‘Natuurlijk, nee, nee. Ik … ik schrijf. Eh … van alles.’
Nog eenmaal zeilde mijn blik als een vuurtorenlicht door de mombakkeszaak. Even bleef mijn licht op de uitbaatster schijnen. Kende ik haar?
‘Axioma zonder A, Apocalyps,’ knarste ik tussen mijn tanden.
‘Eh?’
‘O, niks, een bijgedachte.’
‘Kan ik u verder dan nog helpen? De gekste dingen worden hier gevraagd, hoor. Mensen die een oud schilderij of zo willen nabouwen … tableau vivant weet u wel … of van die vreemde feestjes waar iedereen er … nou: zeer afwijkend uitgedost bijloopt … eh … stoeten, ja … u zegt het maar.’
‘Travestie … orgie … ‘ vulde ik onder mijn hersenpan verder aan.
‘Eh … nee, dank u,’ zei ik dan besluitend, me al half op mijn hielen draaiend. ‘Ik heb genoeg gezien, ik bedoel: ik kom morgen of overmorgen wel terug, eerst nog even met de regisseur overleggen, die kan dan … ‘
‘Ja, doe dat vooral. Geen katten in zakken. Al hebben we die hier ook hoor ... Tot ziens!’ klonk het dwingend.
Ik holde zowat naar buiten. In een flits vroeg ik me af hoe het in ’s hemelsnaam mogelijk was dat zoveel mensen de behoefte voelden zich te ‘verkleden’. Carnavalsvierders en clowns konden zelden op mijn begrip rekenen. De vreselijkste feestjes waren …
‘Carl!’ hoorde ik plotseling constateren.
Eerst ontwaarde ik de mobiele boodschappentas. Daarna de mens: Luc. Hij keek uitdrukkelijk naar omhoog, naar waar de mededeling hing: Testament van de Tijd.
‘Ah, Luc, dag. Handig dat, zo’n ding.’ Ik wees hem op zijn aanhangsel.
Hij keek even achterom naar dat onding en dan weer naar het ophangbord.
‘Feestje in aantocht, Carl? Het is toch Carl, hé?’
‘Nee en nee.’
‘De perfecte reiziger weet niet … ‘
‘ … waar hij gaat, Luc, weet ik, ken ik.’
‘Maskers verklappen het karakter altijd. De Chinezen en Japanners … ‘
Ergens vanuit de duistere krochten van zijn boodschappenzak begon iets te rinkelen, een klein geluidje dat na het openritsen van een en ander een beetje versterkt werd. Luc grabbelde vol verwachting in de wonderzak.
‘Ja hallo, met Dolf.’
Ik keek hem misprijzend aan. Dolf?
Luc begluurde me vettig lachend en zei glimmend, terwijl hij ononderbroken knikte op de mededelingen die hem draadloos werden bezorgd: ‘Mijn telefoonnaam, Dolf.’
Met gesperde ogen en opgetrokken wenkbrauwen knikte ik ietwat begrijpend. Om hem te straffen, sprak ik luid en duidelijk dwars doorheen zijn onnozel mobiel gesprekje: ‘Het was een weddenschap, Dolf, dat van dat groene paard en die ruiter zonder kop, maar het valt onder beroepsgeheim.’ Hierbij wees ik met mijn rechterduim over mijn schouder naar de verkleedzaak achter ons.
Val de zotten en de dwazen met hun eigen wapens aan: Luc/Dolf staakte terstond het communiceren, duwde op een knop van zijn mobieltje en staarde me verbouwereerd aan. Daarna zei hij, met het hoofd naar Testament van de Tijd knikkend: ‘Natuurlijk kent ma het beroepsgeheim. Het zou fraai zijn, mocht eenieder die hier … ‘
Op mijn beurt staarde ik hem verbouwereerd aan.
‘Waarom heb je dat eigenlijk gedaan, Luc?’
‘Heb je hem niet zien lopen die naakte jongen met dat paard over de Consciencebrug?’
‘Je kunt verdomme wel goed zwijgen, zeg! Toen in De Eenhoorn …’
‘De perfecte reiziger weet niet waar hij gaat.’
‘De eeuwige tekening van die vrouw … Werken jullie samen misschien?‘
‘Tante Mia, oudste zus van ma, ja.’
‘Met z’n drieën dus. Maar waarom, Luc, Dolf?’
‘Heb je hem niet zien lopen die naakte jongen met dat paard over de Consciencebrug?’
‘Eh?’
‘Een groen paard is een paard dat nog niet bereden is. ‘Jongen met groen paard’, schilderij uit 1957 van de Nederlandse schilder Dolf Henkes, dood in 1989, ander bekend schilderij: ‘Dichter te paard’, maar dat paard heeft twee koppen.’
‘Ja, oké, en … ‘
‘Toen ze Dolf Henkes vroegen om uitleg bij het groene-paardschilderij, antwoordde hij : Heb je hem niet zien lopen die naakte jongen met dat paard over de Moerdijkbrug?’
‘Aha … ‘
‘Ken uw Chinezen, ken uw klassiekers. Ik heb de naaktheid vervangen door hoofdloosheid, en ik zit wel op het paard, ik loop er niet naast, zoals in het schilderij.’
‘Maar waarom … ‘
‘Eredienst, Carl, theologie. Ma organiseert volgend seizoen een grote Henkes-expositie in de gerestaureerde zaal hier naast het Testament. Dat wordt de nieuwste galerij in de streek. We zullen die Axioma noemen, we hebben er met z’n drieën over nagedacht. Beetje originele pr kan geen kwaad hé?’
‘Ha,’ knikte ik. ‘Ja, nee.’
Ik gaf de man voorwaar nog een hand ook, zeggend: ‘Greenpeace’.
Ik ademde hitte toen ik weer naar de binnenstad stapte, maar in de verte haalden de heksen van de herfst hun bezems al boven. Het helle, gouden licht van augustus hield ze nog enkele weken op afstand. In de waterpartijen van de groene gedoogzones in Klokrijk en gefusioneerd omliggende randgemeenten waren al sporen van rotting te ontwaren.
‘Venetië, Veerle, we zijn nog nooit in Venetië geweest.’
‘Dat is … ‘ begon Veerle, maar toen verscheen na dwingend belgerinkel dochter A., terug uit het ongelooflijke Malawi, vergezeld van tweelingdochter B., reeds duidelijk dragende ons kleinkind. Tussen de sms’en en de mobiele oproepen door luisterden we naar hoe ze in Malawi elkaars kleren om de andere dag dragen en uit niets iets kunnen toveren. Belg rijmt met zwelg, flitste het ondertussen voortdurend door mijn hoofd. Schrijver-dichter dezes werd wel vaker met gekke rijmen bestookt. Leeuwenkuil – etterbuil. Vlaanderen – spaanderen. Wallonië – kakofonië.
‘Hé vader: je droomt!’ zei de Malawinese plotseling.
‘Nee, nee: ik ben overstelpt door je malawine,’ riposteerde ik. En zo was de copywriter in mij weer tevreden.
31-07-11
De Leeuwenkuil (40)
09
Het ene, affe gedicht? Volmaakt als een kei? Eeuwig ei? Daar levenslang mee rond te zeulen, in goede en in kwade dagen, terwijl alle anderen feestelijk hun leven op aarde aan het opgebruiken waren? Deze vooralsnog onbeschrijfelijke onvolmaaktheid immer verder, ouder, wanhopiger met me mee te dragen ten koste van de noodzakelijke stroomtoevoer naar een ‘normaal’ bestaan? In een dergelijke duisternis? Dit misschien ongewenste embryo voedsel en onderdak te gunnen terwijl het nog een monstertje was?
Mijn eeuwige gedicht bestond het alsnog te bestaan uit deze aanhef:
Ja, er is dood na het leven.
Als oneliner in drenkplaatsen kon dat tellen. Ik uitte deze gedachte enkele dagen later aan de Vlaamse zee in het zweterige voorleeshol getiteld ‘Alle Woorden’, een tijdelijk onderkomen voor dichters die op uitnodiging dagelijks hun ‘werk’ kwamen ‘brengen’ in Oostende, oude Koningin aller Waterplaatsen. Celsius ging andermaal zo vreemd dat onderdompeling en besprenkeling de overheersende trends waren: zweet, water, drank. Airco ten behoeve van de schone letteren ontbrak daar; een openstaande voor- en achterdeur moesten de illusie van tocht en verfrissing wekken.
Zei ik dus:
‘Ja, er is dood na het leven.’
Kleine plasjes licht veroorzaakt door poëtische lampjes op de luistertafels accentueerden het opzettelijke duister in de zaal ‘Alle Woorden’, maar toch zag en hoorde ik een korte schaterlach in viervoud om me heen. Mijn oneliner moest blijkbaar perfect aangesloten hebben bij een eerdere opmerking, misschien een collega-oneliner, maar ondertussen pleegde ik wel letterkundig verraad ten opzichte van mijn ene, affe, eeuwige gedicht. Het werd onmiddellijk, in de knop al, gene, laffe, gestorven gedicht. Back to basics; hel licht dat definieerde.
‘Een gezwommen hond: mooi hé’, zei de Nederlandse dichter T.H., reagerend op een andere flard tekst van mij. We knikten donker. Onder dichters bestond geen verdere, vermoeiende uitleg. Een lampje was voldoende. In een dergelijke duisternis. Ik vergrendelde ijlings de euforische en sociale compartimenten aan de achterkant van mijn hart en stak niet van wal betreffende een groen paard. Een groen paard vergt uitleg, een gezwommen hond niet, een ruiter zonder kop behoorde tot de orde van straatanimatie of theater op de zeedijk.
We lazen dus voor, want er sijpelden een veertigtal gegadigden de donkere krocht binnen. Men waaierde zich constant luchtverplaatsing toe met dunne dichtbundeltjes die voor de gelegenheid te grabbel lagen à € 5.
Onzichtbaar worden in en vertrekken uit een drukbeklant café is moeilijk.
Deze mantel der vergetelheid wil men echter als dichter niet omhullen bij dergelijke manifestaties. Men wil het omgekeerde: meetellen, schrijven, blijven. Wat schr. dezes hierbij bedoelt: de man van de tussenteksten, ‘inleider’ genoemd, vermeldde preluderend bij de andere voorlezers hun prijzen, verfilmingen, grote podiumprestaties, terwijl hij in mijn geval volstond met een opsomming van wat titels en - goedbedoeld - de opmerking dat ik een waar ‘schrijfbeest’ was. Dat had hij ergens over mij gelezen. (Hij citeerde daarbij de naam van de essayist nog verkeerd ook). Schr. dezes had nochtans ook al zijn voorraadje letterkundige prijzen in de wacht gesleept. En een volgestouwde stadsschouwburg in Klokrijk op Valentijnsdag met zijn teksten verblijd. Daardoor werd ik ten opzichte van de andere podiumbeklimmers een ietsepietsie onzichtbaarder. En dat mocht niet de bedoeling zijn.
Maar, zo waar ik Jaak Moeneclaes heet, ik deed dapper mijn best. De oplossing - zomer, hitte, kust, timing, en de bar bleef constant open -: light verse. Ik serveerde light verse. Luchtige verzen, weet je wel, licht verteerbaar, achterklap op rijm, leuk scoren, instant, soms zelfs genoemd: heavy verse, vanwege het nadrukkelijke rijmen. Dat viel natuurlijk mee. Ik was nochtans de laatste aan de beurt, na de muzikale interventie (‘streepje muziek’, cliché als een kathedraal met duivenstront op). Om te beletten dat men me als lolbroek herinneren zou, plakte ik er als kroon op het werk nog een stukje ernstig proza tegenaan. Heb daar maar van terug. Cut. Freeze. Applaus.
Bij het voorlezen had ik de gewoonte mijn blik op ‘algemeen’ en ‘iedereen’ te houden. Pas tijdens het besluitende handgeklap ontwaarde ik tot mijn verbazing plotseling lijf en leden van Kerel Desmet in de zaal. Vlak voor de lichten even uit gingen. Hij applaudisseerde niet, terwijl hij me star zat aan te kijken.
Omdat de hitte in ‘Alle Woorden’ niet te harden was, spoedde iedereen zich na afloop ijlings naar buiten, naar het feestvuurwerk op het strand van Oostende. In verband met de moordende hitte verspreidden poëtische lampjes weer wat schaars licht. Ik daalde behoedzaam het podium af terwijl ik onderzoekend de halfduistere zaal in tuurde. Van Kerel Desmet was echter geen spoor meer te bekennen. Verdorie, draaide die rakker me een loer? Ik speurde verder de zaal af, bestudeerde de ruggen van de verdwijnende toehoorders, maar nee: geen Kerel Desmet meer te zien. Ik was er nochtans zeker van dat hij zich onder het publiek had bevonden. Die starre … grijns? Was het een grijns? Peinzend vertoefde ik enkele minuten in niemandsland – vlak na een voorleesact gebeurde dat wel vaker. Toen verliet schr. dezes zijn quarantaine en keerde hij terug onder de levenden, teneinde betaald te worden.
Wederom zaten we met het dichtersgezelschap rond het plasje licht geschaard, onze drankbonnetjes opsouperend en ons voorleeszweet met zakdoekjes van het hoofd wissend.
‘Dat groene paard … ‘ merkte de Nederlandse dichter T.H. op. Voor hem was door de organisatie van ‘Alle Woorden’ het hotel Orbit besteld voor deze nacht.
‘Ja … ?‘ deed de verfilmde romanschrijver E.P., opkijkend uit een boek dat hij aan het signeren was. De bekroonde essayist-prozaschrijver D.V.R. werd door een aartsengel van de organisatie in beslag genomen betreffende de financiële kant van de zaak. Ik greep naar mijn doordrenkt zakdoekje en kneedde het in mijn linkervuist. Een groen paard vergde dus wel degelijk uitleg. Ook onder taalsmeden.
‘Is het leven op aarde geen rat race?’ poneerde ik. ‘Mag er ook al eens een groen paard doorheen draven waarop een hoofdloos mens is gezeten?’
Een paar wenkbrauwen gingen de hoogte in en knikten mee met het totale hoofd dat ‘ja’ zei maar ‘hoezo?’ bedoelde. Een paar handen begonnen intensief te jongleren met tabak en vloeitjesboekje. Een andere hand ontving een envelop. Dit zou het moment kunnen zijn, dacht ik in een flits, waarop ik nu gezegd zou kunnen hebben: ‘I’ll get my coat.’ Er school echter geen kwaadaardigheid in de vraag naar het groene paard dat met zijn koploze berijder in mijn slotstuk proza opgedoken was, dat voelde ik.
‘Geen kopzorgen? De absintkleur van de ontregeling en de creatie?’ opperde mijn buur. Zijn gelaat flakkerde even hevig op toen hij het shagje in de fik zette. Dat was een boeiende analyse, kort en krachtig.
‘Apocalyps perhaps,’ glimlachte E. ‘Zijn er in Antwerpen, Gent en Brussel ook dergelijke creaturen opgedoken?’
‘Ha, dat zou mij en mijn verhaal goed uitkomen,’ knikte ik ruiterlijk. Ik had het gevoel dat ik mijn geloofwaardigheid ietwat verloren had door mijn ‘ernstig’ stuk proza. De boekenschrijvers aan mijn tafeltje spaarden me verder en wijdden zich aan de naweeën van hun voorleesbeurt.
Het bleef warm. Mensen met bijna niets aan bevolkten de terrassen over. Ik stapte door de binnenstad van Oostende, richting zee, laverend tussen hondendrollen. Hier barstte het van die ondingen. Een waar mijnenveld. Je vroeg je af wat er met die hoopjes gebeurd was, als je ze vandaag in de gaten hield, noodgedwongen, en de plek waar ze gedeponeerd waren, en je ze de dag erna plotseling niet meer zag. Verzamelde iemand die? Was er een drollenschepper of -schraper aangesteld? Een veroordeelde die tot duizend uren maatschappelijk werk werd gedwongen? Trad des nachts een geheim drollenplan in werking?
Apocalyps. Ik zocht een kathedraal van frikadellen en sissend frietvet op. Tijd voor een hoogmis, alleen en van geen mens gestoord.
‘Vier van die kippenboutjes a.u.b.'
'Om mee te nemen?'
'Nee, ik eet die hier op. En nog een cola.'
'Zijt u geïnteresseerd in theologie, meneer?'
'Pardon?'
'Theologie.'
'Eigenlijk niet. Mijn compartiment niet. Ik heb honger. En dorst. De stad koelt niet af deze nacht.'
Zo'n prachtige frietkeet met zo'n onderdeurtje erin! Ik bekeek hem scherper. Hij was een meter zestig en als figurant weggelopen uit een film van Ed Wood. Hij duwde op de knoppen van een van de drie magnetrons die voor hem uit torenden en mikte er de kippenboutjes in. Voorwaar: het leven op aarde was al flink geautomatiseerd. Wat we allemaal al niet konden sedert we niet meer met onze kneukels over de grond sleepten en elkaar niet meer de schedel insloegen met knotsen!
'Voila, uw cola. Wat vindt u daarvan: iedere professor theologie belijdt toch zijn eigen geloof? Hoe kunnen ze dan in 's hemelsnaam subjectief ... eh … objectief oordelen?'
'Godverdomme,' dacht ik. Het kwam uit de grond van mijn hart.
En ik zei: 'Dat ik het niet zou weten, verdorie.'
'Ik ga binnenkort een cursus theologie volgen.'
‘Dat is zeer wel van u.’
Ik sleurde aan het treklipje van mijn cola en zette de pul aan mijn mond. Mijn borst stroomde vol met iets koels.
‘Ja ja.’
'Ha ja.'
