13-06-17

ANGEL (28)

I, 03


‘Drie doden op ongeveer één dag in Verkavelgem,’ zei Marlize. ‘Is dat niet verdacht? Hier, in de krant.’
‘Ah?’
‘En ze hadden alle drie in hetzelfde café gezeten, de Retro. Je weet wel: waar wij nog aan katapult schieten gedaan hebben.’
‘En wanneer is dat gebeurd?’
‘Vier jaar geleden.’
‘Maar neen: die dooien. Niet dat schieten.’
‘Ah. Eergisteren. Tijdens dat onweer dat ’s avonds zo vlug kwam opzetten. Weet je het nog? Die wolk was nog paarser dan jouw aangebrande aubergines!’
‘Tuurlijk weet ik dat nog. Zijn ze dood gebliksemd misschien? Kon de tapkraan in de Retro niet als bliksemafleider fungeren?’
‘Ik lees hier nu dat ze rechtopstaand worden begraven, verticaal dus, zoals iedereen in Verkavelgem de laatste zes jaar, wegens plaatsgebrek. Ze moeten er zuinig zijn met de grond. Tiens, dat lijkt me iets voor mijn roman.’
‘Kunnen ze er dan de fik niet insteken? In een urne deponeren? Verstrooien?’
‘Maar de families wilden een klassieke onderdegrondstopping.’ 
‘Het zijn altijd wroeters geweest, die Verkavelgemnaars. Ze kunnen de aarde nooit eens met rust laten.’
‘Ooit worden ze er nog voor gestraft. De aarde laat niet met zich spotten. Zeg: heb je geen zin om naar het spektakel te gaan kijken? Altijd leuk, die rouwkoppen. Beetje nostaligie plegen, weet je wel: kaarsen, wierook, missaals, paternosters, wat Latijn, heiligschijn… ‘’
‘Zijn er dan geen drie begrafenissen?’
‘Nee. Ze worden gelijktijdig ter aarde besteld, na een dienst in de Godspot van Verkavelgem. Het wordt een trilogie.’
‘Djeezes! Waren de grondwerken in de solden misschien?’
‘Daar moeten we bij zijn hé!’

Op 11 juni 1938 om 11 uur 57 beefde de aarde in het vlakke Vlaanderen met de her en der verspreide molshopen. Er was schade aan kerken, kruisen en kapellen in Gijzegem, Kuurne, Munkzwalm, Rollegem, Strijpen, Wannegem-Lede, Westrozebeke en Zegelsem. 17 500 schoorstenen sneuvelden. Er waren twee doden. Dit wordt de ‘aardbeving bij Zulzeke’ genoemd. De beving werd ook in de kerk van het dorp Veldegem gevoeld, niet ver van Brugge, tijdens de begrafenis van de jonggestorven schrijver Norbert Fonteyne.

De Cruisberg bij Verkavelgem lag die voormiddag al vroeg te blakeren in de zon.  In de koele kerk dobberden klokslag 10 uur 30 honderden hoofden boven de stoelenzee, terwijl nog eens tientallen offerandetoeristen en rampnieuwsgierigen zich rechtopstaand achter in het heiligdompje verdrongen. Vooraan stonden drie kisten: het thema van de samenkomst. De snaren van de voormiddagzon, gebroken door brandglas in de hoogte, vielen in de kerk binnen en bespeelden de houten Drievuldigheid. De verkeerde lieveheer aan het kruis op het oude hoofdaltaar negeerde de mensheid aan zijn voeten. Hij bleef koppig de richting van zijn linkerhart uit kijken, meer geïnteresseerd in wat er zich buiten het kader van de gelegenheidsfoto’s afspeelde. Geroezemoes kabbelde tussen de stoelenrijen, totdat een dwingende bel weerklonk.

Drie dienaren van de katholieke eredienst verschenen in oubollige vrouwenkleren uit de sacristie, geflankeerd door enkele misdienaartjes. De priesters daalden de trappen af, cirkelden als gieren om de kisten, murmelden wat onheilspellende woorden, zwaaiden een wierookvat heen en weer en bestegen dan de trappen om post te vatten achter een geïmproviseerd altaar dat zich zes meter voor het oude hoofdaltaar bevond. Het kuchende volk keek toe, kreukte met tekstboekjes en verkende zijkijkend wie er allemaal was. Gebeden, geleden en geweend werd er om Veronique Vandenabeele, Simon Seys en Jozef Vandamme, allen woonachtig geweest te Verkavelgem, thans in een houten jas hier verzameld om ter aarde besteld te worden en opgenomen te worden in de vreugde van de Heer. Robert Vandenbroucke van café Retro vroeg zich nog altijd af of er die dag wat met zijn bier aan de hand was geweest. ‘Ze kwamen alle drie van de Retro’ moet zowat de meest uitgesproken en gehoorde zin geweest zijn de voorbije dagen. Ja, oké: maar het trio kende elkaar dan ook bijzonder goed. Ze gingen wel vaker samen op stap. Simon was nog kampioen met de schietlap geweest, en ook Veronique en Jozef hadden deze precisiesport beoefend. Dat was tijdens de hoogdagen van Schiet Maar Raak. De schietlapstand was ondertussen al overwoekerd door alles wat in vlak Vlaanderen aan wildgroen voorradig was. Robert Vandenbroucke merkte dat enkele mensen hem aankeken; hij betrapte er zich op dat hij half hardop aan het denken was. Dat gemurmel van de pastoors werkte blijkbaar aanstekelijk.

23-05-17

ANGEL (27)

De zon streelde al vroeg een flank van de Cruisberg. Boven de velden dreven statige nevelsluiers. Verkavelgem ontwaakte, gereinigd door het onweer. Jozef, die al tweemaal kort na elkaar in de vroege ochtend zijn bed uit gejaagd werd wegens hevige plasdrang – die verdomde bellen duivels bier ook – besloot dan toch maar op te blijven. Hij stak zijn eerste van een lange serie sigaretten op, hulde zich in zijn kamerjas en stapte het tuinpad op om een frisse neus te halen. Er was gezondheid blijven hangen na het late onweer van gisteravond. Iets wat een eeuwig leven zou kunnen doen verhopen.


Kuchend, gedachteloos en met lodderige ochtendogen slenterde Jozef tot bij de glorieuze rabarberformatie achter in zijn tuin. Toen viel zijn blik op dat ene rabarberblad. Samen met het tegenoverliggende blad leek het een grote kelk te vormen. Hij stokte even in zijn bewegingen. In het ochtendlicht had het blad een roze weerschijn, maar bovenal toonde het onmiskenbaar de fotokopie van het gezicht van Veronique. De nerven vielen exact samen met haar gelaatstrekken. Of was het inbeelding? Speelden de Duvels hem nog parten? Wat beschutte het dak van rabarberbladen nog meer in de vroege augustusochtend in een tuin in Verkavelgem, op achtentachtig steenworpen van de voorstad, bescheiden voorportaaltje van een rustiek landschap met een ‘berg’ op de nabije achtergrond, eerder een molshoop: de Cruisberg?

‘Verdoeme… ‘ deed Jozef.

Hij gooide zijn sigaret weg, bukte zich ontzet voor de struik en duwde de twee grootste bladeren opzij. Daardoor golfden er krampen over het gelaat. Terzelfder tijd leek een nevelsluier in de vorm van een gedaante in een lijkwade zich uit de struik los te maken en op te stijgen. Jozef merkte het niet. Met open mond en gesperde ogen staarde hij naar de afdruk van een tuniekjurkje in de vochtige aarde, zoals Veronique er gisteravond eentje gedragen had en waar hij nog aan had zitten frunniken. Het leek op de imprint van een gebroken ledenpop, hard ter aarde gesmakt, waarvan alleen de linkerarm een natuurlijke houding aannam.  
Was hier de bliksem ingeslagen en had die van Veronique een schroeiplek gemaakt? Was dit het watermerk van een gevallen engel na een duchtig onweer? Amper zichtbaar, maar toch duidelijk aanwezig, zoals engelen zelf ook alleen bestaan en spreken via luisteren en fluisteren?


Jozef hapte naar adem. Er vlamde een pijnscheut door zijn borst, gevolgd door een splinterbom van honderden door merg en been snerpende partikeltjes. Hij probeerde op te staan, maar dat lukte niet. Naar omhoog kijken lukte evenmin. Zijn blikken zeilden amper één keer over de oostflank van de Cruisberg vooraleer hij met een diepe zucht opzij kantelde en door de reuzengrote rabarberstruik omarmd werd.

20-04-17

ANGEL (26)

In het diepste geheim ontving Jozef van Arimathea, de eigenaar van de grond waarop zich de knekelheuvels bevonden, een kleine delegatie van de Elkesaïtische stokheren. Jozef, lid van het sanhedrin, dat zelf geen doodstraffen kon uitspreken (tenzij in geval van tempelschennis), was het allang oneens met de handelwijze van Pilatus betreffende de Nazarener. Hij onderhield geheime contacten met diverse oppositiegroepen. Jozef had voor zichzelf ook al een graftombe voorzien in zijn uitgestrekte tuin, niet ver van de knekelheuvels die hij aan de Romeinse bezetters verhuurde. Als laatste eerbetoon aan de opgevorderde die de plaats van hun militante Nazarener had ingenomen, stelde de delegatie voor (mits een afkoopsom) Simon van Cyrene na de kruisafneming in dat graf te begraven. Jozef van Arimathea ging na enig aandringen akkoord. Hij zou zelf de klus klaren. Hij ontving het geld in dank, maar verbond nog een voorwaarde aan de overeenkomst: hij wilde de sluierdoek van Veronica. Hij had namelijk de gebeurtenissen van de laatste uren van zeer nabij gevolgd. Het signalement dat van de Nazarener op die doek van Veronica was achtergebleven, had hem gebiologeerd. De stokherendelegatie beloofde er werk van te maken.

En aldus geschiedde. Terwijl Jozef de allerlaatste druppels bloed van Simon van Cyrene bij de afneming in een beker opving, zoals gevraagd door de Elkesaïtische delegatie, overmeesterden in de woning aan de Habadweg drie onherkenbaar gemaakte mannen Veronica. Ze waren niet alleen uit op het testament; ook de sluierdoek namen ze mee. Veronica verzette zich hevig; ze verweerde zich als een duivelin. Petrus verloor uiteindelijk zijn zelfbeheersing en met hetzelfde zwaard als waarmee hij tijdens de rustpauze op die avondwandeling de hogepriesterknecht Malchus het rechteroor afgehouwen had, stak hij Veronica in het hart.   

Het lichaam van Simon van Cyrene werd dus in de Arimathea-graftombe ondergebracht. Deze loco-gekruisigde vertoefde daar echter niet lang. Korte tijd daarna werd hij uit zijn graf weggehaald. Men wist niet door wie, maar het deed de ronde dat hij niet echt gestorven was aan het kruis. Hij zou als wandelende Jood voor eeuwig op aarde rondzwerven, op zoek naar het hem toegefluisterde testament.

De militie van de Nazarener dook maandenlang onder in de grotten ten oosten van de stad, tot de gemoederen ietwat bedaard waren, hoewel daar in die roerige tijden weinig sprake van kon zijn. Misschien verzorgden ze ondertussen ook de vreselijke wonden van de ondode Simon van Cyrene, die zij zelf zogezegd begraven hadden en even later weer in het diepste geheim ontvoerden?