'Ja. Niet voor de poes, hé. Soms komt er hier een jonge gast frieten eten. Die gaat er in oktober ook aan beginnen. Misschien. Hij weet niet wat hij doet.'
'O nee?'
'Nee. Te jong. Veel te jong voor theologie. Ik ben er veertig. Ik kan met leven en dood omgaan.'
'Ik meer dan veertig. En rammelend van de honger.'
Mompelend voegde ik daar nog aan toe: 'Ik wist niet dat gelovigen ook frieten eten.'
'Hoeveel mensen op deze wereld zouden er echt gelukkig zijn?’ vroeg de kerel me nu uitdrukkelijk. 'Servet?'
'Ja. Merci. Ik zou het begot niet weten.'
PING-PING. Mijn kippenbouten waren klaar. Ik legde wat geld op de toonbank.
'Voila, meneer, smakelijk en merci.'
'Merci.'
Ik zette mijn tanden in het uiterste boutje en schoof het aldus van de pen. Een krokodil die zijn buit even schudt voor gebruik.
'Alle godsdiensten zijn eigenlijk een en dezelfde. Het huis van Maria bijvoorbeeld bevindt zich in Turkije. Weinigen weten dat.'
Ik knikte, at en dronk. Maria kon mijn kloten kussen en Turkije rustig ontploffen.
Door de glazen schuifdeuren zag ik een taxi stoppen. Uit het belendende café kwam een man die in zijn laatste levensjaar was beland. Zijn vrouw voerde hem als een aanhangwagentje met zich mee. Ze wurmde zijn benen in de taxi, terwijl de taxichauffeur behulpzaam toekeek. De meter tikte. Een menselijk mirakel, voorwaar: de vrouw slaagde in haar opzet. De taxi reed weg. Het was volbracht.
Ik werkte vreugdeloos de boutjes naar binnen en stuurde er een hink-stap-slok cola achter aan. Ook dat was volbracht: het voeden, het drenken. De eredienst van de innerlijke mens. Als iedereen theologie bedreef, zouden er geen frietketen meer zijn. Geestelijk voedsel zou voldoende zijn. Een blind geloof in groene paarden en koploze ruiters bijvoorbeeld.
Dus zei ik dankbaar: 'Zo.'
Voldaan mikte ik de pul, de pen, de servet en het kartonnen bord in de vuilnisbak. Een mens maakt altijd meer afval dan de oorspronkelijk aangekochte dingen groot zijn. De veroorzaakte wanorde doet het althans zo uitschijnen.
'Theologie?' vroeg ik, me omdraaiend. Een opwelling van begrip, na voedertijd. Ik speurde tussen de omgekeerd opgehangen tepelknijpflessen met sauzen. De figurant was onzichtbaar geworden. 'Goeienavond,' zei ik tegen niemand. Ik verliet deze friettempel, mijn vleselijke mens gesterkt. Af en toe wierp ik een blik over mijn schouder, om te checken of ik misschien niet door ene Kerel Desmet geschaduwd werd.
Een halve minuut later trapte ik in een hondendrol.
‘Er is damned dood na het leven,’ mompelde ik opstandig. Met mijn rechterschoen over straat schrapend sleepte ik me naar mijn auto. Hinkend paard in Oostende, Koningin aller Waterplaatsen, thuishaven van de Wellingtonrenbaan.
23-06-11
De Leeuwenkuil (39)
08
Mijn gedachten werden, te vlug en tegen mijn zin, onderbroken door de aankomst van een bejaarde vrouw en een mannelijke vijftiger die een boodschappentas op wieltjes achter zich aan zeulde. Ze kwamen samen binnen, toevallig, ze hoorden klaarblijkelijk niet samen, maar ze kenden elkaar duidelijk wel. Stamgasten. Ze gingen naast mij zitten, allebei op een rijtje, aan mijn linkerkant. De mobiele boodschappentas versperde daardoor mijn noodcorridor naar het sanitair én mijn ontsnappingsroute. Woede welde daardoor even in mij op.
‘Het is … ‘ zei de man, me met half dichtgeknepen ogen monsterend.
Ik speelde verwachting en gunde hem bedenktijd.
‘Carl,’ constateerde hij.
‘Nee, mis: het is Jaak. Maar Carl is ook wel goed hoor. Of Ellen. Dag Luc.’
Had hij me Lucifer of Dorothea genoemd, dan was ik ook akkoord gegaan. De vrouw (het woord ‘besje’ is te gerimpeld voor haar) boog zich voorover uit het rijtje.
‘Dag meneer. Goed dat je hier nog mag roken hé?’
‘Hallo,’ boog ik wederkerig beleefd. ‘Zeer goed. Tolerant.’
Ze was weelderig, maar passend en billijk behangen met allerlei waardevols. Er kwam een gesprek op gang, waar ook waardin Frieda zich in mengde, want veel ‘volk’ was er niet. Zomerpraat. Small talk. Warme lucht. Gezucht. Ondertussen was ook de schlagermuziek niet van de lucht, middels de ellende van een dubbele verzamelaar in de cd-gleuf. Ik bleef dus simultaan converseren en de edele kunst van het rijmen beoefenen, zeg maar: achterklap. De billijk behangen oude vrouw rookte en gaf op korte termijn blijk van een veel vlugger en groter bevattingsvermogen dan haar jongere buur, die duidelijk voor zich uit lulde en decennia geleden zijn allerlaatste propere inzicht had verworven. Aan dronkenschap of hitte viel dit alsnog niet toe te schrijven. Jammer voor hem. Hij was gewoon kierewiet. Maar dat vermoedde ik al langer. Ik gedoogde hem in mijn zone. De belendende sigarettendraaier ietsje verder zocht nu een aansteker, en zie: zij reikte hem die kwiek aan, veel vlugger dan Luc, die secondes daarna te laat ook met een aansteker jongleerde.
‘Hou die maar, ‘k heb er wel honderd.’
Ik had ondertussen, zoals gewoonlijk, wel wat kattebelpapier binnen handbereik liggen, je wist immers nooit wanneer de diepe gedachten zich aandienden, maar, ook zoals gewoonlijk, weer geen …
‘Hier, hou die ook maar, ‘k heb er thuis nog veel.’
En ze schoof mij verdorie een balpennetje toe. De kerel Luc keek verbouwereerd heen en weer, als bij een tennismatch. Daarna plukte hij een lens uit een zijner ogen en inspecteerde die, balancerend op zijn vingertop, iets mompelend van ‘speeksel’, ‘warmte.’
Ik had deze Luc vroeger al in de horeca van Klokrijk ontmoet, ongewild. Dit wou ik nu evenmin. Want kijk, luister, daar begon het andermaal, het deed zich nog maar eens voor, nadat hij het kijkimplantaat weer in zijn hoofd had aangebracht: ‘ … een Chinees of Japans schilderij … vier karakters … gij moet dat toch ook kennen … ontcijferen … weet niet … kwam me bekend voor … toch geleek het … de perfecte reiziger weet niet waar hij gaat … drie duvels en dan beginnen schrijven … ik moet het nog controleren … vier staan erop … ze heet Axioma maar dan zonder de A … ‘
Weer steeg woede in me op. Ik haat de doolhof van woorden die door minkukels op café wordt aangelegd. Ik steiger bij derderangsfilosofie. Ik word moordzuchtig bij ongeordende monologen die dreigen uit te monden in sterrenbeelden en handlezen. Ik werd zo woedend dat ik hem ruw onderbrak en over het groene paard en de koploze ruiter begon. Dat was dan mijn Chinees, op mijn beurt. De wraak smaakte niet zoet.
Ondertussen mengde zich dwingend klokgelui van de nabije St. Bureaucratiustoren met de cd-muziek van drenkplaats De Eenhoorn. De kerel Luc keek me vrolijk aan, wenkte naar Frieda om drie bier en begon vervolgens een minimonoloog over een Columbiaans lief dat niet bestond, mijn hoofd eraf als …
Schr. dezes keek volstrekt onbeleefd weg van hem naar de Ramsteedse markt die onder een spetterende zon lag te blakeren, no harm done, die was toch zo zot als een achterdeur, dwazen en kwalijkheid gaan niet samen.
Dat groengeverfde paard en die koploze ruiter. De hitte inclusief de drank annex ontregeling van zintuigen? Hoeveel gevallen van collectieve verdwazing hadden zich onlangs al voorgedaan? Paste het fenomeen van gisteravond in dat plaatje? Enkele voorbeelden. Pubermeisjes en -jongens over het hele land vielen enkele jaren geleden ten prooi aan ziekmakende cola. Er scheelde niets met de cola. Computervirussen verspreidden zich sneller in de geesten des mensen dan via computers. Vaker was er geen virus dan wel. Viel er bij bloedafname van het Rode Kruis één dappere van zijn stokje, dan volgden er onmiddellijk een aantal. Zien, horen, vernemen, veroorzaakten doen, ondergaan, voortplanten. Waar was de grens tussen gerucht en epidemie, kwakkel en waarheid of echtheid, fictie en realiteit?
‘Straks blijkt SARS ook zo’n zichzelf collectief voortplantende kwakkel,’ mompelde ik, begeleid door uitbeierend klokgelui en een flard Borsato.
‘Moeilijke gedachten?’ informeerde de vrouw, zich weer even voorover buigend. Het glimmende kin- en kakenstaketsel van de mens Luc zat in de weg.
Ik boog me idem dito, tot ik congruentie en analogie met haar bereikte, en zei:
‘Gisteravond stapte er een groen paard over de markt hier. Er zat een man zonder hoofd op.’
‘Je mocht daar één zin van gemaakt hebben hoor,’ merkte ons glimmende tussendoortje op. ‘Maar je papiertje is nog leeg hé?’
We negeerden deze Einstein nu straal en ze antwoordde:
‘Die ken ik. Ik heb die ook al gezien. Vaak.’
Met oplichtende ogen keek ik haar aan, terwijl ik mijn kattebelvelletje tot een prop kneedde. Ze knipte haar aansteker aan; een hoeveelheid armbanden schoof naar haar elleboog toe. Met een korte vrouwenzucht stootte ze het eerste rookwolkje uit.
‘Echt waar?’
‘Ja.’
‘Ook gisteravond dan … hier op de markt?’
‘Nee.’
‘?’
‘Eh … mijn eeuwige tekening.’
‘Tekening?’
‘Ja. Ik teken al jaren, wat zeg ik: decennia, aan dezelfde tekening. Ken je wel hé: toevoegen, weglaten, wijzigen, schrappen, … Het is de ruiter zonder hoofd en het groenachtige paard.’
‘Eh?’
‘Groen paard, man zonder kop.’
In de doka van mijn hoofd ontwikkelde zich ongewild een serie Dali-achtige tableaus. Smeltende horloges. Paarden op te hoge insectenpoten.
‘Een eeuwige tekening?’
‘De enige die ik ooit zal maken en gemaakt zal hebben. Streef jij ook niet naar het ene, ware gedicht? Je schrijft toch gedichten hé? Ik ken je van De Bazuin.’
Ze knikte naar het tot een prop geknede velletje papier voor mij. Onze tussenman keek me triomfantelijk aan.
‘Eh … ‘
‘Ja toch?’
‘Wordt je papier dan nooit moe?’ week ik af. ‘Of herbegin je alsmaar?’
Vreemd genoeg slikte ik deze onzin veel beter, nou: lijdzamer, dan het distelige geneuzel van ons tussendoortje.
‘Beide,’ antwoordde ze, hooghartig-verbaasd. ‘Beide natuurlijk. Honderden versies vergezellen permanent het moederblad. Dat wordt telkens opnieuw gevoed. Ik werk er al aan van in de jaren tachtig.’
‘Eh … paard en ruiter dus … ?’
‘Ja. dat is het geworden. Zo dicteerde het zichzelf. Zoals jij het beschrijft. Hoe weet jij dat? Van hem hier?’
Ze knikte naar Luc als naar een vreemd voorwerp en wapperde storende rook weg. Deze Luc keek nu star voor zich uit, naar een wandschilderij met zicht op de Broeltorens uit het nabijgelegen Klokrijk.
‘Maar die scène speelde zich hier gisteravond op de markt af. Eh … in het echt.’
Ik schaamde me over die laatste kinderlijke woorden.
‘Dat kan.’
Ik zweeg en dacht aan een verhaal dat ik zelf niet lang geleden schreef. Een renner in de Tour de France dook daarbij het struikgewas in en verdween voor altijd. Vele ontwikkelingen vloeiden uit deze daad voort. Een dag later, werkelijkheid op televisie, viel favoriet Beloki bij een afdaling; titelverdediger en mededaler Armstrong dook de velden in om zijn slippende rivaal te ontwijken en zo zijn hachje te redden. Beloki verdween gebroken uit de Ronde. Niet dat fictie en realiteit elkaar hier zo innig toedekten, maar toch … Hoe stevig waren toeval en voorspelling met elkaar vervlochten? Hoe groot was de kans op een zwarte zwaan? Of was dat een bedenking die thuishoorde in het kluwen ter hoogte van het hoofd van mijn buur Luc, doctor honoris causa aan de Laughing Academy?
‘Hoe kom je bij dat groene paard? Die man zonder hoofd?’ interpelleerde ik verder.
‘Alles dicteert zichzelf,’ antwoordde ze prompt.
Luc knikte wijs:
‘Axioma zonder A – de perfecte reiziger weet niet waar hij gaat. De voorspellende kracht van een creatie.’
Ik zonk weer achterover in mijn rieten kuip en begon te associëren: grasgroen, gifgroen, onderwatergroen, milieugroen, flessengroen, nijd, jaloezie, hoop?, hoop dan maar ook, ziekenhuismuur, chirurgenwerkpak, absint, stop.
Er voltrok zich plotseling een kleine invasie in kaffaat De Eenhoorn. Het betrof blijkbaar ook bekenden van mijn buren. Het kwam er nu op aan vergeten te worden en ongemerkt op te kunnen krassen. Dat was niet altijd makkelijk, niet alleen vanwege de idiote gewoonte elkaar voortdurend drankjes aan te bieden volgens een beurtrol (waarbij je vaak volslagen vreemden noodgedwongen betrekken moest), maar ook concreet door het betalingsritueel te bezegelen (waarvoor je de aandacht van barkeeper, ober of waardin nodig had) annex het haastig mompelen van een soort afscheid. Die verdomde mobiele boodschappentas die de lucht van Luc vervoerde en waar niks in stak hinderde me, maar … ik bewoog … ik mompelde wat … ik telde wat centen neer … en zie: ik stond weer op de markt, bevrijd, weg van lijfgeuren, in de dichte hitte. Het was volbracht. Ik hapte naar lucht. Mijn longen schroeiden bijna dicht.
21-05-11
De Leeuwenkuil (38)
07
En toen werd het augustus … het rusthuis van de zomer. Een trillende hitte zinderde boven de putten in en de bulten op de Vlaamse wegen. In de bestuurloze leeuwenkuil die België geworden was, ging alles vanzelf prima. En ik zou andermaal gaan optreden.
Op de markt van Ramstede waren die donderdagavond begin augustus alle caféterrassen volzet. Er was een hittegolf voorspeld die tien dagen zou duren. De komende nacht zou zelfs geen afkoeling brengen. Klokslag negen uur op de toren van de St. Bureaucratiuskerk verscheen een ruiter te paard. Iedereen keek met open mond toe. Alle gesprekken vielen stil. Obers bevroren in hun houding. De ruiter had geen hoofd en het paard was grasgroen geverfd. Traag paradeerde de vreemde combinatie klikklakkend en schrapend voorbij de terrassen. Dat herhaalde zich zo driemaal. Ondertussen bleef het doodstil. Honderden verbaasde ogen sperden zich. Om kwart over negen verdwenen paard en ruiter via de Waterschadestraat uit het zicht, met achterlating van een droge drol ter hoogte van café De Eenhoorn. Stemmen werden bevrijd; geroezemoes brak los. De betovering was verbroken. De burgers van Ramstede begonnen druk te speculeren. Iedereen vergat het groene paard en zijn koploze ruiter na te hollen.
Weddenschap.
Straatanimatie.
Iets met Guldensporenstoet of zo.
Reclamestunt.
Groen: nijd? Jaloezie? Hoop?
Kopje kleiner?
Symbool voor de burgemeester van Klokrijk?
Die was volledig teruggefloten uit de landelijke politiek na de grote opdoffer voor zijn partij bij de laatste nationale verkiezingen. Hij was nu ex-minister, ex-partijvoorzitter en opnieuw doodgewoon burgervader. Men zag hem niet graag in Ramstede.
Iemand veerde uit zijn kuipje op en ging onder luid gelach de drol met enkele piepkleine Belgische cocktailvlaggetjes opsmukken. Een enkeling nam poolshoogte aan de Waterschadestraat, alsof hij zo paard en ruiter terug wou dwingen. Even leek het alsof hij op de paardenvijg toe zou stappen teneinde erin te trappen. Een door alcohol gedicteerde stunt, weet je wel, maar nee: hij verdween dan zelf in het straatje zonder terug te keren.
‘De hitte,’ zei Veerle. ‘De hitte speelt ons parten. Dit is niet gebeurd. De president ontkent.’ Ach, mijn vrouwtje was voor één keer openbaar teut. De hitte, weet je wel.
Iemand had onlangs op tv zo’n film gezien, met een ruiter zonder hoofd, iets met Hollow of zo. Een soort horror.
‘ Ge verwart met de Gilmore Girls.’
‘ Nee nee: dat was Stars Hollow. Of was het Hollow’s Star? Hollows Stars?’
‘ Ik weet het nu niet meer zeker.’
‘ Mijn kop eraf.’
‘ Hahaha.’