De zwaardmoord op de vrouw aan de Habadweg werd toegeschreven aan de Romeinen: die zouden wraak genomen hebben op de onbekende ontvoerders van de Nazarener door de behulpzame Veronica te doden. Ze dachten op die manier de militie te treffen.

23-03-17

ANGEL (25)

Voorzichtig ontsluierde Veronica engele Babbe het testament. De bloedsporen op de rol en op haar sluier waren al bruin aan het worden. Vooraleer ze de vellen (blijkbaar waren er meerdere) open streek, viel haar blik op de sluier. Het smartelijke gelaat van de Nazarener stond er vrijwel geheel op afgedrukt. Gebiologeerd staarde ze naar de doek. Daarna boog ze zich over het bovenste vel, dat zich onwillig voortdurend weer op krulde.

Had de Nazarener door de onverwachte wending van zaken spijt gekregen van zijn gift aan een van zijn vriendinnen?
Nadat zijn ergste wonden wat verzorgd waren – de hele militie zat ondertussen weer veilig en wel verschanst in de quasi onbereikbare grotten van een rotsformatie ten oosten van Jeruzalem – , overlegde hij met zijn kompanen.
‘Was ik op de hoogte geweest van jullie plan, dan had ik natuurlijk de rol niet weggegeven,’ zei hij fel. ‘Waarom gaven jullie me geen informatie?’
‘Te riskant,’ repliceerde Judas. ‘We dienden te vaak een beroep te doen op tussenpersonen. Niemand is nog te vertrouwen heden ten dage. Hoe minder iedereen weet, hoe beter. De Romeinen hebben ook hun luistervinken. Zelfs onder ons. Die hoofdman vormde onze grootste hindernis. En duurste. Eh… we wilden wat jou betreft ook het voordeel van de verrassing. Sorry. Eh… de rol?’
‘Ja… de rol,’ papegaaide de Nazarener nijdig. ‘Mijn testament. Dat is nu in handen van die Veronica. Een vrouw. En… ‘
‘Dat is toch een goede vriendin van je?’
‘Ja. Ja ja. Maar mijn geschriften zijn nu niet bepaald vrouwvriendelijk.’
‘Tja… ‘
‘Vrouwen weren we toch uit onze militie? We hebben er van in het begin al over gestemd… ‘ 
De Nazarener inspecteerde nu met pijnlijke grimassen en gesis tussen zijn tanden enkele wonden.
‘Verdomd… dat snijdt door merg en been… au… au… ‘
‘Dan moeten we daar iets aan doen,’ kwam Petrus tussenbeide.
‘Gezien de onverwachte ontwikkelingen en in het belang van onze zaak zullen de spitsen van onze militie helaas een bezoek aan Veronica in de Habadweg moeten brengen. Het zit er dik in dat ze mijn testament nu al gelezen heeft. Aangezien ik toch nog in leven ben en aangezien ik van mening ben dat een man een woord is en een vrouw een woordenboek, zullen we moeten ingrijpen. Neem nog een derde man mee.’
Judas en Petrus stonden prompt op. Het woord van de leider was wet.
‘Oordeel naargelang van de situatie,’ verordende de Nazarener nog, terwijl hij zelf bijna ononderbroken sissend en lucht inhalerend zijn talrijke wonden verder depte. ‘Gebruik geen nodeloos geweld. Pols de vrouw Veronica eerst. Ondervinden jullie dat ze een en ander gelezen heeft, handel dan. Jullie weten wat je dan te doen staat. Collateral damage, jammer genoeg. Altijd te betreuren. Deze wending had ik echter nooit kunnen voorzien. Ik strompelde een zekere dood tegemoet, en die vrouw betekende toen mijn laatste hoop om vooralsnog het testament in veiligheid te brengen. Anders was het in handen van de Romeinse vijand gekomen.’
‘Ze zouden het inderdaad op de Schedelberg ontdekt hebben,’ bevestigde Johannes, die in opdracht van Petrus de stoet gevolgd was tot op de terechtstellingsheuvels. ‘Ze hebben die Simon van Cyrene volledig ontkleed. Niets bleef verborgen. Ze dobbelden zelfs voor zijn mantel.’
‘Het ware goed dat die man onmiddellijk vlakbij begraven kon worden; ga ook eerst even langs bij Jozef van Arimathea, maar kijk goed uit of jullie niet gevolgd worden. Jozef heeft er een graf dat reeds af is. Betaal hem voor de bewezen dienst. Johannes: ga ook maar mee. O, en vraag of Jozef voor enkele druppels bloed van die Simon kan zorgen. Hij verdient het mijn bloedbroeder te worden, al is het dan postuum. Hij is jezusfactorpositief.’
‘Ja heer.’
‘Waarom heb je die rol niet vooraf aan iemand van ons toevertrouwd?’ wou Judas nog weten.
‘Alles gebeurde te vlug. Voor ik het wist, was ik overgeleverd aan de vijand. Die avondwandeling… ’
‘Welja, precies: en donderdagavond dan? We zaten dan toch samen aan tafel?’
‘Maar toen kon ik nog niet weten… ‘
De Nazarener zweeg abrupt en bleef Judas met een onbestemde blik in de ogen aankijken. De echo’s van de onweersdonders leken zich nu te verwijderen. Het geruis van hevige regen – een zeldzaam verschijnsel in deze streken – had eensklaps opgehouden. Een verfrissende bries met een aangename geur woei de grotten in.
‘Ga nu maar,’ zei hij dan met een korte hoofdknik. ‘Au… au… !’