Iemand durfde te wedden – ook alweer zijn hoofd – dat het een reclamestunt was. Ja: voor een film misschien wel, ze doen dat zo, waarom niet?
‘ Zouden ze dat dan in andere steden en stadjes ook doen?’
‘De markt is daar een stuk groter.’
‘ Ze moeten dan maar een groter paard nemen.’
‘Wat heeft dat daar mee te maken?’
‘ En ik zeg dat het te maken heeft met de opening van een nieuw café.’
‘ Ja: Het Groen Paard.’
‘ De Headless eh … ’
‘ Horseman.’
‘ Kop noch staart.’
‘ Hahaha.’
Iemand had al eens een film gezien waarin een beschilderd paard door het doek stapte, maar hij was de Italiaanse titel van deze prent vergeten, sla hem dood, hij kon er niet op komen.
De nacht bracht geen afkoeling.
De dag erna evenmin.
’s Anderendaags, vrijdag valavond, het laatste hoofdstuk van de week, even ruikend naar zeep, maar niet voor lang, 38 ° Celsius, ging ik weer poolshoogte nemen op de markt van Ramstede. Want, voorwaar: ik was een van hen geweest. Zonder driewerf hanengekraai, ja: ik was er ook bij geweest, die avond ervoor. Veerle, mijn wettelijk geregelde vrouw, was getuige. Zoals velen waren we, te vroeg begonnen, te laat beëindigd, overmoedig losgebarsten in drank, in de waan aldus onszelf te wapenen tegen hitte, uitdroging, of wat zo’n vlammenwerpende zon de stervelingen ook moge berokkenen. Ik had profylactisch en uitvoerig mijn innerlijke mens besprenkeld met heilzaam oliesel en nectar.
Het was alweer zo heet dat hier en daar een blad zomaar zijn boom verliet en op een terras neer zeilde, begin augustus, als in een herfst of na hevige vrieskou. Mensen waadden door de dichte hitte op zoek naar soelaas, onderdak, tocht, lommer, refugium, sanctuary, airco.
Ik ook. Ook ik.
Maar extreme weersomstandigheden beletten me nimmer alert te zijn voor meer dan het elementaire bestaan op deze blauwe plek in het heelal, weze het koudefronten, weze het hittegolven. Vandaar: kaffaat De Eenhoorn andermaal, ter hoogte van de inmiddels verdwenen paardenvijg, medio markt.
Ik groette patrones Frieda en vlijde me in slow motion uitgebreid neer in een rieten kuip tegen de wand. Hoe warmer, hoe trager de gebaren. Men zwom, men waadde, men gedijde, men schreed. De notariële aankondigingen hingen te zweten aan de muur. De deuren en ramen naar het trottoirterras waren uiteraard open geschoven; een gigantische dronken haardroger probeerde hierbinnen frisse lucht in het interieur te waaieren. Aanvankelijk hield ik me onledig met het ongemerkt aanvullen van schlagerregels die rijmnood vertoonden; de ‘muziek’ stond nogal luid.
‘ … voor mij.’
‘ … destination.’
Altijd prijs. Ondertussen bestelde ik twee bieren ineens. Het zweet biggelde van mijn voorhoofd, ook al knikte de haardroger af en toe in mijn richting. Twee tafeltjes verder pierde iemand een crisissigaretje. Tabakskruimels kleefden overal op en aan. Dit was geen weer om een roker door te jagen. Ik staarde naar buiten, ongehinderd door glas, voorbij de 2,4 kinderen annex postnucleaire ouderpaar op het terras, en dacht aan het groene paard en zijn koploze berijder. Hoe had die er eigenlijk uitgezien? Doodgewoon, reconstrueerde mijn beeldende herinnering nu, een paar benen, zelfs geen rijlaarzen, doordeweekse kleren, wel een breed uitgezette borst, iets maliënkolderachtigs of toch alleszins uit de wereld der toneelrekwisieten?, maar bovenal: geen hoofd. Waar het hoofd moest zitten, was er, nou: niets. Zelfs geen vervangende bloemkool of zo.
12-04-11
De Leeuwenkuil (37)
06
Op de Quatorze van Marianne was buurlandje België weer eens de bezwijming nabij: na maanden bakkeleien gaf premier Yves Leterme er de brui aan. Dat gebeurde ook ‘s ochtends vroeg, blijkbaar een tijdstip waarop evenzeer het omgekeerde van staatsgrepen zich voordoen: staatsfiasco’s.
Plaatste deze gebeurtenis mijn RDP in een ander daglicht?
Het was ondertussen statistisch al bewezen dat een partij als LDD (Lijst Dedecker) onlangs haar stemmenaantal vrijwel wist te verdubbelen. Zonder een poot uit te steken. De mensen hebben nu eenmaal graag krasse uitspraken over concrete zaken. Het diet kickt daarop.
‘In cafés met groene deuren mag gerookt worden, achter rode deuren niet’.
(Een middeleeuws klinkende stelling, mijns inziens).
In gedachten klauterde schr. dezes in het midden van de vismarkt op een zeepkist en bulderde door een megafoon tot de menigte:
‘WEG MET DE GROTE MATEN! TERUG NAAR DE KLEINE SCHALEN! FUSIES ZIJN FUSILLADES! 1977: RAMPJAAR’
Dat ‘grote maten’, bedacht ik zo, zou me onmiddellijk al mijn politieke kop kunnen kosten: op de stemmen van de volslanken moest ik dan al niet meer rekenen. Na rijp beraad met mezelf (in de nuchterheid van de volgende duifgrijze ochtend in Vlaanderen – percussie van gestage regen op de dakpannen) kwam ik tot de conclusie dat ik volstrekt ongeschikt was voor de politiek. Alleen: ik verdiende een standbeeld in Ramstede voor het smoren van een goed idee bedacht door een slecht karakter. Of was het omgekeerd?
Wie kreeg een standbeeld? De zichtbaren, de daders, de geschiedenisschrijvers. Zij die het gereutel en gekreun en gedonder en gebulder veroorzaakten, kortom: de menselijke historie. Wie zaken belette (is voorkomen immers niet beter dan genezen?), kreeg geen gedenksteen. Hij/zij bleef zelfs met name meestal onbekend.
Schr. dezes kon dus fluiten naar een beeld naar zijn gelijkenis in de buik van Ramstede. Tenzij ik alsnog een roman afleverde die zelfs de medioten zouden hebben gelezen.
‘Meneer Moeneclaes, op pagina 356 schrijft u … ‘
‘Zegt u maar bladzijde hoor.’
Inmiddels waren we aan de ‘derde generatie’ epo beland, genaamd ‘cera’. Andermaal werd de Tour ontsierd door dopinggebruik; grote muil Ricardo Ricco vloog met zijn hele ploeg naar huis. Hem wachtte eventueel de bajes. De journalisten verstomden in hun oudtestamentisch en pathetisch geouwehoer omtrent de ‘wielergoden’. Ik schakelde de tv definitief uit, zelfs wat de bergritten betrof, en trok er een dagje op uit in muisgrijs Vlaanderen.
‘Mijn cultuur en natuur bijstellen,’ deelde ik Veerle mee.
‘Dat noemen ze nu eens goede bedoelingen,’ zei ze.
Goede bedoelingen? Een sneer naar mijn uitstapje in Bavelgem van vorige zomer? Ik heb nooit goed geweten of ze daar eigenlijk het fijne wel van wist. Ik was zogezegd op café in elkaar geslagen door een dronken halvegare. Ze was toen de schade komen constateren in het ziekenhuis van Avenaarde.
‘Je neemt toch het vliegtuig naar Japan niet, hé? Je praat zo vaak over Emiko … ‘
‘Vrees niet, blanke geliefde. Deze kwakkelzomerdag kies ik voor Vlaanderen, zijn kusten en het hinterland. En ik zit met een optreden, zoals je weet.’
Op mijn programma die namiddag stond een poëzievoordracht met enkele collega-dichters in het landelijke kerkje van het dorpje Pulpen, gevolgd door een gezond valavondbezoek aan het duinenreservaat in Lapanne. Zelf was ik ook een dichtend mens; soms vergat men me niet en zette men me als deelnemer op zo’n affiche. Mocht ik de voorbije decennia meer hielen gelikt hebben en vaker de juiste cafés in Antwerpen en Amsterdam opgezocht hebben, dan zou ik veel frequenter op dergelijke affiches geprijkt hebben.
De voordrachtenreeks, door de organisatoren vreemd genoeg ‘prelude’ genoemd (prelude waarop?), verliep zoals voorspeld kon worden: veel tijdverlies door lullige gelegenheidsspeeches, een compleet verkeerd gekozen ‘special act’ bestaande uit het geraaskal van een radio-BV die vooral aan namedropping deed om te bewijzen dat hij echt wel in het bekende rijtje van Beroerde Vlamingen paste en dan toch af en toe ook een echte dichter op het kerkpodium. Schrijver dezes veranderde in laatste instantie nog zijn tekstkeuze en koos voor wat luchtiger verzen: de kerk puilde namelijk uit van oude jongeren en jonge ouderen die de arbeidsmarkt reeds verlaten hadden. De dichter Parette bespeelde weer zijn oubollige thema van een goddeloos seigneuriaal VNV-Vlaanderen, goed voorbereid verstrooid tastend naar het juiste leesbrilletje tussen drie andere brillen in twee borstzakjes. Na de witte Oxfamwijn spoedden alle aanwezigen zich tevreden huiswaarts, de wens van een laatste sprekerd inwilligend.
Nimmer vliedt het Vlaamse diet vlugger henen dan na een poëzievoordracht.
Schrijver-dichter dezes richtte de neus van zijn inktzwarte Saab richting duinenreservaat in Lapanne, na het in ontvangst nemen van de beleefd gemompelde complimentjes betreffende zijn gedichten en die ene retorische opmerking (die eigenlijk met de dichter Parette te maken had, vergissing van de interpellant, het klemtoontje klonk wel opvallend vinnig):
‘IS dichten nu wel zo moeilijk?’
Toen ik mijn auto aan de toegang van het duinengebied parkeerde, naderde een kudde donkere wolken als ongewenste zwangerschappen. Ook een prelude? Jawel hoor: nog maar net had ik mijn voeten in mijn stapschoenen gewurmd, of daar brak een wolkbreuk los in de beste Vlaamse traditie. Ik bleef veilig en wel in mijn kooi van Faraday zitten tot het driftig ejaculerende tempeest richting Auchan verdwenen was en reed dan diep ontgoocheld in cultuur en natuur terug naar Veerle.
10-03-11
De Leeuwenkuil (36)
05
Ook de cocaïne van Tom Boonen tastte het hele land aan. Nog maar net had icoon Justine Henin abrupt het net verlaten, of lap: de beste Belgische coureur bleek eindmeetjes te snuiven. Aan een andere, broeierige kant van de wereld werd na meer dan zes jaar gijzeling in de Colombiaanse jungle de politica Ingrid Betancourt Pulecio bevrijd. Ze wou meteen in levenden lijve president Sarkozy bedanken – lucky for him, want enkele dagen daarvoor had bij een demonstratie in een Franse kazerne een beroepsmilitair met scherp geschoten op de toeschouwers en o.a. kinderen met kogels doorzeefd. Een doordenker zou verbanden kunnen gaan vermoeden.
De Streekbazuin en de copywriting konden schrijver dezes maar matig blijven boeien. Ik zocht verse uitdagingen. Was er een gat in de markt? Was die markt zwart aan het worden? Waren er achillespezen? Weke delen? Nieuwe verzuchtingen, oude oprispingen? Ik tobde ontspannen, bij voorkeur in mijn binnenverblijf in de Carlos Alleenestraat in Veinze. Ik sloeg zelfs een interview voor het prachtblad KARAAT af, over mijn collectie verkeerde lieveheren. Veerle had weinig last van me. De tweeling belde ook vooral haar op. Ik had immers nog niet de halfsymbolische leeftijd van 55 bereikt. Ons kleinkind was reeds enkele centimeters groot. Ik kon al aan een leuke geboortetekst beginnen denken. Moeder Vandoorne / Moeneclaes in BRAAF! in het stille Eeklo gedijde in haar splendid isolation. We lieten haar zoveel mogelijk met rust: gekke oude mensen hebben structuur nodig.
Valt door het raam turen als intellectuele arbeid te bestempelen?
Het was een maandag. Gisteren had Rafa Nadal na een zesurenmatch-met-regenpauzes in Wimbledon Roger Federer verslagen. Het woei hevig. Flarden wind droegen het klaaglijke gebalk van een ezel aan. De lucht bestond uit slordig gestapelde grijze bloemkolen. Het was in zulke weersomstandigheden dat het plotseling begon te dagen in mijn hoofd. Slecht weer had altijd al een verkwikkende invloed op mij uitgeoefend. Daardoor werd ik soms schr. dezes.
Marktkaffaat De Eenhoorn in Ramstede leek me aangewezen, meer dan mijn stamkroeg De Woede der Noormannen. Ik kon in verband met geloofwaardigheid geen politieke plannen smeden in een biotoop waar het joligheidsgehalte hoog lag. Er diende ernst te heersen. Notarismededelingen konden die bijvoorbeeld benadrukken. Daarenboven was bij De Eenhoorn een mooigeweeste waardin inbegrepen.
Ik had in de loop der decennia geconstateerd dat de mensen er hier sedert 1977 niet gelukkiger of welvarender op geworden waren. Periodes van opflakkering deden zich maar heel sporadisch voor. Het was alsof met de fusies tussen de gemeenten in 1977 een haalbare wereld afgesloten werd. Wat volgde, betrof alleen nog maar neo-, post-, postpost- en retrogekakel. Hoe meer ook het landje België staatkundig en politiek zelf verbrokkelde en verkavelde, hoe meer zijn ‘leiders’ overal te lande en ter stede fusies predikten en eisten: gemeenten, scholen, verenigingen … Zelfs politieke partijen gingen in elkaar op, met idiote namen en afko’s als gevolg. Fusioneren? Zeg maar: fusilleren. De grotere broers slokten gewoon de kleinere op. De stuurlui van het land, zelf versnipperd en verscheurd, wensten aldus een overzicht te behouden. Ook Ramstede werd in 1977 opgeslokt, samen met nog een zestal andere gemeentes plus het kadastraal interessantste stuk van een nabijgelegen stadje. Dat gebeurde door Klokrijk, dat zichzelf graag het Vlas Vegas of het Texas van Vlaanderen liet noemen. Wat er in de 21e eeuw vooral overeind was gebleven, waren de talloze kerktorens.
Schrijver dezes speelde dankzij slecht weer met de gedachte aan een DP: een DefusioneringsPartij. (De aaneengeklitte spelwijze volgt een hedendaagse trend: deSingel, DeRedactie, deBuren, VlaamsProgressieven, HetPaleis, ze zijn godverongelukt alle zo benauwend origineel!)
Ik verliet mijn binnenverblijf in Veinze en reed in mijn inktzwarte Saab spoorslags naar De Eenhoorn in Ramstede. Het geluk was aan mijn zijde: het regende alweer naarstig, zoals het dat in juli hoort te doen. Waardin Frieda voorspelde bij het binnenkomen zelf vragend:
‘Stella?’
Ik knikte niet ontkennend en ging aan een raam zitten, achter het traliewerk van vrouwentongen.
‘Hopelijk valt er hier niemand uit de lucht,’ mompelde ik. Vooraleer ik aan het diepdenken sloeg, onderhield ik Frieda nog even over die doodsmak in Dixmuude.
‘Een luchtmisdrijf,’ zei ze. ‘Het parket houdt rekening met een misdrijf. ’t Zal wel uitdraaien zoals met die vrouw ginder in Limburg of zo, of waar was het? Die liet haar liefdesrivale ook ongeopend doodsmakken. Ik bedoel: haar parachute … ‘
‘Iemand uit een luchtballon kiepen ware ook … ‘ opperde ik.
‘Ben je iemand beu misschien?’ interpelleerde ze.
‘Zou jij durven springen, Frieda?’
‘Niet met zo’n weer, Jaak. Je hebt het toch niet op mij gemunt?’
‘Nog niet.’
De vergane schoonheid tuurde even steels naar het duifgrijze zwerk boven de Ramsteedse markt en ging zich weer achter de tapkranen verschansen. Mijn denken kon een aanvang nemen.
Een DefusioneringsPartij dus. DP. De RDP: de Ramstede-DefusioneringsPartij. Klonk goed. Elke gemeente kon aldus haar eigen letterwoord vormen.
Ik parkeerde voor en tegen op twee bierviltjes, terwijl op een ver tv-scherm tourrenners met windjakjes om op pletsende banden een colletje opfietsten. Mijn Stella stond symmetrisch tussen de beide partijen in.
TEGEN
- Populisme à la LDD (Lijst Dedecker) en VB (Vlaams Belang)
- Eenthemapartij
- Jongeren: 1977?? Fusies??
- Terug naar goeie ouwe tijd: mottenballen
VOOR
- Oorspronkelijk. Niet afgescheurd.
- Uit ene thema volgen andere (sociaal, economisch)
- Veel aanhang onder ouderen
- … die het meest centen hebben
- … en met z’n velen zijn
(cf. babyboom, bevolkingspiramide)
Twee Stella’s later had ik al vijf bierviltjes volgekrabbeld. Bij het aanrukken van een laatste glas had Frieda even nieuwsgierig naar mijn schrijverij genegen.
‘Japans, Jaak?’
‘Maar nee!’
‘Je schrijft wel lelijk. Het zijn precies van die hiëro … eh … van die hanenpoten.’
‘Ik richt een nieuwe partij op.’
‘’Ah, o.’
‘Ik zal binnenkort je vergaderzaaltje hier nodig hebben.’