20-02-17

ANGEL (24)

Veronique en Jozef frunnikten wat met kleren, bepotelden elkaar af en toe en wisselden zatte moppen.
‘Ik moet dringend pissen,’ deelde Jozef na twee-en-een-halve Duvel mee.
‘Niet te lang wegblijven, liefke.’
‘Nee nee… even lekken,‘ antwoordde hij dwaas. Hij pootte zijn kelk op het salontafeltje neer en stapte onzeker naar de wasplaats achter de keuken. Toen ze door de openstaande deuren het geklater van zijn water hoorde, net niet overstemd door het vochtige geruis van het onweer, kreeg ze opeens ook een felle aandrang. Niet te doen. Het water kwam haar zelfs in de mond. Maar dit huis had godgenageld maar één wc. Ze haastte zich naar buiten, de diepe duistere tuin in, waar grote droppen hemelwater op het gebladerte pletsten. Verdorie, ze was zatter dan ze dacht. En alles was ook natter dan ze dacht. Ze gleed voortdurend uit. Over het smalle tuinpad laverend, bereikte ze de grote rabarberstruiken achter in Jozefs tuin.
‘Au! Au au au!’
Het laatste stuk van dat verrekte tuinpad was met lege in de grond geschroefde flessen afgezoomd. Een van die flessen was gebroken. Veronique was er met haar volle gewicht en haar zomersandaaltje op gaan staan, zich voorover buigend om enkele rabarberbladen opzij te duwen teneinde er een ongezien plasplekje te improviseren. Schroeiende glasstekels doorboorden haar voetzool; de pijn snerpte tot in haar borst. Ze schrok zich rot en kukelde kermend in de rabarberstruik. Gulpen bloed welden uit haar sandaaltje op. Ze eyeballde ontzet tegen de bliksemschichten in, heftig met haar armen wiekend, op zoek naar een houvast in deze vochtige kosmos. Hierbij mepte ze met haar rechterpols ook nog eens op de schervenfles die daarnet haar voet had doorboord. Fluks knapten haar aders. Ze zonk met een zucht achterover in de rabarberweelde, waarvan de twee bovenste van elkaar wegbuigende bladeren langzaam rood kleurden. In deze kelk vermengde haar bloed zich met de lauwe zomerregen en biggelde dan tappelings en sappelings van de bladeren af. De beide sappen verzamelden zich nog even in de grote gleuf van het onderste blad vooraleer ze de aarde bereikten, drup na drup na drup.
‘Bab… bab… bab… ‘ klonk het.

Nadat Jozef zijn dronken lulletje had afgeschud en (zijns inziens) voorlopig weggeborgen, constateerde hij het verdwijnen van Veronique.
‘Godvers retrowijf.’
Hij haalde zijn schouders op, stak nog een sigaret op en pakte zijn Duvel weer vast. Het was niet de eerste keer. Drank deed sommige mensen wel vaker verwarren tussen beslissingen en opwellingen. Ze had hem zelfs al eens een blauw oog geslagen zonder dat ze wist waarom. Morgen misschien. Of overmorgen. Dan zou hij haar pakken. Hij moest ook eens thuis kunnen blijven, verdomme. Die verrekte tuin vroeg aandacht. Hij goot haar bier bij het zijne en dronk rechtopstaand alles in één keer op.

26-01-17

ANGEL (23)

De drie laatste gasten in café Retro te Verkavelgem hoorden en zagen het onweer naderen.
‘Het is weer te geweldig geweest,’ merkte patron Robert op, met een nijdige knik naar buiten.
‘Ik verhuis naar Thailand,’ besliste tandeloze Simon.
‘Goeie tandartsen daar!’ sneerde Veronique. ‘A voyage with a dental plan!’
‘En ik naar de Carabijnen, of hoe heten die hoelahoepeilanden ginder ook weer,’ zei Jozef. Hij graaide zijn rookspullen bijeen en stond op.
‘Hi hi, voor die paar druppeltjes?’ sneerde Veronique. Ze kon haar r-klanken niet meer de baas. ‘Wat voor mannen zijn jullie toch?’
‘Subiet regent het oude wijven,’ articuleerde Simon, uitdrukkelijk in haar gezicht kijkend. Toch moest hij weer van haar wegkijken, want zijn mededeling werd gevolgd door een enorme hik. Hij greep naar zijn borst om de pijn te bezweren.
‘Een doodshik,’ constateerde Veronique met lijzige stem. Ze stak haar zesentwintigste sigaret op, rookverbod of geen rookverbod, mijn botten.
‘Nu, ik moet toch stilaan sluiten,’ zei Robert. Met brede strijkbewegingen begon hij het toogblad schoon te wrijven.
‘Yes, let’s call it a day,’  sprak Jozef anderstalig.
Onwillig schuifelden ze het café uit. Het zag er menens uit met dat onweer, dat hun drinkplannen een uur te vroeg in de war stuurde.
‘Recht naar huis hé, gasten,’ riep Robert ze zoals gewoonlijk na.
‘Waar anders?’ antwoordde alleen Veronique, ook zoals gewoonlijk.

Met onvaste stappen gingen ze huns weegs. Ze zetten er wat spoed achter, want het gerommel naderde nu zienderogen, van de kant van de Cruisberg.
‘Ik voel al een paar druppels.’
‘Godverdomme.’
Een felle bliksemschicht verlichtte de omgeving. Simon wrikte zijn sleutel in het slot en mompelde wat tegen zijn drinkkompanen. Hij was het eerst thuis. Veronique en Jozef mompelden wat terug en staken er nog wat meer vaart in. Vlak nadat de deur dicht was geklapt, werd Simon andermaal door zo’n worgende hik overvallen. Een pijnbom deed zijn borst ontploffen. Hij greep naar zijn keel en zeeg neer.

‘Komaan schatje,’ zei Jozef.
Veronique gooide haar sigaret weg en nam zijn uitgestoken hand vast.
‘Een spurtje tot bij mij thuis?’
‘Your place or your place? Hihihi!’
Het hoekje om en twee straten verder ploften ze in de sofa neer.
‘We zijn eraan ontsnapt.’
‘Zeg dat wel. Straks breekt de hel los. Een Duvel?’
‘Merci, graag. Anders zaten we toch nog bij Robert.’
Veronique en Jozef nestelden zich even later met enkele Duvels tegen elkaar aan, terwijl de eerste waaiwinden die een onweer voorafgaan aan de Verkavelgemse boomkruinen en struikgewassen rukten. Het gedonder werd menens; geknetter was in de maak. De donkere bult van de Cruisberg stak dreigend tegen de lucht af. Het begon wellustig te regenen.