‘Op donderdagavonden vergaderen de kaarters van de mannenkookclub hier hé. Lieven, Bert, eh … Patrick … Claus … ’
‘O, moeten die dan niet koken? Het zal een maandagavond zijn, Frieda. Dat zijn de perfecte avonden om de geschiedenis een zwik te geven. Wist je dat de meeste staatsgrepen ‘s ochtends gebeuren? Iedereen slaapt dan nog.’
‘Schrijverspraat zeker?’
‘Wacht maar.’
‘Jaja.’
13-02-11
De Leeuwenkuil (35)
04
‘Is dat keizerlijk meisje weer in ’t land? Ik heb nu schitterend wagyurundvlees op de kaart staan.’
Chef Pierre van de Botchka in Avenaarde overdonderde me met een onverwachte vraag annex mededeling. Anderhalve seconde dacht ik over deze combinatie na, mezelf spiegelend in zijn glimmende kin.
‘Nee chef, jammer genoeg niet. ’t Is alweer een jaar geleden hé. Eh … wagyu? Heb ik onlangs iets over gelezen. Japanse archipel? Aardgebeven vlees?’
‘Via een Nederlandse fokkerij. Zwarte Japanse beesten, opgevoed met klassieke muziek en massage en gevoed met bier. Peperduur, maar de zevende hemel. Ik dacht zo … ‘
‘Het is attent dat je aan mij denkt, maar Emiko zit helaas in het niet zo Nabije Oosten. En ze is familie van de Japanse premier.’
‘Kom je zelf niet eens proeven, Jaak Moeneclaes? Je boert toch goed heden ten dage?’
‘Ook bij nachte, Pierre. Boeren is onbeleefd, Pierre.’
‘Er zal klassieke muziek zijn.’
‘Masseer je me dan ook?’
‘Haha. En? Kom je eens af met de vrouw?’
‘Veerle eet vooral vis.’
‘Mijn vissen en kreeften luisteren hier in de Botchka ook constant naar Beethoven, Rachmaninov en Moessorgski. En ik serveer ook sushi en sushimi. En zeevruchten, begot.’
‘Ik zal er grondig over nadenken, Pierre.’
‘Doe de groeten van de chef aan de hofdame.’
‘Zal ik zeker doen. We mailen elkaar elke week.’
‘Zolang het maar geen muilen is, haha. Of dat het zaagmeel wordt, haha.’
Nog net op tijd kon ik de communicatie afsluiten, want ik hoorde Pierre zijn keel al schrapen, preluderend op een van zijn slechte seksmoppen.
Was dat de hedendaagse crisistijd? Ofwel geen vlees, ofwel gastronomisch geprijsd wagyuvlees met een klassieke opleiding op je bord?
Van peperduur vlees sprongen de gedachten van schr. dezes als vanzelf over naar zijn moeder in BRAAF! te Eeklo. De lieve vleesmoeder. Het viel me nu plotseling in dat ze door de verpleegster met mevrouw Vandoorne werd aangesproken. Ze gebruikte dus haar meisjesnaam. Misschien wenste ze de familietitel Moeneclaes niet langer te torsen. Zou ze zich ergeren aan die naam? Er beschaamd over zijn? Betrof het een wraakoefening op haar man, die in de late jaren tachtig van de vorige eeuw na een hartoperatie naar een Himalayastaat verdween om er vooral sherpa’s te beklimmen en ten slotte terug te komen om te sterven? Een afrekening met mijn broer Henk die via het beeldendekunstencircuit in Brussel en Nice al jarenlang in de wapenhandel zat in de zuidelijkste driehoek van zwart-Afrika? Die twee stille trommen had ikzelf allang weggesorteerd. Ik kon ook niet anders dan Moeneclaes, Jaak te heten.
Ik besloot haar bij een volgend bezoek op de hoogte te brengen van mijn eigen hoorimplantaat in mijn rechteroor. Misschien zou deze mededeling haar troost bieden in dove dagen. Een familie-euvel waar we beiden aan leden. Maar ze moest willen luisteren. Het andere recente nieuws zou ik haar voorlopig onthouden: dochter A. vertrok voor enkele weken naar een vriendin in Malawi en dochter B. zou Veerle en schr. dezes omstreeks de jaarwende voor de eerste keer grootouders maken. Toch maar een feestje bouwen met wagyu op het bord? In het kader van (het vreselijke modewoord) diversiteit?
Helaas stak de economie diverse stokjes voor diverse initiatieven. Benzineprijzen swingden de pan uit, voedsel werd peperduur, reizen werden nog duurder en voormalige Oostbloklanden gingen daarbovenop hoge snelwegentol heffen. Met enkele fikse beursklappen werd het goedleefse landje België teruggemept naar de jaren dertig. Het brokkelde ook zienderogen uit elkaar, want de Vlaamse leeuwtjes stonden pal tegenover de Waalse windhaantjes. Ze keken elkaar in het wit van de ogen en gaven geen krimp toe. Waarover, dat wist niemand echt goed. De afko B-H-V (Brussel-Halle-Vilvoorde) was veel bekender dan zijn inhoud. Ondertussen ging premier Leterme onverdroten door met gratis vis proeven, gratis melk uit brikken slurpen en nog veel andere gastro-gastritische daden in de marge van betogingen en stakingen. Hij deed dat glimlachend, om de bevolking niet te verontrusten. Wie goed toekeek, ontwaarde echter de grimlach om het mombakkes van de man van 800 000 voorkeurstemmen.
Er was een nieuw sprookje aan het ontstaan: Het voedsel van de keizer. De kleren hadden al langer de man gemaakt. Hij droeg grijzemuizenkleuren. Je bent wat je eet. Je bent ook wat je weet. Als dat zo is, dan was iedereen arm.
15-01-11
De Leeuwenkuil (34)
03
In kamer 127 van rusthuis BRAAF! in Eeklo las ik over de uit de lucht gevallen gebochelde. Hij was even nationaal nieuws geworden. Het Barny-Buckramverhaal haalde zelfs enkele voorpagina’s.
‘Moeder, ik zal je maar niks voorlezen zeker?’
‘Ik hoor je wel.’
Ik gaf de krant een mep op het hoofdartikel: ‘Ik was erbij. Ik zat er vlak naast.’
‘Lees maar voor. Ik ben een en al oor. Maar mijn ogen verzwakken.’
Ik wierp even een woedende blik op haar linkeroor, half verborgen onder een paarse haarkrul. Op het kastje naast haar bed zag ik een gigantische bril werkeloos liggen zijn. Toen begon ik voor te lezen uit de saga over vechtende boekhouders in een springvliegtuig, hun conflictueuze culturele hoogstandje betreff. de auteur van een boek en de val van een dezer Icarusjes. Modder luisterde scherp toe. Dat voelde ik, dat constateerde ik, af en toe even zijkijkend.
‘Kamikaze,’ zei ze, toen het voorleesverhaaltje was afgelopen. Ze mikte die bril op haar neusbrug. En ik werd godgenageld door haar woordkeuze gelijk weer naar Japan gekatapulteerd.
Met sommige bejaarden mag je best hard zijn. Dat wordt in damesbladen geschreven. Dus koos ik terstond voor een lik-op-stukbeleid:
‘Ja modder, dat betrof een aanslag op mijn leven. Emiko Takamori uit Sendai(-shi), die ik in dit leven wellicht nooit meer terug zal zien, zat in Japan een vlinder achterna. Daardoor fladderde het beestje pardoes eerst door een rood licht en daarna tegen een raam. Dat veroorzaakte een onweer boven Dixmuude, waardoor de gemoederen in dat Belgische vliegtuig opgehitst werden. Elektriciteit, weet je wel, spanning. Nou: overspannen elan. Toen werd inderdaad die kamikazekerel eruit gebonjourd. Die kukelde vlak naast mij neer, maar eigenlijk was hij bedoeld als projectiel voor mijn eigen vege lijf. Een vleselijke mensbom dus. Men wou me vermoorden. Je weet toch dat een vlinder in Tokio eens een aardbeving in San Francisko veroorzaakte? Het jaartal ontsnapt me nu.’
De vrouwelijke verwekker van schr. dezes gaf geen krimp. Ikzelf, daarentegen, schrok me even een bult. Er stevende een blauw-wit-zwarte verpleegster de kamer binnen die zo uit Japan kon komen.
‘Tijd voor het ganzenspelbad, mevrouw Vandoorne,’ deelde ze mee. ‘Doe je weer mee deze week?’
‘Ganzenspelbad?’ vroeg ik aan de niet-Japanse.
‘Ja,’ zei ze.
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen? Waar is moeder bij betrokken?’
‘Waterkuur,’ antwoordde moeder herself, ‘we staan zoals de Hongaren in het water terwijl we ganzenspel spelen op dobberende borden. In Hongarije schaken of dammen ze zo. De kampioenen komen van ginder. Veel water, veel baden.’
‘Aha,’ deed ik. ‘Dat is goed.’
En om de verpleegster wat op te monteren, stelde ik aan moeder de volgende vraag:
‘Moeder, ken jij de twee bekendste badplaatsen ter wereld?’
‘Eh … Palm met nog iets erachter?’ antwoordde de verpleegster in haar plaats. Ze waren al gearmd de kamer aan het verlaten, op naar de ganzenspelbadwaterkuip.
‘Nee: de douchecel van Hitchcock en de Parijse hotelbadkamer waar Jim Morisson dood in lag.’
Ik kon niet meer controleren wie van de twee een schamper lachje voortbracht, want ze waren kamer 127 al uit.
Terug thuis informeerde mijn vrouw Veerle naar de conditie van haar schoonmoeder.
‘Ze is nu tot de Wederdopers toegetreden,’ zei ik. ‘En ze is bang voor Japanse vliegende bommen.’
19-12-10
De Leeuwenkuil (33)
02
Gesperde ogen alom. Een flits van een eeuwigheid later kwam alles in beweging. Iedereen brulde vooral getallen door elkaar. Getallen figureren wel vaker aan het einde van een mensenleven. Kerel en ik tuurden na de fase van ontzetting naar het loodgrijze zwerk. Vanwaar kwam die … Het was een man. In gevlekte camouflageplunje. Bult op de rug.
‘Het is een man!’ riep de baas van De Boterhalle.
Zou een vrouw nog meer ontsteltenis veroorzaakt hebben?
‘Iemand moet ze bellen!’
‘Men is wat men eet. Die eet niet meer. Die is dus dood,’ deelde Kerel Desmet me plotseling mee.
‘Wat?’ vroeg ik, half verbijsterd, half woedend.
‘Die eet niet meer. Hij is dus niet meer.’
Meliger mop zo kort na een schielijk sterfgeval had ik nog nimmer gehoord. Ik keek Kerel Desmet dan ook bijzonder vuil aan.
‘Vanwaar komt toch … ‘ begon ik, maar blauw gezwiep voorafgegaan door hartverscheurend geloei onderbraken mijn communicatie. Dixmuude was niet groot. We deinsden uiteen. Ondertussen sausde lauwe onweersregen over alles en iedereen neer. Beekjes bleekrood bloed dooraderden het trottoir. Af en toe herinnerden donderslagen en bliksemserpentines ons aan het bestaan van goden. We werden in een oogwenk badnat.
‘Val nu dood … ‘ mompelde de Boterhalle-baas.
Ik keek hem scherp aan, om ook hem te controleren op morbide humor, maar hij gaf geen krimp.
‘Parachute,’ constateerde een van de witjassen. ‘Zijn parachute is niet open gegaan.’
‘Hoezo parachute? Er is hier toch geen oorlog?’ opperde een omstander. ‘Hoe zit dat met het Belgisch luchtruim? Mogen bijvoorbeeld Amerikaanse bombers hier overvliegen op weg naar Irak?’
‘Opzij iedereen! Weg! Er is hier … ‘
‘ … niets te zien,’ vulde een andere toeschouwer aan, terwijl een grimlach over zijn tanden droop. ‘Gezien op tv.’
‘Ge ziet toch aan dat pak op zijn rug dat … ‘ zei Kerel.
‘Dat ik het niet weten zou. Zit daar een parachute in?’ vroeg ik.
‘Misschien bombarderen boze Amerikanen het nukkige België met opstandig kanonnenvlees, soldaten die niet meewerken, om ons een lesje te leren,’ zei de bomber-omstander nu. ‘Er hebben verdomme 37 000 buitenlandse idioten getekend voor het Amerikaanse leger om toch maar een green card te bemachtigen.’
Weer tuurde ik even naar de grijze luchten. Iedereen bleef ook vol afgrijzen naar het deerlijk verminkte lijf staren. Op de rampgezichten kon je de plaatsvervangende pijn van het neer-
smakken aflezen: een vleselijke splinterbom van zwaartekracht die een menselijk corpus tot in de uiterste geledingen totaal verhakkelde en verbrijzelde.
Toen drapeerden de hulpverleners er een tent overheen.
‘There is nothing to see here,’ zei Kerel. Hij haalde zijn schouders op. De patron van De Boterhalle keek naar boven, naar de drie verdiepingen boven zijn café, bewoond door klootjesvolk dat slecht betaalde en vlot verhuisde.
‘Is-ie uit een van die ramen gebonjourd misschien?’ vroeg hij zich hardop af. ‘Het behoort tot de mogelijkheden. Ik heb geen vliegtuig gehoord. HEEFT ER IEMAND EEN VLIEGTUIG GEHOORD?’
De omstanders schudden amper van nee en blikten naar de cafébaas alsof hij de domste vraag ter wereld had gesteld.
‘Schijt op hun kop en ze vragen om een hoed voor erop,’ mompelde hij opgelaten.
‘Ik niet,’ antwoordde Kerel dan.
‘Toch zullen ze dat moeten onderzoeken,’ bromde de man.
De politie drapeerde nu de crimescenelinten omheen de plaats des onheils.
‘Ik was net naar de radio aan het luisteren. Mogen we nu weer naar binnen? Ik ben al drijfnat.’
‘Iedereen hé. Woont u hier?’
‘Ik baat het uit.’
‘En ik ben cliënt.’
‘Ik ook.’
‘Wij ook.’
‘Ga maar naar binnen. Iemand iets gezien? Gehoord?’
‘Wel, een doffe bons, voorafgegaan door iets dat snel naar beneden kukelde, meer niet.’
‘Allez dan, we komen subiet nog binnen voor wat vragen,’ deelde een meisje mee. Er prijkte PSYCH op haar rug, in groen fluorescerende letters.
‘Oké.’
‘Komt dat tegen,’ zei de patron tegen iedereen, weer binnen. We knikten gezamenlijk. Die rotklap had een band gesmeed onder de Boterhalle-klanten van vandaag. Er heerste zowel stilte als lawaai.
‘En nu zullen er de eerste uren hier geen klanten binnen mogen zeker?’
‘En mogen wij nog wel weg?’
‘Zou die vent werkelijk uit een vliegtuig gevallen zijn?’
‘Voor iedereen een glas op mijn kosten, voor de morele schade!’ riep de patron. Simultaan wapperde hij met zijn rechterhandje een opdoemend vrouwspersoon terug naar de achtervertrekken.
‘Zij moet dat niet zien. Zij kan daar niet tegen.’
‘Merci Jeroom.’
‘Merci.’
‘We gaan dat niet afslaan.’
Kerel en ik gebaarden om een tweede Duvel.
‘Waarom zou een Amerikaanse soldaat hier springen?’ opperde Kerel.
‘Boven dit apenlandje … ‘ steunde ik hem in een opwelling. Ik vertoonde plotse bereidheid om even mee te denken over dit onfeit.
‘Ze mogen misschien zelfs niet eens overvliegen. De laatste tijd is Dierbaar België overal tegen.’
‘Hoe kleiner men is, hoe harder men probeert om zich te profileren hé.’
‘Wie zegt dat het een soldaat is? Een Amerikaan? Je ziet wel vaker van die minkukels rondlopen in camouflagekleren van de Stock Americain.’
‘Ja: rondlopen, maar niet neerploffen. Allez: santé. Op die zeer dooie dode daarbuiten.’
‘Hij zal toch niet uit een luchtballon gedonderd zijn?’
‘Met dat weer?’
‘Een stomme stunt … een dwaze weddenschap … een afrekening … make it look like an accident.’
We hielden ondertussen de drukte in de straat scherp in de gaten, glurend tussen vrouwentongen en hangoorpotten. De deur stond wagenwijd open, maar niemand mocht nog De Boterhalle binnen, merkten we. Of uit.
‘We zijn hier verdomme gegijzeld door een lijk.’
‘Zeg dat wel.’
‘Er zitten er daar toch al binnen!’ hoorden en zagen we een autochtoon met klem protesteren. Hij keek beschuldigend door het raam naar ons, de uitverkorenen.
‘Die zaten daar al van voor het gebeurde,’ repliceerde een agent. ‘Die toestand moet blijven zoals hij voorheen was. In het belang van het onderzoek.’
‘Gezien op tv!’ riep diezelfde olijkerd van daarnet.
‘Maar het regent verdomme oude wijven!’
‘Ge kunt ook ergens anders een pint pakken. Móét gij hier echt zijn, ja?’
Enkele fotoapparaten bliksemden; de inderhaast opgetrokken tent werd vereeuwigd. Een journalist krabbelde wat in zijn opschrijfboekje. Een megadruppel hemelwater marineerde zijn kattebelletje. Gelaten keek ik in het aangelaat van Kerel Desmet. Deze keer zou schr. dezes hem niet ongezien en onverhoeds kunnen verlaten. In het belang van het onderzoek.
26-11-10
De Leeuwenkuil (32)
01
We zeggen en schrijven alweer 8-8-8. Geef aan schr. dezes wat schr. dezes toekomt: aandacht. Zijn Vlaams romanesk narratief journaal zal er wel bij varen.
Het zag er al net zo fraai uit als een jaar geleden. Het begrip België rammelde als een spaarpot slechte centen met oude munteenheid. De scheidslijn tussen de Romaanse en Germaanse landsgedeelten begon meer en meer op een ongeneeslijk litteken te gelijken, zoals na een beet van een krokodil of een haai.
De heer Leterme uit Yperen probeerde het land te leiden, even onderbroken voor een noodstop in het Academisch Ziekenhuis te Leuven. Zijn CD&V was in het Belgische binnenland aan een ethisch reveil bezig. Hijzelf nam soms ijlings de trein naar belendende buitenlanden: Sarkozy, Merkel. Het leek telkens op een vlucht, vroegtijdig afgebroken alweer door dringende B(russel)H(alle)V(ilvoorde)-sms’sjes vanuit Broekzele-Brussel-Bruxelles. De prille internationale carrière van de premier verliep voorwaar met horten en stoten. In het aanpalende La Douce kreeg ook Sarkozy het hard te verduren. Het onderdeurtje scoorde geen greintje geloofwaardigheid meer. En het had nochtans zo hard geroepen.
Het was in die leenroerige tijden dat ik, schrijver dezes, op een doodgewone dinsdag infotising Kerel Desmet andermaal tegen het vege lijf liep. De vorige keer, een jaar geleden ongeveer, had ik hem in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende schielijk verlaten. We lazen in elkaars ogen dat we dat nog niet vergeten waren, maar we repten er met geen woord over. Daarenboven zette ik hem een tijdje later in Auchan een flinke hak. Ook dat bleef onder de mist der tijden bedekt. Boven ons balde zich donkergrijze bewolking samen.
‘Ha, Kerel, de duivel is ermee gemoeid: ik liep net aan je te denken.’
‘Waarom de duivel, Jaak? Mag het ook eens een engel zijn?’
‘Mijn geloof in engelen gaat te diep. Hoe maak je het, Kerel?’
We ontmoetten elkaar in volle crisistijd, op straat dus, onder andere. Chef-koks dicteerden dat vlees op het bord alleen diende ter versiering, begeleiding en ondersteuning van de hoofdmoot: groentes. Omdat dat vlees echter veel te duur was geworden, zelfs met mondjesmaat, bleven de restaurants leeg. En de straten liepen weer vol, zoals dat in tijden van armoede gebruikelijk was.
‘Dat verklap ik je niet, anders maak je het zelf, haha.’
Die Kerel toch.
‘Je ziet er toch ietwat pips uit, vind ik,’ constateerde ik.
‘Aha, woordspelinkje. Hebbes. Het gaat goed met mijn krantje, hoor. Dank je wel.’
‘Je bent altijd al een beetje een Elsschot geweest, hé.’
‘Wie?’
‘O, niks bijzonders. Schampschot.’
‘Dan is het niet erg. Eh … wist je dat ik nu ook in zonneweringen doe?’
‘Ah, nee. Cumul?’
Een bliksemserpentine wapperde door de muisgrijze lucht. Boven Dixmuude klonk dreigend gerommel. Een mooi project, voorwaar. Ik ademde diep in.
‘Zonneweringen?’ herhaalde ik.
Kerel Desmet knikte niet ontkennend.
‘Faye … Hoe is het met je dochter die … Ik herinner me … ‘
‘Ze doet er nog een jaar bij,’ blafte Kerel kort. De toon waarop hij blafte, sprak boekdelen.
Boven ons verzamelde het augustusonweer nu een grote kwak grijs goddelijk snot, een wereldzakdoek vol.
‘We zullen even moeten schuilen. Duvel in De Boterhalle?’
Kerel knikte: ‘Bah ja, waarom niet?’
We doken een Dixmuuds horecahol binnen, waar we ons tegenover elkaar aan een tafeltje zetten.
‘Dixmuude?’ interpelleerde Kerel eerst. Hij was me te vlug af, de paperman.
‘Ja, jij zult hier wel voor Pips zijn hé … Het hinterland van de kust … ‘
‘Makkelijk geraden.’
‘Wel: ik neem een snipperdag. Je hoeft niet bang voor me te zijn: De Streekbazuin rekruteert hier niet. Klokrijk en omgeving is mijn territorium, hé. Geen info’s, advi’s of afko’s, nee, niets. Ramstede ligt ver genoeg, hé.’
‘Snipperdagje? Hier in Dixmuude?’
‘ … waar hun lijken liggen als zaden in ’t zand … jawel. Ik verken vandaag nog de goeie ouwe polders uit mijn jeugd. Zie je: ik woon al enkele decennia in de lelijkste streek van Vlaanderen, ook genoemd: het Texas van Vlaanderen. Het zuiden van deze provincie, weet je wel.’
‘Woon je nog altijd in Ramstede?’
‘Nog, ja. Het is geen straf.’
‘Wist je dat een vis maar drie seconden lang iets kan onthouden?’
Een gezellig zomeronweer barstte los boven de hoofdstad van het IJzertijdperk. Geruis, gedruis, geplens, geknetter, gerommel. Even vielen de gesprekken in De Boterhalle stil.
‘Ik heb een ingreep aan mijn rechteroor achter de rug.’
Ik grimlachte zelf even om de onnozele combinatie oor - rug. Kerel Desmet keek me onderzoekend aan, oostelijk en westelijk. Hij kon echter niets ontwaren, want schr. dezes droeg zijn haren halflang.
‘Heb je misschien te hard geluisterd naar iemand, Jaak Moeneclaes?’ formuleerde Kerel, overbodig plechtstatig mijn naam voluit gebruikend.
‘Neen, Kerel Desmet, dat heb ik niet. Er waren het afgelopen jaar voortdurend knallende onweders, zoals heden. Er is schade.’
De patron zette een idioot-vormgegeven radiootje harder en ging er plotseling met een scherp luisterend rechteroor over hangen. Vragend keken we hem aan, maar hij schudde wezenloos van nee. Een kleine ola van nee-geschud volgde onder enkele toogklanten. Net toen we, zelf nieuwsgierig onze oren spitsend, vernamen dat de Ardense netnimf Justine Henin er definitief de brui aan gaf, plofte op het trottoir voor De Boterhalle een mens uit de lucht neer.
Het was zo’n typische rotsmak: dof, snel, dodelijk, af.
Onmiddellijk na de klap keken Kerel en ik elkaar een halve seconde lang beduusd aan. Daarna holden we naar buiten, de patron en enkele toogklanten in ons kielzog, de meesten na nog een haastslok.
Daar lag een mens aan gruzelementen op het trottoir.
We zagen een grondig gebroken bebloede ledenpop in ijzingwekkende disproporties, die wegens hardheid van het oppervlak de weg naar de navel van de aarde niet had gevonden. Het gezicht dat erbij had gehoord, was onherkenbaar. Armen en benen leken niet meer tot lijf of romp te behoren. Dat lijf zelf leek fel gekrompen.
02-11-10
De Leeuwenkuil (31)
DEEL 2 2008
In het holst van de zomer van 2008, een schrikkeljaar, neemt schr. dezes andermaal de laptop ter hand om te schrijven. Weer is een jaar verstreken. Gedeeltelijke doofheid is een weldaad gebleken: weinigen hebben iets zinnigs te vertellen, het parlement is een kakelend kiekenkot en de televisie puilt uit van de ego’s van charlatans en zelfverklaarde meninghebbers die andermans moppen als onelinertjes tussenin verkopen. Er valt ook iemand uit de lucht. Vele voortekenen wijzen op de defusionering van België.
PROLOOG
De firma Barny Buckram (producent van stijf linnen voor boekbanden) uit Rodevoorde, gesponsord door de VBVB (Vereniging ter Beperking van Voetnoten in Boeken) (1), besloot tot een vierdaagse van ‘team building’ voor zijn personeel. Dat was bon ton; waar twee of meer werknemers in het zweet huns aanschijns samen waren, daar manifesteerde zich de drang om het team hechter te builden in hun midden. Van zondagochtend tot woensdagavond zouden de achttien werknemers van Barny Buckram diverse uitdagingen ondergaan. Arbeiders en bedienden samen, een front. Dat zou dus gaan gebeuren midscheeps zomer, in alle zwoelte. Niemand mocht die week op reis gaan. Aldus geschiedde. Het Buckramteam reisde naar asielcentrum Zon & Zee aan de kust, waar de verplichte kameropdeling al een eerste obstakel vormde. Tweede opdoffer was het rigoureuze interne reglement van het asielcentrum, waar de teambuilders niet omheen konden: strenge verordeningen betreffende avondklok, lawaai, alcohol, … Daaroverheen werd tot tweemaal toe per dag een walgelijk eetmaal voor ze neergepoot: la même chose pour les sans-papiers. Voor de rest deed zich het gebruikelijke gedoe voor: marsachtige wandelingen ondergaan met bagage en onverwachte wendingen, voorbijgangers interviewmatig lastig vallen, matineus zeewater trotseren, collega’s koeioneren met ondermijnende activiteiten, vergezochte opdrachten uitvoeren …
Toen de achttien Buckrammers bijna groggy waren, werden ze bij het krieken van de dinsdagochtend naar Schaffen gevlogen, bijna aan de andere kant van het land. Surprise! Hevig zwetend wurmden ze zich daar in paraplunje, met parachute: er zou duo gesprongen worden voor wie het zag zitten. Het hoefde niet, maar het bracht wel 1 000 punten op voor de durvers. Een tiental professionele springers hesen zich mee het vliegtuig in en probeerden zichzelf aan een partner te praten en te koppelen. Zwanger van achttien schijtlijsters in springverpakking en tien para’s zette dit tuig koers naar het westen, zeewaarts. Er zou boven Coyghem gedropt worden. Zover zou het echter niet komen. Enkelen zagen het zitten; de meerderheid helemaal niet. Instructies werden gegeven; koppels gevormd: een zestal dapperen zouden uiteindelijk toch de duosprong wagen. 1 000 punten. Een hele prestatie, want er dreigde nog onverwacht onweer boven de provincie.
Toen brak onder enkele personeelsleden van Barny Buckram een hoogst eigenaardige discussie uit. Zat de hoogte er voor iets tussen dat plotseling iemand de titel ‘De trap van steen en wolken’ citeerde? De spanning? Angst? Een combinatie van dat alles? Het antwoord dat de betrokken ondervraagden later daarop probeerden te geven, was van geen tel. Belangrijker was het feit, nou: onfeit, dat er onder drie personeelsleden, toevallig van die ‘kantoorvliegen’, zoals ze door de arbeiders werden genoemd, een hevige woordenwisseling uitbrak betreffende de auteur van dat boek, dat een vroeg voorbeeld was van magisch-realisme in de Vlaamse literatuur.
‘Daisne,’ zei de ene.
‘Lampo,’ hield de andere vol.
‘Nee, mis: Ruyslinck,’ blafte de derde.
‘Lampo! Maar jà: Lam …’
‘Ruysl … !’
‘Daisne!! Allez zeg, … !’
‘Nee, zé-ker we-ten: Lam … ‘
De discussie escaleerde en draaide uit op een aanvankelijk plagerig, daarna uitdagend, vervolgens ernstig handgemeen. Ondertussen was ook al het springluik opengemaakt. Terwijl de koppels de allerlaatste voorbereidingen troffen om te springen, was dat handgemeen slaande ruzie geworden. Zat de drukkende hitte hier voor iets tussen? Het onverwachte onweer? ‘De trap van steen en wolken’ was de druppel die de emmer deed overlopen. Oude firmavetes laaiden ‘hoog’ op; onverteerd geprik en gedoe van jaren her vertaalden zich in slecht geplaatste vuistslagen en puberachtig getrek en gesjouw aan kleren. Op een bepaald ogenblik, ter hoogte van Dixmuude, rolden twee vechtende boekhouders over de vloer. Ongelooflijk, maar waar: plotseling rolde er eentje gewoon door … tot ieders ontzetting … floep … over de richel … door het geopende luik.
‘MAAR DIE ZOU NIET SPRINGEN!!’ brulde de adjudant-chef.
(1) VBVB, De Vereniging ter Beperking van Voetnoten in Boeken, bestaande uit de studentenlichting 2000-2001 Germaanse Filologie RUG & KUL en de Bibliotheek voor Documentatie en Auteurs Tilburg (BDAT), slaagde erin een wetsvoorstel door te drukken waarin gestipuleerd wordt dat maximum 2,6 % per bedrukte bladspiegel door voetnoten mag worden ingenomen, d.w.z. 2,6 % van de effectieve tekst. Dit betreft zowel non-fictie als fictie als puur wetenschappelijke studies. Ook jeugdboeken vallen hieronder. Bij overtredingen kan de lezersvereniging HALT (Hulp Aan Lezers & LezerTjes) bestraffend ingrijpen.
22-10-10
Appendix
Appendix
Schr. dezes werd wakker in een stuurloos land. De gebroeders Eric en Herman Van Rompuy (CD&V) organiseerden grijnzend een gratis barbecue voor tandelozen en beweerden dat alles wel weer goed zou komen in deze leeuwenkuil. De Waalse kemphane Joëlle Milquet (cdH) joeg Yves Leterme, inmiddels voor de tweede keer formateur, de gordijnen in en verbood hem nog interviews te geven. De man van 800 000 stemmen groef zich in om een nieuwe stellingenoorlog voor te bereiden. De Vlaams Belangers zaten meesmuilend op de verbrokkeling van België toe te kijken. De aandacht werd dan weer van de partijpolitiek afgewend door de processen tegen de racistische moordenaar H. Van Themsche en de fraudeurs Lernout & Hauspie. In Myanmar regende het op oranjerode monniken. Het regende er pijpenstelen, stokslagen en kogels. Er was beweging van troep in alle straten. Ik wreef mijn ogen uit en rilde de zomer uit mijn lijf. België was een B-film aan het worden.
Na restauratie van geest en lichaam (ik werd gedeeltelijk mijn rechteroor afgezet en kreeg nu zelf op mijn beurt een implantaat) begaf ik me via een matineus bezoek aan kamer 127 van BRAAF! in Eeklo naar mijn binnenverblijf in de Carlos Alleenestraat in Veinze. Daar sloot schr. dezes zich een hele dag op om met zijn peperdure Crossvulpen op hemelsblauw luchtpostpapier een lange brief aan Emiko Takamori te schrijven.
Lost in translation.
Als een leeuw in een kooi.
(wordt vervolgd, deel 2, 2008)
26-09-10
De Leeuwenkuil (30)
30
Schr. slurpte anders nooit. Als zich dat bij tafelgenoten voordeed, nam ik daar zelf vreselijk aanstoot aan. Niet dat ik vaak disgenoten had. Dat gebeurde alleen bij jaarlijks weerkerende etentjes met collega’s van De Streekbazuin.
Ik slurpte onopzettelijk, maar het was duidelijk waar te nemen. Het klotste in vijf oren tegelijk. Vader en dochter (Blééf die daar zitten? Kréég ze die twintig euro nu, ja of nee?) keken verstoord op en om. Daarop pootte ik mijn glas te hard neer, alweer onopzettelijk. Een kwakje Duvel walste uit het glas en pletste op het tafeltje, vlak naast mijn fototoestel en het kerkhofje van de verpulverde bierviltjes. De man achter de toog sloeg nijdig een keukenhanddoek over zijn linkerschouder, zichzelf hard meppend als een flagellant. De dochter speelde afkeurende verbazing. Een samenzwering.
Ik observeerde het plasje bier. De branding in mijn rechteroor ruiste nu weer oorverdovend, maar het kraagje schuim op tafel loste snel op. Tussen ons drieën ontstond nu een gevarenzone. De man greep opstandig naar een krant en vouwde die driftig en met veel vertoon en lawaai open. Extra hard tikte hij die in de gewenste stand, waarna hij zijn hoofd erachter verborg. Zijn vouwkunst getuigde van ervaring. Mijn linkeroor ving boze klanken op, eerder gemurmel. Ik merkte ook vanuit mijn ooghoek dat het meisje daarop grinnikend reageerde. Toen ik scherper toekeek en met mijn ogen de elf meter afstand overbrugde, zag ik dat het De Streekbazuin was. Weer greep ik naar mijn rechteroor.
Ik hield het tafereel verder nauwgezet in de gaten. Onder het lezen toverde de thuiswerkende vader vanuit het niets achter zijn krant een flapje van twintig euro. De dochter plukte het van tussen zijn vingers en deponeerde het eerbiedig voor haar op de toog. Vlak daarna pikte ze het flapje weer op en begon er een minuscuul scheepje mee te vouwen. Ondertussen veroorzaakten het gekreuk en geritsel van De Streekbazuin een oorverdovend lawaai in mijn gepijnigde rechteroor.
Gewapper, geflap, geritsel, gekreuk, gedeuk …
‘Bazuin, bazooka, bazaar, bzz … bzz … de boeman.‘
Een krant als een vlag. Japanse vlag. Afgevlagde dag. Zand, zand, vertraging door zand, landerigheid. Wapperen, vouwen, kreuken, strijken, plooien, oren, EZELSOREN!
Origami, tsunami …
Geruis, gesuis, gefluit, gedreun …
Origami, tsunami …
Ik pakte mijn glas vast bij de bol, kneedde dat bijna kapot, stond op en naderde de toog, waar zowel de man als het meisje met de beide borsten in papier verzonken waren: krant, euro. De zee in mijn oor klotste – met een pijnlijke grimas en mijn hoofd schuin plantte ik mezelf en mijn glas onzacht neer. Ze keken beiden op en stopten met vouwen en kreuken en ritselen en wapperen en flappen.