09-01-17

ANGEL (22)

Was de veroordeelde Nazarener tegen zijn wil in door de bende ontvoerd? Wellicht niet. Niemand verlangde ernaar om aan gekruiste balken genageld en met een speer doorboord te worden. Stak er meer achter de opvordering van een willekeurige toeschouwer? Was Simon van Cyrene betrokken? Wellicht niet. Het testament waarover de te kruisigen man hem informatie toefluisterde, zal hem waarschijnlijk meer geïnteresseerd hebben dan een bloederige dood aan balken.

De actie was voor rekening van de zogenaamde ‘stokheren’, een militante Joodse organisatie van Elkesaïeten. Twaalf van ze hadden bij het laatste avondmaal aangezeten. Zij hadden het decuria dat voor de Nazarener verantwoordelijk was, omgekocht met klinkende munt. Zij hadden ze ook dronken gevoerd, via tussenpersonen, enkele uren voor de kruisoptocht begon. Het was de leider van de Elkesaïtische stokheren die de decurion had gevraagd om onderweg iemand willekeurig op te vorderen die even de plaats van de Nazarener in zou nemen. Dat diende te gebeuren voor de stoet de Oostelijke Weg zou dwarsen. Meer uitleg kregen de Romeinse soldaten niet; ze legden zich daarbij neer na een extra handvol smeergeld en knikten dat ze akkoord gingen.

24-12-16

ANGEL (21)

De decurion had het meest tijd nodig om weer bij zijn positieven te komen. Hij braakte tot tweemaal toe en spoog een tand uit. De meeste van zijn mannen bleven versuft op de grond zitten.
‘Overeind!’ brulde hij dan. ‘Overeind!’
Hij sprong op, gevolgd door de anderen, terwijl het spottende gejoel alsmaar aanhield.
‘Opzij! Opzij!’
Niemand week. Van de kapers was ondertussen geen spoor meer te bekennen. De decurion koos eieren voor zijn geld. Hij vreesde verborgen dolken en messen onder de Joden. En hijzelf en zijn decuria waren van hun speren beroofd. 
‘Vooruit!’ brulde hij dan weer, terwijl hij met zijn zweep Simon van Cyrene rechtop ranselde. ‘Vooruit! Naar de kruisheuvels! Vergelding!’
Hij merkte dat de groep voor hem al een dertigtal meter voorsprong had, en achter hem botste een andere groep al bijna tegen ze op. De decurion van die groep riep hem spottend toe: ‘Eentje kwijtgespeeld?’
De hoofdman haalde gekrenkt zijn schouders op. Hij ranselde vloekend en brakend op de weeklagende Simon en op zijn eigen soldaten in.

Drie kwartier later hing de genaamde Simon van Cyrene, door de Romeinse escorte opgevorderd uit de toeschouwers na de tweede val van de man met de doornenkroon, gekruld als een vraagteken van schroeiende pijn aan het kruis dat bedoeld was voor de met geweld gekaapte Jezus de Nazarener. 
Bliksems scheurden de hemelen aan flarden en donders roerden de doodstrommen voor dertien kermende veroordeelden verspreid over de knekelheuvels op het grondgebied van Jozef van Arimathea. Eén knekelheuvel zou later Golgotha worden genoemd, of Calvarieberg, of Kruisberg. Het graf dat de grondeigenaar er toch al liggen had, zou met toelating van Pontius Pilatus gebruikt worden als laatste rustplaats voor de aflijvige Simon van Cyrene, die echter luttele tijd later ergens anders ondergebracht zou worden door dezelfde militie die de Nazarener uit de doodsstoet weggekaapt en ontvoerd had.

Ondertussen was Veronica engele Babbe buiten adem thuisgekomen. Verscheidene keren had ze achterom gekeken, uit angst voor mogelijke achtervolgers. Nog voor het onweer echt losbarstte, bereikte ze haar woning aan de Habadweg. Haar borst ging snel op en neer. Minutenlang nog bleef ze met het in haar sluier gewikkelde testament tegen haar hart geklemd zitten, niet één keer met haar oogleden knipperend. Daardoor was haar grote omslagdoek op borsthoogte rood geworden, net als haar sluier zelf. 

21-11-16

ANGEL (20)

Ze ontdeed zich van haar sluierdoek, stapte onbevreesd op de bloedende man toe en depte met de doek zijn aanschijn. De soldaten maanden haar tot spoed aan. Terwijl dat gebeurde, siste de veroordeelde door de doek heen: ‘Hier, vlug, voor ik weer val: mijn testament. Pas op: het is nieuw. Het vervangt het oude. Verstop het op je lijf; niemand mag het zien.’
Terzelfder tijd toverde hij (ietwat beschermd door de sluierdoek) met de ene hand een rol vellen uit zijn verscheurde gewaad. Veronica aarzelde geen seconde, moffelde het razendsnel in haar doek en maakte zich weer uit de voeten. Blijkbaar had niemand de overdracht in de gaten gehad. Ze klemde de doek stevig tegen haar borst, waar haar hart hamerde hoog in de versnelling. Toen ze nog eens omkeek, zag ze hoe de man voor de tweede keer bezweek onder zijn balk-met-dwarshout. De Romeinen ranselden er vloekend op los.

Veronica engele Babbe haastte zich nu ongesluierd tegen de mensenstroom in naar huis. Iedereen leek ondertussen naar de hoofdweg gestuwd te worden, waar dead men walking in een vreselijke geselstoet vooruit sjokten, hun knekeldom tegemoet. Er waren niet minder dan dertien groepen, die telkens een veroordeelde in hun midden hadden. Aan de kruisheuvels zelf troepten inmiddels al honderden rampnieuwsgierigen samen. Sommigen hadden ook al het begin van de stoet gezien en waren dan ijlings via een omtrekkende beweging naar de plaatsen van de terechtstellingen gelopen. De duifgrijze lucht verschoot nog een tint of twee donkerder. De eerste bliksemserpentines wapperden boven de stad. Het was bloedheet, maar het zweet van de mensen voelde koud aan. Het was de temperatuur van een laffe stad die het in stilte uitschreeuwde.    

Die tweede val was er te veel aan. De soldaten plukten willekeurig een mannelijke toeschouwer uit de dikke rijen ramptoeristen en verplichtten die de doodsbalk een eind op zijn schouders mee te zeulen, in plaats van de veroordeelde.
‘Een koning mag toch niet sterven als een hond op straat!’ spotte een van de soldaten.
Na enig protest van de man en dreigementen plus zweepslagen van de escorte zette de stoet zich weer in beweging. Van die gelegenheid maakte de man met de doornenkroon gebruik. Hij naderde strompelend de opgevorderde drager en fluisterde hem toe zonder hem aan te kijken: ‘Rep je naar het huis van de vrouw die daarnet mijn gezicht depte en breng samen met haar mijn testament in veiligheid. Ze heet Veronica. Zoek haar. Hoe heet jij?’
Even gluurde de man verbaasd opzij, in het bebloede gelaat van de veroordeelde.
‘Testament?’ vezelde hij tussen zijn tanden. Daar had hij wel oren naar.
‘Ja, ik smokkelde het daarnet met haar mee. Vind haar. Hoe heet je?’
‘Simon. Simon van Cyrene.’
‘Doe het, Simon. Straks is het weer mijn beurt. Maak je daarna onmiddellijk uit de voeten,’ fluisterde de veroordeelde met aandrang. ‘Het is belangrijk!’
‘Maar waar woont die Veronica?’
‘Langs de Habadweg. Doe het, Simon!’
‘Wat lopen jullie daar te konkelfoezen?!’ riep plotseling de escorteleider. ‘Voortmaken!’
Ongerust tuurde hij naar het donkergrijze zwerk, terwijl hij blindelings de drager enkele zweepslagen toediende. Uit de immer bewegende onrustige mensenhagen stegen kreten van verontwaardiging en afkeuring op.
‘Voortmaken!’ brulde de decurion weer. Hij rekte zich even uit en ging op de tippen van zijn tenen staan om voor en achter poolshoogte te nemen hoe het eraan toe ging bij de andere ploegen met hun veroordeelde. Hij voelde aan dat hij zelf met zijn eigen decuria de zaken niet echt onder controle had. Er ging te veel dreiging uit van de opeengepakte nieuwsgierigen, waarboven die zware loden luchten gedrapeerd waren. Zijn soldaten waren dronken, alle acht. De sfeer was broeierig en leek met de minuut verhitter te worden. Hij proefde bloed, zweet, stank, zout. En er zat een verdomde houtsplinter in zijn duim, die hij er maar niet uit kreeg. Andermaal probeerde hij…

Toen gebeurde alles razendsnel.

Ter hoogte van de Oostelijke Weg weken de mensenrijen aan weerskanten plotseling uiteen. Gejoel en gebrul zwollen aan. Vijftien, twintig onherkenbaar gemaakte mannen verrasten de decuria totaal. In groepjes van twee, drie tegelijk en geholpen door omstanders vloerden ze ieder een soldaat, smakten die tegen de grond, ontnamen hem zijn speer en voeren daarna de veroordeelde mee in een dreigend terugdeinzende falanxorde, waarbij de mensenrijen aan de oostelijke kant zich vlot openden en weer sloten. Alles gebeurde in een handomdraai. De decurion had amper de tijd gekregen om op te kijken vooraleer hij met een mokerslag tegen de lever op de grond gekwakt en even overmeesterd werd. Simon van Cyrene, doodsbang voor het vooruitzicht dat ze misschien ook hem op een van de knekelheuvels zouden kruisigen – met die Romeinse dronkenlappen wist je maar nooit – keek pas na de coup ontzet om zich heen. Hij zag zijn escorte overeind krabbelen, beroofd van hun speren, grijpend naar hun hoofd, ballen, voorovergebogen, beduusd, duizelig, dronken en sommigen onder het bloed. Maar waar was… !?
Het werd Simon zwart voor de ogen. Hij viel op zijn beurt met de kruisbalken ter aarde neer.

30-10-16

ANGEL (19)


Met elf donkere slagen dicteerde de torenklok het aanbreken van het drieëntwintigste uur van het etmaal. Babbe telde inwendig mee, ondertussen aan haar kutje krabbend. Even kwam er beweging in het geslacht van de Allerhoogste Mensenzoon. Een purperen rimpelinkje trok doorheen de beide ballen. Het daarbij horende lulletje leek zich te willen manifesteren als het vogeltje van een zwartewoudkoekoeksklok, maar alras verschrompelde het goddelijke lid weer tot de eeuwenoude stand van zaken, in zichzelf verzonken en gerimpeld. De Gekruisigde had niet echt een krimp gegeven.

Men (‘men’ zijnde de mensheid gedeeld door de mens) is in de waan (synoniem: men denkt) dat toeval bestaat. Neen. Het onbestaat. Het bestaat het niet te bestaan. Zo was engele Babbe eigenlijk niet toevallig ter aarde besteld. Ook al tuimelde ze zogezegd etc… etc … Nee: Babbe ondernam een queeste naar het verloren gegane Boek der boeken. Ze was uitgezonden door Bengele Tengele, de opperengel uit de zesde hemel, ooit een geliefde van Lucifer. En hier school ook een verborgen agenda achter: engele Babbe moest intelligence verzamelen betreffende de activiteiten van Lucifer op aarde. Er deden namelijk geruchten de ronde over een roman en een wereldhit die de gemoederen van de mensheid al te zeer konden beroeren. En dat was niet goed voor de wereldbalans. De opperste heerscharen waren hierover ongerust.