Ik monsterde het bootje dat het meisje uit het euroflapje had gevouwen. De man vouwde nu zijn krant weer samen en mikte die op een belendende barkruk.
‘Meneer?’
‘Nog ’s vullen, graag.’
‘Mm,’ deed de man afkeurend.
‘Mag in ’t zelfde glas,’ hoorde ik mezelf aan één kant zeggen. In mijn andere oor: glasscherven, gekraak, gesplinter, Atlantikwall, tsunami.
‘Nooit zoiets in ’t zelfde glas,’ zei de man beslist, terwijl hij een derde flesje onthoofdde.
‘Toch wel,’ knikte ik al net zo beslist, ‘kijk maar!’
Ik ging over de toog leunen, griste de fles uit ’s mans handen en deponeerde die pardoes ondersteboven in mijn glas.
‘Maar allez … ! ‘
‘Zo moet dat!’
Kolkend en schuimend liep het glas over. Een zee van bier en schuim verspreidde zich over de toog en bereikte het eurobootje, dat even opgetild werd.
‘Zie je wel … !’
‘Godver!’ deed ik, ik greep naar mijn rechteroor, mijn hele hersenpan ging nu aan het schuimen, het meisje greep ijlings naar haar gekapseisde bootje, de man pakte woedend zijn Streekbazuin en mepte me twee keer zo hard mogelijk om de oren, dat was er te veel aan, er kraakte iets in mijn kop, alles begaf het, een dijkbreuk, ik zwierde als een dronken harlekijn enkele ledematen in het rond, raakte daarbij de sappigheid van enkele borsten, ‘Dedju!!’ deed de patron nu witheet van woede, ‘Moet het hier al kapot ja !?!?’, ik stootte het glas omver, de hele kwak pletste nu uitbundig over de krant, het meisje hupte verschrikt van haar kruk en kukelde struikelend op de grond, een fractie daarna stond de pa naast mij, ‘Kloothommel! Godverse kloothommel!!’ brulde hij in mijn oor, het bazuinde honderdvoudig in mij rond, een regen van vuistslagen daalde over mij neer, in mijn hoofd ontplofte een spetterende herfstzon, toen viel de ruis stil.
Knap.
Iets in het hoofd van schr. dezes werd voorgoed opgevouwen.
29-08-10
De Leeuwenkuil (29)
29
Amper had ik mijn derde bierviltje verpulverd, of de tweede verrassing van die dag (de domme constatering van die scholierenherfstvakantie zijnde een verrassing in de orde van ‘opdoffer’) diende zich aan: uit het niets van een soort souterrainverdieping (er gaapte een groot gat links bezijden de toog, waar een trap vanuit de diepten op uitmondde) doemde de jonge rondborstige op die de laatste weken zo uitdrukkelijk aanwezig was geweest in het museum onder de schedelpan van schr. dezes.
Ik hapte naar adem en greep naar mijn glas. De cafébaas kwam grommend overeind van zijn tapkranen en ontvouwde zich in volle gedaante.
‘Origami,’ flitste het door mijn hoofd. Herkende ze me? Ook ik rees nu als een feniks even op. Het meisje verdeelde haar blikken een fractie nieuwsgierig en voor de rest ongeïnteresseerd tussen ons tweeën. Toen zei ze, haar kontje op een toogkruk mikkend: ‘Kun je twintig euro missen, pa?’
Pa!?
Dat had mijn linkeroor wel degelijk goed bereikt.
Pa-met-de-pet!
Verse woede borrelde in mij op. Meisjes hadden vaders. Verwekkers. Prachtige meisjes hadden afschuwelijke vaders. Zelfs bij het verwekken van nageslacht op vrijdagavond hielden die hun petten op hun koppen.
‘Voor wat nu weer? Denk je dat ze op mijn rug groeien?’ (Steelse blik naar mij).
‘Maar … ‘
‘Je hebt toch nog … ‘
De man stokte midden in zijn zin en keek verbaasd naar zijn enige klant. Ik salueerde hem namelijk uitdrukkelijk toe van achter mijn verre tafeltje. Ook zijn dochter draaide zich nu nieuwsgierig om. Ik groette met zijn linkerhand tegen mijn slaap en bedekte met mijn rechterhand mijn rechteroor. Met gefronste wenkbrauwen wrikte dochter zich weer richting vader. Die haalde zijn schouders op.
‘Waarom doe je dat?’ vroeg hij dan, zo neutraal mogelijk. De klant was koning.
‘Wat?’
De patron imiteerde me: ‘Ewel: zo.’
‘Om u te groeten, meneer. Ik groet iedereen die iets op zijn hoofd draagt: hoed, kepie, pet.’
‘Is dat zo,’ constateerde de patron, dreigender.
‘Dat is zo,’ knikte ik, me ontsaluerend, maar verder hevig met mijn rechterhand mijn razende rechteroorschelp knedend. Ik vouwde die zowat in vieren op in een poging om dat vreselijke geruis (dat nu gesuis, gedreun was geworden) te vierendelen, wat niet lukte.
‘Is er iets met je oor misschien?’
‘Eh?’
‘Of je niet goed hoort misschien!’ articuleerde de man uitdrukkelijker, nijdiger.
‘Jij was in dat museum!’ riep de tweeborstendochter plotseling halfluid, zich gelijk weer een halve slag draaiend. Het klonk beschuldigend.
Er viel een korte stilte, waarna dochter en vader op fluistertoon een kort gesprek voerden.
‘Ah?’ deed de man dan. Vragend keek hij naar mij. Het meisje had zich inmiddels ook weer helemaal naar mij gedraaid.
‘Nee … nee … ,‘ deed ik langzaam, bedachtzaam. ‘Nee … nee … ‘.
Ik liet mijn oor weer los. Even kon ik die roodgloeiende branding de baas, gezien de ernst van de opmerking. Je kunt maar op één plaats tegelijk pijn hebben. De haan kon driemaal kraaien nu, na mijn ontkenning. Tussen de pa en het meisje ontspon zich vervolgens alweer een dialoog die mijn linkeroor niet kon absorberen en verwerken. Ik hield mijn hoofd schuin, ik maakte geeuwende en gapende bewegingen met mijn onderkaak, ik dronk de rest van mijn bier op, gelijk gebarend om nog een glas. Hiermee leek voorlopig de verbale communicatie tussen cafébaas en Koning Klant afgelopen. De tweede Duvel kwam er sloffend en dreigend aan, langzaam, tergend, uitdrukkelijk op een vers bierviltje aangedragen en stevig daarop neergepoot.
01-08-10
De Leeuwenkuil (28)
28
Weer begaf ik me richting Avenaarde, enkele weken later. Maar ik stopte in Bavelgem. Benodigdheden: de Saab, een fototoestelletje. Deze provincieplaats telde vier middelbare scholen. Twee ervan, de traditionele jongens- en meisjesbastions van vroeger, waren gefusioneerd en boden algemeen vormende opleidingen. Er was ook nog een school met technische vakopleidingen en een door de staat georganiseerde school met zowel algemene als technische vorming. De Streekbazuin coverde voor een stuk ‘wat liep’ en ‘wat misliep’ ook in dit stadje. Het wel en wee van ongeveer dertien stadjes en gemeentes uit de omgeving kreeg onderdak in de wekelijkse editie van De Streekbazuin, weliswaar verzuipend in schreeuwerige blatende smekende bête belachelijke pretentieuze gierige bombastische advertenties en reclametoestanden.
Tussen halftwaalf en één zocht ik de schoolpoorten op. Pas rond kwart over een op de middag sloeg ik me letterlijk voor het hoofd: de scholieren hadden herfstvakantie.
Dit was de lelijkste streek van België. Niet alleen daarom dook ik al vlug een café in, maar ook uit teleurstelling omwille van mijn slechte timing. In mijn rechteroor suisde en ruiste het weer onophoudelijk. Ik ergerde me grondig aan de pet op de kop van de cafébaas. De vrachtwagen die passeerde had meer redenen om rood te zijn dan dat de man die had om die vreselijke pet op zijn hoofd te torsen.
‘Hobby?’ opperde de kerel, knikkend naar mijn fototoestel.
‘Nee,’ schudde ik, dreigende blikken naar die pet werpend. ‘Een Duvel.’
‘Een Duvel,’ herhaalde Petman half vragend, half constaterend.
Woedend zei ik niets. Ik koos het verste tafeltje uit, zodat de kerel de langste weg met zijn Duvel af zou moeten leggen. Tergend langzaam deed zich inderdaad het voorspelbare en onvermijdelijke voor. Ik zette mijn tanden in het schuim van de Duvel en hevelde een eerste slok naar mijn hoofd over. Daarna plantte ik het glas naast het bierviltje neer. De man keek niet op en werd één met de vreselijke voldongenheden achter zijn toog. Er was alleen even het rochelende geluid als van een koffiezetapparaat na vervaldatum.
Ik pakte het bierviltje en vouwde het zo klein mogelijk op. Het scheurde en kraakte tegelijkertijd, met minuscule warrelinkjes van papieren stuifsneeuw. Een tweede viltje volgde al snel. Op elke tafel in het café lag een stapeltje van zes. Leunend op zijn tapkranen stond de patron nu woedend toe te zien op deze zinloze vernielzucht. Elk ogenblik kon hij losbarsten in berispend knikken, of dreigend hummen. Ik keek eindelijk even op. De woede was wederzijds. De woede was in gelijke mate samengebald onder die idiote pet en de woede was in gelijke mate samengekneed in die verpulverde viltjes. Het was vreselijk op een vroege namiddag de tijd te doden in een groot Vlaams drankhuis zonder ook maar één levende ziel. Ik kreeg onnoemlijk heimwee naar mijn Japanse metgezellin.
15-07-10
De Leeuwenkuil (27)
27
Ze was zo godgenageld mooi en jong dat ik voortdurend twijfelde tussen haar gezicht, hoofd, en haar benen, knieën, en wat ertussen in glimpen misschien zichtbaar zou worden, nu werd, ik haakte me uit een soort heimweemoed naar jongheid, schoonheid, gemixt met angst vast aan haar gezicht, ik liet dat dan niet meer los, bang dat het beeld zou vervagen, na nog tweemaal, driemaal dat blanke vlees naar onderen toe bekeken te hebben, want ze droeg een hemels rokje, nee: ze werd in een hemels rokje gedragen, en er was een kier, en de deur stond aan, en de broden rustten argeloos, neemt en eet, dit is mijn lichaam, over naar gezicht, aangelaat, nu weer naar beneden, warme accolade van een lichaam, omarmende blik, geruis van wind in Russische bomen, steppe, zwarte ziel, o tsarina, laat me jouw zachte revolutie zijn, schr., in ’s hemelsnaam, verman je.
Gewapper, geflap, geritsel, gekreuk. Een opwaaiende jurk toont de vouw in de vrouw.
‘Schrijver, hommel, wesp, bij, stik, bzz … de bloemen.’
Een vlieger strak in de wind, de lucht, blauwte. Schr. tart de zwaartekracht en realiseert hoge verre krachtige sprongen. Een opwindend gevoel. Zaadlozend bijna. Warme zoen, mond van zand.
‘Beloning is blauw, honing, blauw is beloning.’
Met een ruk schoot ik wakker. 03:11. De droom was een wartaal uitkramend creatuur dat de realiteit als masker gebruikte. Schots en scheef. Teef. 03:36. De branding in mijn rechteroor.
Weer wapperend, flappend, ritselend, kreukend. Onbewaakte ogenblikken. Vouwen in de tijd. Plooien. Een man, de vijftig naderend, met koolwitjes in zijn buik. Hij plant zijn vlag. In de verte maar zeer nabij het gedempte gebulder van de stad. Letters, een krant, een hoed. Mond vol modder, blubber.
Stijf van lust werd schr. veel te vroeg wakker. Hij sloeg de hand aan zichzelf en perste en kneedde zich leeg. Werd hij langzaam doof aan één kant?
Ik was weer van de bank opgestaan onder de dwingende blik van de sigarettenrokende schooljuf, die me op haar beurt met haar ogen enterde en me met doordringende läserstralen het toegangslaantje uit joeg. De brochure van het Museum voor Vouwkunst had ik opgerold en in mijn jaszak gepropt. Nog een keer had ik achterom gekeken, net op het ogenblik dat de verblindende rechtop ging staan op een stel adembenemende benen bijeengehouden in een kort klokvormig rokje. Daarna: pizzeria, terraskoffie, ontwijken betoging in rode, blauwe en groene vuilniszakken, protestvlaggen, winkelgalerij, tweede koffie, boekhandel, hotdog, trein retour, Bavelgem weer voorbij, waar ze opgestapt waren, spitsuur.
Dan die droom, des nachts, waarin de afwezige wazig en warm aanwezig was.
Een week later vouwde schr. dezes uit De Streekbazuin achtereenvolgens een boot, een vlag, een hoed, een vliegtuig en een vogel. Even probeerde ik ook een rokje, in de vorm van een klokje. Dat lukte maar half. Het werd een kledingstuk zoals ze er nu geen meer maken, uit oude modemagazines. Ik observeerde langdurig en ongenadig mijn gezicht in de spiegel. Daarna inspecteerde ik het nauwgezet op rimpels. Wat was erger: blind of doof?
01-07-10
De Leeuwenkuil (26)
26
Toeval? Bestaat niet! Ook die scholieren bleken gevouwen papier als reisbestemming te hebben. Ze stevenden kakelend op het Museum voor Vouwkunst af. Ik kon mijn verbazing de baas.
Ik schatte ze vijftien. Ze had het weemoedige gezicht van een Russin. Haar hoofd volgde alle hoofden in de richting van de bezienswaardigheden die een van de schooljuffen aanwees. Telkens zwiepte even wat inktzwart haar mee. Plotseling verdween de kleine tsarina uit mijn zicht. Een golfje van gemis rimpelde door mijn lijf. Een korte wijle ontwaarde ik alleen maar vreselijk voorspelbare Japanners. Ik kwam weer in beweging en waadde tussen groepen en mensen door tot in een volgende zaal, mijn hoofd wat schuin als een verkeerde lieveheer.
Bijna botste ik pardoes tegen haar op. Een fractie van een seconde verdronk ik in haar ogen. Daarna staarde ze weer ingetogen naar een papieren versie van de Grote Oceaan ter hoogte van de Gilbert Islands. Het was enkele jaren nadat een dodelijke tsunami de hele wereld beroerde. Even hoorde schr. dezes de bekende onheilswoorden weer vallen, ze bereikten nog net mijn linkeroor, maar de begeleidster schudde van nee en ik ving de woorden ‘Indische’ en ‘Oceaan’ op. De kleine tsarina knikte begrijpend. Hoe kon zij toch zo argeloos die adembenemende verborgen borsten torsen?
Waar ontstond de vouwkunst ofwel de origami?
Het papiervouwen ontstond in China en Japan. Daar maakten reizende bedelmonniken gevouwen pakketjes voor het gedroogde voedsel dat ze hun gastheer aanboden. De Chinezen vouwden ook als ze in de rouw waren; ze maakten dan een papieren kraanvogel. Deze vogel symboliseert nl. het overgaan van de menselijke ziel naar een nieuwe fase. In Japan bereikte de origamivouwkunst een hoog niveau.
Schr. dezes snakte naar ontplooiing. Na jaren van redactioneel lettervreten, lezend en schrappend, had ik alleen nog behoefte aan opgevouwen papier, herfstbladeren, vliegerend papier, zomerbladeren, pakpapier, lentegroen, schijtpapier, fictie en wintergroen. Toch werd ook dit Museum voor Vouwkunst me te benepen. Ik kreeg een visioen, waarin ik voor die sappigste onder deze schoolmeisjes een hoedje van papier vouwde, dat ik haar op zou zetten, onder een stralende zon, mompelend:
‘Voorwaar, trek je van kleren maar niks aan, schat.’
Ik verliet het Museum voor Vouwkunst. Ik ging op een van de banken zitten die langsheen het toegangslaantje stonden. De herfstzon zorgde voor duidelijke beelden. Even later bezetten de scholieren de trappen van het museum. Klembordjes werden uit rugzakken gehaald. Een van de juffrouwen nam het woord en stelde klaarblijkelijk enkele vragen. De andere stak een sigaret op en richtte haar blik op het gesmoorde geraas van de provinciestad, haar hoofd als bij een tennismatch heen en weer meebewegend met passerende auto’s. Er heerste duidelijk tucht: de scholieren keken, luisterden, kauwden, overlegden met een buur, knikten en schreven dan iets op. Ook de tsarina met de inktzwarte haren en het weemoedige gezicht kweet zich naar behoren van deze taken. Ik zocht en vond haar onmiddellijk. Ze zat met argeloos gespreide benen op de op een na hoogste trede. Haar borsten rustten op haar knieën.
‘Geen schooluniform,’ flitste het door mijn hoofd. ‘Deze meisjes – en jongens – moeten godzijdank geen uniform dragen.’
06-06-10
De Leeuwenkuil (25)
25
Midden in de week een doodgewoon dagje plukken. Zomaar. Moest kunnen. Een dag zonder De Streekbazuin, Uw Krant enz …
Schr. stapte goedgeluimd ('Ik hou niet van de mensen, maar van de mensheid') naar het station in Klokrijk. In een opwelling had ik voor de ijzeren weg gekozen. Het was nog een flinke ochtendwandeling, onder andere een stuk langsheen het kanaal Klokrijk - Ramstede - Buitkerke. Reeds aan het loket bekroop me het reisgevoel. De trein is immers altijd een beetje reizen, nietwaar. Openbare vervoering. De geur van kots en zweet, het staren naar neusharen, het ontbreken van menswaardige zitplaatsen, een waar avontuur.