Het etherische wezen wervelde nu naar de galerij van de veertien statiën in de sacristie. De grote verkeerde lieveheer aan het kruis (een met het hoofd naar links neigende Gekruisigde dus, die vooral aandacht heeft voor de slechte moordenaar aan zijn linkerkant, het begin van de rechtspraak en de bevrijdingstheologie) had haar met een onmerkbare knik van zijn hoofd de weg gewezen. 

‘Statie 6 en statie 7 verdienen nauwgezet onderzoek,’ had Bengele Tengele gezegd. ‘De statie van de vera icon en vlak daarna die van de tweede epileptische aanval van de man die op de Knekelheuvel toe stapt.’
Engele Babbe boog zich voorover om de doornenkroon op het hoofd van de koning der Joden nauwkeuriger te bekijken.
‘Een encefalogram,’ mompelde ze. ‘Goedenavond Meneer, u neemt het me niet kwalijk dat ik U en mezelf in één adem twee gevallen noem?’
Met in haar linkeroog de zesde statie en in haar rechteroog de zevende statie staarde ze daarna net zo lang tot er beweging in de taferelen kwam. Al vlug voelde ze zich samenvallen met de gebeurtenissen pakweg twee millennia geleden.

07-10-16

ANGEL (18)

Engele Babbe mocht zich gelukkig prijzen dat ze op openbaar grondbezit terecht was gekomen – weliswaar via het afstapje van een privéluifel. ‘Voor hetzelfde geld’ zoals ze hier zeggen, werd engele Babbe op zo’n privéterritorium  ter aarde besteld, waar de eigenaar haar fluks kon kooien en te werk kon stellen als engel-van-plezier. Het draaide dus anders uit. Haar malse kontje daalde uit duifgrijze luchten in openbaar Verkavelgem neder, en ongezien. Hoe dan ook: Babbe ventileerde zichzelf nu op hielhoogte door het pre-onweerachtige Verkavelgem.
(‘Ventileren’: er is geen ander woord dat het vooruit bewegen van een engele correct weergeeft. Het betreft een combinatie van sierlijk schrijden en pijlsnel suizen. In de angelieke literatuur wordt hier het ouderwetse ‘vliegen’ gebruikt.)


Niemand zag haar. Dat kon ook niet: wereldlijken konden deze angelieke verschijning niet zintuiglijk waarnemen. Alleen een bewegend of verplaatst voorwerp waar ze eventueel tegenaan botste, kon haar aanwezigheid verraden. Maar wanneer zoiets gebeurde, schreven de stervelingen dat toe aan de wind, verstandsverbijstering of dronkenschap van henzelf. Mochten ze het sappige wezen in het aangelaat kunnen aanschouwen, dan zouden ze wis en zeker uitroepen: ‘Maar is dat Vicky Leandros niet?!’ En ze zouden dan doelen op de jonge Vicky Leandros die in de vorige eeuw zulke mooie liedjes zong. Deze Vicky, Griekse halfgodin met ook nog iets Duits erbij, had toen voor talloze goede huisvaders de bijtgare natte droom betekend.

Ter zake.

Engele Babbe gaf eerst acte de présence in de kerk. Ze ventileerde zichzelf door de gesloten toegangsdeur, stevende op het hoofdaltaar af, mompelde in quick motion een engelse groetenis en bekruistekende zichzelf Vlaams-orthodox, waarbij het laatste klopje ook links eindigt, ter hoogte van het hart. De man-an-de-lat was namelijk een verkeerde lieveheer; hij neigde naar links, luisterend naar de slechte moordenaar.
‘Het riekt hier naar een lang afgesloten slaapkamer,’ constateerde ze hardop. Even wapperde ze met de onderste regionen van haar tuniekjurkje, als wou ze kwade geuren verdrijven.
‘We are not amused!’ klonk het dof en pijnlijk van op de grote crucifix. 
‘Inbeelding,’ dacht Babbe, maar toch keek ze even op naar de Gekruisigde. De Kerel gaf geen krimp. Ze detecteerde spinrag tussen kin en rechtertepel. 

08-09-16

ANGEL (17)

I, 02


Er viel nog iemand uit de lucht.
Engele Babbe, met name.

Dat gebeurde in Verkavelgem, op achtentachtig steenworpen van de voorstad: een bescheiden voorportaaltje van een rustiek landschap met een ‘berg’ op de nabije achtergrond, eerder een molshoop: de Cruisberg.
Het marktje in Verkavelgem leek eerder op een korte landingsbaan. Het was een strook tussen de kerk en wat als hoofdstraat door moest gaan, met aan weerszijden enkele winkels en twee horecazaken. Ideaal als landingsplaats voor een vliegende schotel.

Anno 20XX landde er daar inderdaad iets. Het was geen vliegende schotel. Het was een jonge vrouw. Ze kwam op een avond in augustus zo uit de lucht gevallen. Vanuit het oosten. Nou, vallen. Ze diende niet van straat geschraapt te worden, zoals het cliché dan luidt. Haar nederdaling werd gebroken door de luifel van eethuis De Vlaschaard, die uit heel sterk weerbestendig zeildoek bestond. De gevallen engele (Babbe zou ze blijken te heten) veerde met een dwaze buiteling nog een keer op, landde ten tweeden male, gleed dan van de luifel af en hupte lenig als een turnster op het trottoir.
Geen levende ziel had deze teraardebestelling gezien. Alleen Patrick van De Vlaschaard had een doffe klap gehoord.
‘Het gaat donderen,’ had hij geconstateerd. ‘Het gaat het weer niet houden, dat weer. Het is te geweldig geweest.’
Niemand luisterde, knikte of beaamde, want hij was alleen in de bijkeuken. Het betrof overigens een draak van een mededeling, verpakt in een cliché als zilverpapier: het kleinste kind voelde dit donderweer zo aankomen.