‘Avenaarde heen en terug alstublieft.’
De herfstzon scheen spetterend over de perrons. Het deed pijn aan de ogen, ook voor iemand die het gewend was ’s avonds in vuren te staren en overdag het licht over het water te zien ketsen. Mijn trein gleed met zacht denderend lawaai onder de overkapping. Blazend en sissend openden de deuren zich. De warmte van mensenlijven buitelde naar buiten en loste zich in de kruidigheid van de herfst op. Ik stapte op en vlijde me neer in een hoekje aan de schaduwkant. Er was keuze te over: het compartiment was dun bevolkt. Vooraleer de trein van perron vijf vertrok, kwam een conducteur de reizigers melden dat er eenenveertig plaatsen gereserveerd waren vanaf de volgende halte. Daar zou een groep scholieren opstappen. Wie daarmee te maken zou kunnen hebben, moest dus even verhuizen naar een ander compartiment.
‘Anders wordt het laatste stuk van uw reis erg rumoerig,’ lachte de conducteur.
Ik knikte en glimlachte terug. Ik bleef rustig in mijn hoekje zitten. Enkele reizigers verlieten stommelend het compartiment. Op elk raam kleefde de treinwachter vervolgens een reservatiestrookje voor de Sint-Aloysiusschool.
De trein vertrok met een schokje. Ik glimlachte en dommelde kort daarna even in, gewiegd door het treinstel. Ik bevond me op de smalle richel tussen waken en slapen, wakker zijn en dromen. Af en toe tuimelde ik daar even af. Dan schoot ik met een rukje wakker. Mijn oogleden trilden wat.
‘Ahum, ahum,’ deed de conducteur.
‘O, ja,’ mompelde ik. Ik was nu helemaal terug uit soesland. Toen mijn ticket geknipt was, bleef ik dan maar wakker. Bij de eerstvolgende halte werd het compartiment overspoeld door scholieren, jongens en meisjes. Twee juffrouwen probeerden deze zee te bedaren. Ik schoof nog wat op en propte me dieper in mijn hoekje. Mijn linkeroor vulde zich met lawaai. Mijn gepijnigde rechteroor – donker gedreun nu – rustte tegen het koele vensterglas. Vlak tegenover mij materialiseerde zich het allermooiste meisje van de bende. Ze zat zo frontaal vlakbij dat mijn ogen niet anders konden dan weer dicht vallen.
De trein naderde Avenaarde. De herfstzon dobberde uitbundig aan de mariablauwe hemel. Een vrolijk spiegelei. Ze perste nog wat nevel uit het hinterland, na een grijzeregenzone van anderhalve week. Net zomer. Schr. stapte uit. Op het perron hoorde hij de scholieren kwetteren als blije vogels in de takken van de bomen. Maar aan de roltrap viel zijn oog weer op de allermooiste, die daarnet op schootsafstand van hem gezeten had. Ze frunnikte wat aan haar rugzakje en kwam glimlachend weer uit haar hurkhouding overeind. In een opwelling wijzigde ik mijn plannen. Ik vatte even later mijn tweede wandeling van die dag aan, nadat alle Aloysius-scholieren via de roltrap en diverse zwaaideuren het station verlaten hadden. Het gebeurt wel vaker dat enkelingen, zeg maar drenkelingen, in het zog van groepen opereren. Waar ging die kwetterende bende naartoe?
05-05-10
De Leeuwenkuil (24)
24
Haar iets te grote borsten maakten haar wel sappiger dan haar klasgenoten. Ze schuifelden met z’n veertigen door het Museum voor Vouwkunst in Avenaarde. Schr. dezes keek even naar de voet waar ze daarnet per toeval op had getrapt. Zijn voet. Mijn voet. Of was het opzet geweest? Neen: ze droeg onschuldig en argeloos haar beide witte broden langzaam verder van mij weg. Ik verkortte die afstand telkens weer door mee te schuifelen. Het gebeurt wel vaker dat enkelingen, zeg maar drenkelingen, in het zog van groepen opereren. Aan vouwkunst besteedde ik ondertussen niet zoveel aandacht. Wel aan uitdijende anatomie.
Ik hield constant mijn hoofd wat scheef. Dat vervelende geruis in mijn rechteroor was weer moeilijk te harden. Het was na oogsttijd in mijn oor geslopen en had zich daar blijvend gevestigd. Met intervallen verwittigde het mij van zijn aanwezigheid. Zat het nagelnieuwe hoorapparaat van mijn moeder daar voor iets tussen? Werd ik onder haar invloed doof?
Het was in de tijd dat een eerste lichte siddering door het land trok. Een briesje, meer niet. Midden september passeerde de appelschudder even, bijna onmerkbaar. Hij gaf de boomkruinen een luchtkus en zou dan weer voor twaalf maanden verdwijnen. Al net zo onmerkbaar verschoten daarna de tinten op het land en in de stad wat dieper.
Ik hield ervan dat het elke dag wat vroeger donker werd. De dagen worden korter, zeiden de mensen met een bedrukt gezicht. Dat was natuurlijk niet echt zo. Dat was een uitvinding van de winteruurwerkmaker. Tijd kon immers alle kleuren aan, ook donkere en grijze en zwarte. De mensen hadden de gewoonte om vooral die tinten te versieren met lichten, lampen en juwelen, bij voorkeur wanneer de avond ingetreden was, of wanneer een mens geboren werd, lief begon te hebben en daarna stierf. De andere kleuren hadden die menselijke ingrepen niet echt nodig, uitbundig aanwezig als ze vanzelf al waren. Mensen waren altijd al een beetje bang geweest voor nacht en onweer, maar vaak stond het slechtste weer alleen maar op hun gezicht te lezen. Kortheid van dagen was eigenlijk een fabeltje. Men was gewoon bang voor het donker. Stomme kiekens.
Ook schr. dezes kreeg in die tijd weer een ietwat paarse blos op zijn wangen, want het werd wat kouder. Dat wel. Gelijk met de bladeren die hun bomen loslieten en over het land warrelden, verloren de kruinen de warmte die ze een zomer lang vastgehouden hadden. Zelfs tijdens de voorbije regenzomer. Ik vond dat best gezellig. Ik stookte vuren en gooide er de bladeren in die dood wensten te gaan. Het waren geen vuren om te vernielen, maar om het warm te hebben. Aan takken en bladeren leed ik geen gebrek. Langs het kanaal waar schr. woonde en rond zijn huis was het een groot gehakketak en geblader. Ik hoefde maar te plukken en te kraken, te bukken en te rapen. En bij het knetterende haardvuur gezeten, las schr. met gloeiende wangen verhalen waar het stevig in waaide. Dan hoopte ik dat het buiten ook echt waaide. Soms was dat zo. De schoorsteen en de rolluiken van het huis konden daar van meespreken. Ook het kanaal rimpelde en rilde vaak hevig. Dan genas ik even van de verplichte correcterende lectuur die ik elke dag om den brode moest uitvoeren, in het belang van De Streekbazuin, Uw Krant voor Stad en Rand, een informatief magazine dat door advertenties werd gestut en daardoor in leven werd gehouden. Uitvlooien was mijn beroep, schrijven mijn nevenberoep.
Sinds de luchtkus van de appelschudder moesten de dagen dus korter worden. Schr. dezes bleef langer op om te lezen en te luisteren. Hoe vroeger de mensen gingen slapen, hoe meer ik ’s avonds laat nog even naar buiten trok om de wind te proeven. En bovenal: om die in mijn rechteroor rond te laten tollen, in de hoop van dat ellendige gesuis af te raken.
11-04-10
De Leeuwenkuil (23)
23
Permafrost. CO2. IJs. Water. Damp. Broeikas.
Voorheen vreemde vaktermen en voorheen romantische woorden gingen het dagelijkse leven van de mensen beïnvloeden. Dit alles in overweldigende eenheden van miljarden. Ik voelde me ook plotseling persoonlijk bedreigd en besloot niet meer te roken. Ik bouwde mijn mond- en klauwzeer af en hield ook de gezonde luchten boven mij en om mij heen in de gaten. Biologie en filosofie gingen aldus hand in hand.
Moeilijk?
Nee. Nou. Ja. Nee. Nee dus.
Schrijver dezes had al voor warmere dampen gestaan.
Ofschoon ik al decennia lang een geëngageerd roker was geweest, vond ik het consumeren van sigaretten een volstrekt belachelijke gewoonte. Vooral in oudere films kwam het bespottelijk over. De sigaret voor de sportman – hoe bestond het. Ik had altijd met afschuw op mijn eigen rokersrituelen toegekeken, raar maar waar.
Om mezelf op dat vlak grondig te testen, frequenteerde ik op regelmatige basis De Woede der Noormannen bij vriend Freddy. Als ik alcohol rookloos de baas kon, dan zat het goed. Willy, Luc, Walter, Jacques en Ayatollah Deleu namen me tijdens deze ontwenningsperiode geregeld onder vuur in verband met mijn Japanse schone. Ik zeilde om hun schunnigheidjes heen en gaf zelfs niet één badscène prijs.
‘Komt ze nog terug, Jaak?’
Dat ware een perfect moment om een sigaret op te steken: bij het uitstellen van een antwoord. Het zou echter mijn enige moeilijke moment blijven:
Jaak Moeneclaes, schr. dezes, vervoegde A.D. 2007 de rangen der niet-rokers.
Mijn binnenverblijf in Veinze werd een asbakloze biotoop, maar een schaal met appelen zag ik nog niet zitten. Er waren grenzen aan gezondheid. Mijn vrouw Veerle – heelhuids terug van het Donkere Continent – trof schr. dezes in goede staat aan, blakend van gewoonheid. Ze had het wellicht anders verwacht. Ik updatete haar betreffende Emiko Takamori’s logeerpartij hier ten huize en zij onderhield me over haar menslievende weken in Afrika. Zo viel alles in zijn plooi. Ik kwam zelfs een origamitentoonstelling op het spoor. In Avenaarde. Beter eerbetoon aan E.T. en Japan dan een grondig bezoek aan deze vouwelijke expositie kon ik niet bedenken. Dat ik niet meer rookte, was in verband met papier ook goed nieuws.
22-03-10
De Leeuwenkuil (22)
22
In Schiphol ondergingen we gelaten de plichtplegingen vanwege de luchtvaartinstanties. We hadden besloten het kort te houden. Weer was er de combinatie van het Oosterse buiginkje en de Westerse handdruk, maar nu omgekeerd: ik boog, zij drukte.
Daarna verdween ze.
Ze was weg.
Ik betrapte mezelf op keelpijn die zich in het ontroerparcours situeerde. Van E.T. zou ik moeten ontwennen. Al had ik haar tot voor kort mijn hele leven lang niet ontmoet. Meer dan twee weken had ik met een mens van een ander geslacht en een andere planeet samengeleefd: een Japanse vrouw die ik voorheen nooit in levenden lijve gezien had en die ik dertig jaar geleden als papieren meisje had leren kennen.
Mijn origamisch opgevouwen papieren luchtpost-penpal van ooit was nu even tot leven gekomen en weer verdwenen met de luchtpost van 2007.
Ik slikte en reed wezenloos voor me uit starend weer naar Ramstede. Het regende oeverloos. De Lage Landen leken een grote carwash. Regendruppels biggelden tappelings van de ramen. Ik stuurde mijn vehikel op pletsende banden doorheen een stuurloos landje, kikkerland achter me latend.
Koninklijk verkenner Herman Van Rompuy, fulltime telefonerend, probeerde ondertussen de leeuwenkuil te ontmijnen en hanengevechten te vermijden. Schr. dezes was nog twee weken lang op zichzelf aangewezen, alleen met zijn geschriften, zijn copywriting, zijn laptop en zijn Crossvulpen.
Hoenderen
Runderen
Appelen
Mosselen
Bladeren
Spaanderen
Vlaanderen (Vlaanderen aan spaanderen?)
Om mijn schrijverij nog even uit te stellen, nam ik de afslag Eeklo en begaf me naar kamer 127 van het rust- en verzorgingstehuis BRAAF! in verband met een goed gesprek. Mijn vrouwelijke ouder ontving me met een opgeruimd, maar alweer verward gemoed.
‘Is de Chinese niet mee?’
‘Nee modder. Moeder (polyglot hoefde nu niet meer). Emiko is terug naar Het Land van de Rijzende Zon.’
‘De rijst valt hier best mee.’
‘Nog onlangs wezen shoppen?’
‘Welja … welja … ‘
‘En hoor je nu beter? Moeder? Vallen de oortjes mee?’
Ik boog me weer even wat zijdelings om haar USB-ingang te checken.
‘Rachmaninov doet het hoor.’
‘Dat stemt me vrolijk.’
‘Jaak was hier een paar weken geleden.’
‘Maar Jaak, dat ben ik, moeder.’
‘Met Akamora,’ knikte ze, zich wat voorover buigend uit haar fauteuil. Verdorie, hadden de meeste van haar woorden holheid gekregen, daar was haar geheugen toch af en toe staalhard. Ze memoriseerde zelfs haar vergissingen. Ik beschikte over een mama uit de duizend. Hoe was mijn mannelijke verwekker ooit op haar gebotst?
‘Emiko is weer naar Japan, moeder. Ze is opgestegen als een kraanvogel. Ze is voorwaar een vrouw met een hoog Anaïs Nin-gehalte.’
‘Niet te karig zijn met het zout op de maïskolf, Piet. Weet je nog hoe we dat in Bulgarije leerden?’
‘Het is Jaak en Hongarije, in deze volgorde, mama, moemoe, mamoe, moema, mammoet, hoor je mij?, ik verwijt jou toch ook niks, Aarde aan … ‘
‘Ik hoor je, Jaak, ik hoor je.’
Even zweefde haar hand naar haar implantaat achter haar oude oortje, weifelde er en keerde dan terug naar de moederschoot.
‘Soms is het beter bepaalde zaken niet te horen,’ doceerde ik. Knulliger kon deze mededeling niet uit mijn mond komen. Ik was al blij dat er geen getuigen waren. Mijn moeder beloonde echter deze uitspraak met een lachbuitje. De goede luimen bleven haar vandaag aanvliegen. Misschien hadden de rustgevende instanties alhier haar medicatie aangepast. Of opgedreven. Nou, in dat geval: leve de scheikunde.
‘Is er verder nog nieuws, zoon?’
(Even meende ik een verborgenagendabevel achter deze vraag te horen:
‘Hoepel nu maar op, zoon.’)
‘Geen primetime-toestanden te melden,’ bevestigde ik ontkennend. En daarmee was de kous eigenlijk af. Mijn vrouw bevond zich in Afrika, E.T. was onderweg naar Azië en mijn moeder, zo zij mij zelf al niet naar de maan wenste, zag ik plotseling weer zienderogen wegijlen uit deze elementaire wereld, naar een higher level opgestuwd.
Een nanoseconde later evolueerde ik weer op pletsende banden door regenlustig Vlaanderen.
26-02-10
De Leeuwenkuil (21)
21
Ja, er brandden nog lampen in dat hoofdstedelijke Broekzele. Yves Leterme (CD&V) was informateur-af, Herman Van Rompuy (CD&V) sloop undercover als koninklijk verkenner rond, Didier Reynders (MR) glom met de dag meer en meer in zijn pel en Bart De Wever (N-VA) legde ondanks zijn voorkeur voor het Belgische product friet een bom onder het unitaire vaderland. Ondertussen werden ook stiekem oude politieke dinosaurussen in het holst van de nacht uit hun bed gebeld. De Belgen en de Blaadjes en de media hadden in de 21e eeuw om jonge en sexy politici geroepen, maar nu moest na amper zeven jaar al de augiasstal uitgemest worden. De modieuze populistische reutemeteut had zich wondenlikkend in zijn provinciesteden teruggetrokken en verschanst. Eentje met een rode neus was er zelfs in geslaagd bronsgroen gouverneur te worden. De meesten echter hadden al een serieuze electorale afstraffing achter de rug. En de grootste overwinnaars van 07 hadden ook de grootste fout gemaakt, waardoor ze tegelijk de grootste overwinnaars geworden waren en op termijn de pijnlijkste verliezers zouden worden: de christendemocraten van CD&V hadden een verbond gesloten met de Vlaams-nationalisten van N-VA. Een paardje van Troje dat een ezelsstamp zou uitdelen. Alleen als CD&V deze nationalistische inplanting af wilde stoten, konden ECOLO en GROEN! bereidheid tot samenwerking tonen.
Ik gaf Emiko Takamori bij het naderen van de hoofdstad nog een laatste lesje in Belgische politiek. Hoe kon ik dat anders doen dan via het judoverhaal van de republikeinse buffel Jean-Marie Dedecker?
Ippons en koka’s en yuko’s?
‘Ickx, Merckx, Ceulemans, Henin, Bobbejaan Schoepen, Werbrouck, Gevaert, Everts, Hellebaut, Nijs: jullie hebben veel sportkampioenen,’ merkte ze op.
‘Ja, maar weet je wat Winston Churchill antwoordde toen ze hem vroegen hoe het kwam dat hij zo vlotjes fit en oud werd? No sport. Ik denk dat België beter niet meer aan sport doet.’
‘Aha.’
‘En Bobbejaan Schoepen deed niet aan sport, hoor. Hij eh … ‘
‘Maar hij deed aan kunstfluiten. Hij is opgenomen in de eregalerij van de beste kunstfluiters ter wereld. Er was een concours in Japan waar dat bekendgemaakt werd.’
‘Aha,’ deed ik op mijn beurt. Ik besefte plotsklaps dat ik veel te intens in de Hoge Cultuur ingebed zat.
Met de hulp van Agnes, mijn gps-minnares met de Hollandse tongval, dirigeerde ik mijn Saab naar de Zavel toe, waar ik vlot parkeerplaats vond in een van de kleinere antieke straten. De Marollen en het Justitiepaleis (de ‘Grote Inktpot’, dixit Victor Hugo) waren ook vlakbij. Hier heerste op dit nachtelijke uur nog meer licht dan in de beide Vlaanderen samen.
Op een hoek van de Blaesstraat doken we een nachtkaffaat in, gevuld met halfvergane mensen die overdag evenmin sliepen. Niet lang geleden was in een van de belendende straten een gezinsdrama gebeurd: een drievoudige mesmoord. We aten Brusselse zooisoep en bloedworst, begeleid door schuimloos ‘plat’ bier met een amberkleur. Deze combinatie viel bij Emiko bijzonder in de smaak. Het grootstedelijke gevoel heerste alom; men deed hier alsof de nacht niet bestond, of alleen maar een donkere dag was. Het was een gaan en komen van mensen die een beroep aan het uitoefenen waren, ergens geweest waren, nog ergens naartoe moesten, dronken waren of dronken zouden worden, voedsel bestelden, kranten lazen, leveringen deden. Ik krabbelde de woorden zooisoep en bloedworst in een notitieboekje dat Emiko weer uit haar handbagage had geplukt. Ooit zouden die dan weer in PAPILLA opduiken. Voor de rest zaten we nog wat glimlachend voor ons uit te staren en rond te kijken, tot in het verre oosten de eerste ochtendmelk werd gemorst.
Het was vreselijk moeilijk om afscheid te nemen van iemand die je nooit meer zou ontmoeten, nooit echt ontmoet had, maar wel enkele weken lang zeer intens had gekend. We deden er vooral het zwijgen toe. Elk woord betekende een barstje meer in het theekopje van de toekomst.
04-02-10
De Leeuwenkuil (20)
20
Klokslag 15 oogst (met permissie van de lezer/es wenst schr. dezes even een romanesk sprongetje in de tijd te maken) zou de Oosterse weer uit mijn leven opstijgen. Ik haastte me dus haar Vlaanderenland door te loodsen, vele historische en culturele mededelingen in gecomprimeerde gidsentaal weergevend. Zo propte ik de IJzertoren in een namiddagkijkgat, beperkte Yperen tot een gesprek met iemand van Landschap Zuid, verkende Hasselt Saab-gewijs, gaf uitvinder van de verlostang Jan Palfijn idem dito spoorslags het nakijken en besteedde aandacht aan Oostende, de Koningin der Badsteden, middels een eerder noodgedwongen visite aan een tbc-café met rochelende kettingrooksters en een koffiezetapparaat na vervaldatum.
Er school tempo in mijn methode, en dat zinde mijn amandeloogje Emiko wel. Ons langste sightseeing betrof de bovengrondse ruïnes van een site die voorbestemd was om een ondergronds winkelcentrum te worden, begeleid door het gebulder en gedreun van vrachtwagens en schepreuzen. Dat gebeurde ter designstede Klokrijk, ter hoogte (nou: ter laagte, eerder) van de toekomstige winkelcatacomben ‘K in Klokrijk’, door het gepeupel ook wel de Krater van Klokrijk genoemd. Ook de oude energiefabriek Transfo te Zwevelgem, heden door kunstcorrecte werkers cultuurwaardig bevonden, droeg Emiko’s goedkeuring weg: we raakten er binnen en ontdekten er naast reusachtige machines ook duizenden boeken over elektriciteit. Bij Manneken Pis in Broekzele werd ze lyrisch op Japanse versvoeten. Deze dagelijkse notendoppen Vlaanderen, occidentaal en oriëntaal, gevoed met af en toe een Vlaamse BBQ (mannen met vorken en grappenmakers met worstenhumor inbegrepen), een tentfuifje of een horecabezoekje, boden Emiko Takamori m.i. een correcte doorkijk op België, de B-film met de lowbudget-cultuur, Land van Charlatans & Chocolade & de inmiddels wereldbekende vergelijking: ‘As bad as Belgian justice’.
Kon ik het helpen dat zijzelf op een gigantische archipel resideerde, dagelijks door bevingen bedreigd, tot tweemaal toe door het Westen tot in de atomen diep verwond?
Daarom schrapte schr. dezes een bezoek aan het Atomium. Ik vond de symboliek ongepast.
NINE BALLS, NO GLORY.
Ten gerieve van haar journalistieke pen en PAPILLA trokken we nog ijlings naar hopvelden, vlasbeemden, een brouwerij en een polderpalingrestaurant. Ik regelde zelfs een vliegbeurt boven Frans-Vlaanderen, via cafékennis Walter, die namelijk een vliegbrevet had en in de Wrevelgemse Zoute Aviation Club (Z.A.C.) actief was. We gingen er in Bergues potjesvlees eten, voorafgegaan door picon-bière.
(De bevolking in dat Bergues was door een recente leuke film waarin een soortement dialect of idiolect centraal staat deerlijk mentaal gehavend en in haar kruis getast).
Toen was het einde nabij.
Die laatste nacht bij mij thuis hoorde ik voortdurend weer het getrippel van haar voetjes. Ikzelf kon evenmin de slaap vinden. Om één uur ’s nachts deed ik Emiko het oneerbare voorstel niet langer meer niet te slapen, maar onmiddellijk te vertrekken en nog even Brussels by night aan te doen. Van daar zou ik haar dan weer naar Schiphol brengen. Ze stemde daar gretig mee in – het zou volgens haar ook ons afscheid wat makkelijker maken. Ze had ondertussen al gepakt en gezakt.
Binnen het halfuur verlieten we bij nacht en ontij het comateuze Ramstede. Onderweg naar Brussel/Bruxelles/Broekzele onderhield ik E.T. over flaminganten, separatisten, federalisten, Vlamingen, regionalisten, patriotten, belgicisten, francofonen, Walen, Oostkantonners en Brusselaars. Over de Antwerpenaars zweeg ik als vermoord.
‘De Belgische archipel,’ zei ze. ‘Net het vel van een luipaard.’
Andermaal zweeg ik wijselijk over onze leeuwen- en hanensymbolen.
‘Misschien komt er nog een volksbeving,’ knikte ik. ‘Dat is eigen aan archipels, hé.’
Ze knikkebolde dat dit wel eens bewaarheid zou kunnen worden.
Er was geen kat op de weg. Niet eens een koninklijk verkenner, een mensensmokkelaar of een Albanees. Er hing een rafelige zomernachtmist. Ik had onlangs in het reclameprachtblad KARAAT gelezen dat er veel Belgen fout gekleed liepen, maar toen ik alweer even zijkeek, merkte ik dat mijn oude schoolmeisje zich zo Japans als de pest had uitgedost, in het wit en in het donkerblauw, met name. Ze kon zo een Vlaams uniformlyceum in. Dit midlife-vrouwtje zag er namelijk ook nog behoorlijk jong uit. Maar enfin: geen kwaad woord dus over de Belgische mode.
(Schr. dezes hoedt zich voor nestbevuiling, want hij is lid van een provincie met een hoog gehalte aan mestverontreiniging: hij is twee man waard. Hij beseft dat nest en mest zelf veroorzaakt worden, en dat daar dus niet over geluld moet worden.)
Ik betrapte mezelf weer op diverse diepe gedachten, terwijl mijn gasvoetje achteloos met de rechterpedaal jongleerde. Af en toe kreeg ik de gelegenheid een cadansserietje op te zetten, afhankelijk van de ondergrond van deze leeuwenkuil waar ik op/in reed. Het betrof allemaal drielettergrepige meervouden waarvan de laatste twee lettergrepen dof klonken, lekker relaxt. Mijn hobbellijstje.
Mosselen
Kinderen
Letteren
Meubelen
Runderen
Hoenderen
Middelen
Liederen
Beenderen
Bladeren
Aderen
Raderen
Vlaanderen
Spaanderen
Vlaanderen een meervoud?
Alzo haastten we ons door een stuk van lokaal verdoofd België, occidentaal en oriëntaal Vlaanderen achter ons latend, de echte leeuwenkuil naderend.
13-01-10
De Leeuwenkuil (19)
19
Inmiddels … de volgende dag …
De schade aan mijn Saab viel nog mee: een buitenachteruitkijkspiegel aan flarden en twee fel bekraste ietwat vervormde rechterwieldoppen. Perfectie is toch maar saai. Emiko had vannacht een rondpunt niet als een oneindige lijn met zekere krommingsgraad opgevat, maar als een scherp te nemen schampobject. Het concentrische smeedwerk op die vicieuze verkeerscirkel (middenin bevattende een oorlogsgedenkteken) had de buitenspiegel geamputeerd. Er bleven alleen wat draden bungelen, zoals in oorlogsgebied. Ik had de kamikaze de rest van de nachtelijke uren moeten kalmeren, en tot na de middag bleef ze zich in zeventien Japanse dialecten en het Duits en het Engels verontschuldigen. Dat was erger dan de materiële schade zelf. Even leek haar natte droom op een nachtmerrie.
Het stormde ondertussen zo stevig dat de vogels uit de lucht werden gemept. Het middagjournaal meldde zelfs dat de beelden van enkele reeds lang uit de kalenders geschrapte heiligen door de wind uit hun nissen aan de Aloysiuskerk in Hasselt waren gekukeld en aan diggelen gevallen waren – de plaats delict werd met politielinten afgebakend, want iemand had zo’n heilig brokstuk op zijn schouder gekregen en werd momenteel intensief verzorgd.
Terwijl Emiko zichzelf marineerde in spijt en verdriet en me ondertussen een verfijnde rauwevisdis toebereidde, zocht ik mijn garage op. Die was nog altijd in zomerhalfslaap, maar er zou naar mijn vehikel gekeken worden onmiddellijk na de vijftiende, die magische datum. Ik was immers nog mobiel en werd alleen ontsierd door twee krakkemikkige wieldoppen en ontstentenis van een achteruitkijkspiegel. Op hun todolijst werd ik nr. 1, zo werd mij hartelijk medegedeeld. Ik kon niet anders dan akkoord gaan.
Even later zat ik mijmerend in marktcafé De Eenhoorn in Ramstede. Ik had behoefte aan eenzaamheid en wou ook sushiprinses Emiko rustig laten betijen. Bij een paar doodgewone Stella’s slaagde ik er bijwijlen in gedachteloos te worden. Bepaalde gedachten raakte ik plotseling kwijt en ik deed geen moeite die weer op te roepen, want ik was blij dat ik ze kwijt was. Het was mijn vorm van ontspanning. De wind huilde op het marktje. Het was 15:06 uur; de mensheid ontwaakte om het tweede deel van de dag aan te vatten. Er passeerde een dubbelganger van Ringo Starr toen die ongeveer dertig jaar was. De Here Gods kon niet blijven nieuwe modellen ontwerpen. Er kwam een pijprokende man binnen voor een koffie. Net terwijl schr. dezes zat te denken dat dit genotsvoorwerp uit het straatbeeld verdwenen was, passeerde er een tweede pijproker. Een kwartier later kwamen knallend twee motorrijders aangereden. Ze stopten voor De Eenhoorn en onthelmden zich. Ik zag twee negentienjarige meisjes tevoorschijn komen die sterk op elkaar leken: brilletje, haar in een staart, rossige glans. Alleen hun moto’s vertoonden opvallende verschilpunten. In het café ontpelden ze zich verder van hun beschermende laag en dronken ieder een cola. Hierna verdween het koppel motorengelen weer, geheel in het zwart gehuld. Mijn beeld over motorrijders werd ietwat bijgespijkerd. En andermaal trad ik de schrijfster Anaïs Nin bij, die stelde dat ze echt tot leven kwam in het café. Of had ze beweerd dat het echte leven zich in cafés afspeelde? Omdat ik het niet kon verdragen dat mijn geheugen me daaromtrent in de steek liet, verliet ik prompt weer deze gedachten. Ik verzonk overigens bijna in een comateuze toestand; er stak alleen leven in de storm daarbuiten. De heksen van de herfst hadden hun bezems al bovengehaald, in het holst van de zomer.
De mooigeweeste waardin van De Eenhoorn, die me tot nu toe altijd correct en neutraal behandeld had, benaderde me na mijn aanvraag voor een volgende Stella een graad intiemer.
‘Wijs bezoek uit het Oosten?’
Deze schrandere middenstandsvrouw combineerde een vraag, een constatering, een appreciatie en een verzoek om bevestiging. Zij had duidelijk gelezen: afdeling eruditie, geen magazines of streekkranten of whodunitjes à la Pieter Hespe.
Ik knikte verrast.
‘Mijn correspondente,’ antwoordde ik dan. Het klonk bijna als ‘oorlogscorrespondente’, want mijn kaduke Saab haperde nog na in de takken van mijn geheugen.
‘En de vrouw is voor enkele weken naar de zwartjes zeker, hé? Veerle heet ze?’ doceerde ze verder socratisch, terwijl ze even later mijn bier voor me neer kwam poten. Dé vrouw, godgenageld!
‘Een oude droom,’ formuleerde ik prompt, me gelijk afvragend hoe ik zo vlug en zo gevat deze mededeling kon doen. Waarop ik de waardin ietwat nors nog toevoegde: ‘Ja: Veerle.’ Dat was een fors staaltje van pareren. Het klonk als het staartje bij het refrein van een ouderwets Vlaams ringliedje.
Hopfaldera, ja Veerle, hopfalderie, uwe keerle
‘Jaja … ‘
Jaja ... Dat fabuleuze onnozele irritante klakkeloze Vlaamse reduplicerende caféwoord besloot onze conversatie (decor: vrouwentongen, notarisberichten – tijd: namiddag, de zelfmoorduren). Dit alles werd nog overschaduwd door het plotse besef dat Elvis Presley binnenkort dertig jaar dood zou zijn. The king and I: een verbond. And Yves Leterme had still not left the building. Ik bleef maar diepe gedachten hebben, als trage Russische duikboten.
29-12-09
De Leeuwenkuil (18)
Watten wolken dreven aan het mariablauwe zwerk, gebruiksklaar om uitgelopen dronkenschappen te betten. Hier hadden The Simpsons en (alweer) Magritte samengewerkt. Ik vroeg Emiko of ze in Japan ook over zulke luchten beschikten.
‘Onze luchtkastelen bestaan uit hout,’ antwoordde ze, want ze had mijn vraag verkeerd begrepen. Ik kreeg geen tijd voor een wedersamenstelling, want waar ik daarnet nog gestut werd door een tweetal beschonkenen, of omgekeerd, daar vielen nu om mij heen de mensen bij bosjes, omdat de bekende zanger Arno opkwam. Het betrof hier een gegeerde vertolker van rauw- en tederheid, in een soortement Franglais. De gelederen werden dooreen gehutseld en dat zou een tijdlang zo blijven. Er zat stuwing in de vaart der volken en hun muziek. Verbale communicatie zou fonetisch gebrul worden, waarbij men kon kiezen uit een reeks van vijf klanken.
‘WIE IS DAT?’ gilde E.T. in mijn linkeroor.
‘ARNO!’
‘EEN DUITSER?’
‘WWW.NEE.BE!’
‘HET LIJKT OP DUITS!’
(Vertaald in het Festivaals:
‘IE I A ?’
‘A O !’
‘UI ?’
‘EE EE EE EE EE !’
‘IJ UI !’)
(Noot: schr. dezes communiceerde met Emiko Takamori wel voortdurend in het Duits en het Engels, maar geeft in dit Vlaams romanesk narratief journaal de mededelingen in het Nederlands weer – voor de goede verstaander)
Arno, wiens haar weer door een koude kapper leek geknipt (en waarmee hij uitdrukkelijk heen en weer zwiepte, in en uit de ogen, weet je wel), kende succes onder de bewusten, de onbewusten, de bewustelozen en de onderbewusten in de tent. Iedereen probeerde op hem te gelijken en idem dito te zweten.
‘EE IJ IE IE EU ?’ riep Emiko me toe.
‘ A ?’
‘HEEFT HIJ MISSCHIEN EEN NIEUWE HEUP?’
Ik lachte zwetend van nee en probeerde ondertussen uit het gesproei van lichaamssappen van omstanders te blijven. Kokhalzend onderging ik de rest van dit optreden, dat ik in mijn latere annalen wellicht een aftreden zou noemen, omwille van de walg betreff. de anderen.
Toen we weer op een rustiger weitje aan het flaneren waren, vroeg ik Emiko wat ze van de zwiepende en schokkende Vlaamse zanger dacht.
‘Was hij dronken?’ informeerde ze eerst zelf.
‘Dat weten we nooit precies.’
‘Verkouden?’
‘Iedereen is hier altijd verkouden.’
‘Waarover heeft hij het in zijn liederen?’
‘Over Leven, Liefde en Dood.’
‘In het Frans?’
‘Eigenlijk in het Fraams, ook gekend als het Vlans.’
‘Vinden jullie hem goed?’
‘Hij pleistert altijd veel trekvolk.’
‘Hij was waarschijnlijk de stoute jongen van de klas hé?’
‘Of net helemaal niet.’
We arriveerden bij een bierhalte en ik vergat dat Emiko vergeten was op mijn vraag te antwoorden. Babe Petra had de namiddag gehaald en wuifde met een bloeddoorlopen arm dat ze naderbij zou komen. Van haar dronkenlap was geen spoor meer te bekennen. Ik liet nog vele bekers niet aan mij voorbijgaan in het rustige maar des zomers rumoerige dorp Dranouter in het onvolprezen West-Vlaamse Heuvelland. Emiko had beloofd vanavond de Saab te mennen. (Tank je wel, Bobette!). Ze had al natte dromen gehad over niet-Japanse auto’s.