Voorwaar: diezelfde avond nog brak inderdaad een onweer los, dat de vergelijking met het tempeest in ‘De Vlaschaard’ van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels kon weerstaan. Maar toen was engele Babbe al in soesland, ergens te velde, in een moestuin onder reuzengrote rabarberbladeren.

Hupsake!

Babbe vormde met beide handen een kommetje om haar neus en schudde zich even als een natte hond. Daarna zeilden haar blikken over de verlaten hoofdstraat. De stoelen op de terrassen stonden al voorovergebogen tegen hun tafels geleund. Hier en daar flikkerde een tv-scherm even op. In de verte klonk wat gerommel. Het halfduister achter de ramen van café Retro herbergde nog drie gasten, als vraagtekens gebogen aan de toog: een vrouw en twee mannen – een ware Hopper in Verkavelgem.    

Door wie (Wie?) was deze engele gezonden?
Betrof dit een waarachtige Godsgezant?
Een tegenwicht (Wicht) voor Lucifer?
Of was dit (letterlijk) ook een gevallen engele?

Die laatste vraag was de moeilijkste, maar alvast dit. Een verklaring kan soms eenvoudig zijn: engele Babbe was simpelweg door een gat in de ozonlaag getuimeld en zo op de aardkloot gedonderd. Een hemelachtige voorzienigheid had haar veilig en wel, maar toch met een himmelhoche snelheid door een glijschacht geleid en heelhuids, nou: heelengels, ter aarde besteld. Er was alleen ter hoogte van haar neus wat ijsvorming, die alras ontdooide. Maar toch… misschien was hier nog iets anders in het spel… iets waar stervelingen geen vat op hebben.

09-08-16

ANGEL (16)

Plotseling manifesteerde zich dof gerommel in de nabije verte. De wolk met zwart vocht en vuur was in aantocht, voorafgegaan door een legertje wattenproppen.
‘Godverdefuck, dat had ik over het hoofd gezien,’ vloekte Lucifer. ‘Het weer speelt hier altijd een vuile rol in dat kloteland. En het landje is verdomd zo klein dat het niet eens een serieus weerbericht kan hebben.’
De honden waren daarnet al verstard en muildood in hun vlakke positie gebleven, toch nerveus en bang tot in de puntjes van hun oren. Ze pasten in het plaatje van de Bambruggestraat als Pompei. Nu begonnen ze zacht te janken.     
Als een ongewenste zwangerschap naderde de donkere wolk al vlug de voorstad. Straks zou de hel losbarsten, zoveel was zeker.
‘Ah! Daar rukt de bloedmelk aan!’ riep Lucifer. ‘Weer of geen weer!’
Erik kwam omzichtig met drie glazen aandragen, terwijl hij met één oog ongerust naar de lucht keek.

‘Godverdefuck!’ papegaaide hij nu ook.
In de belendende tuin dreef een babyrookwolk.
‘Mijn aubergines!’
Hij plantte de glazen ijlings op de tuintafel neer en repte zich via de trapladders en het loopbrugje naar zijn (nou: Franklins) keuken.
‘Nog vlug even… op de valreep… ‘ zei Lucifer, terwijl hij ook een bedenkelijke blik omhoog wierp. ‘Terwijl je lieverdje de aubergines is gaan blussen… mijn plan met jullie.’
‘Eindelijk,’ verzuchtte Marlize. ‘Eindelijk komt het ervan.’
‘Ik doe jou een roman cadeau en ik geef Erik een wereldhit. Jij bent de moeder van allebei. Alles komt van jou. Jullie worden mijn Adam en Eva. Sorry: Eva en Adam. We hebben een verbond; we hebben daarnet onderling al sappen uitgewisseld. Een tegenzet voor de Allerhoogste.’
‘En Franklin dan?’
Even look Pasja een oog.
‘Franklin heb ik met jullie steun naar de hel gezonden; hij heeft nu een hondenleven. Hij was te hebberig. En te vet. Aardig van hem om te stelen, daar niet van, haaks op het auteursrecht, maar nee. Bovendien had ik voor mijn plan een koppel nodig. Een duo met problemen. Een individuo waar een comeback voor nodig was: aantrek en afstoot, twee stukken van één kont, zeg maar. Dat leest en luistert allemaal veel lekkerder weg. Mijn evangelie moet ook verkocht raken hé. Ik ken de markt. Vandaar ook eh… mijn mirakel met de menshond hier. Of zal ik zeggen: hondmens? Three is a crowd; two is… a hell of a job.
‘Waarom mag Erik dit niet horen?’   
‘Mm… heerlijk!’
Lucifer stak zijn neus omhoog in de verschroeide lucht die hen vanuit de aanpalende tuin tegemoet woei.
‘Zijn comeback bij jou geeft hem al meer dan genoeg satisfactie. Succes moet bij hem met mondjesmaat in gelepeld worden. Ha ha ha… ! Wat zeg ik!? Hi hi ! Ik denk aan daarnet in de gang… ‘
‘Ja ja… al goed.’
‘Hij is een man hé.’
‘Wat bedoel je daar mee?’
‘Een niet-vrouw.’
‘O, juist.’

Er stak wind op. De onweerswolk  snelde als een kudde woedende zwarte schapen het luchtruim boven de voorstad tegemoet.
‘Ooigevaar! Ooigevaar!’ riep de duivel spottend.
Ondertussen klauterde de niet-vrouw weer over de beukenhaag.
‘Red de bekers van het Verbond!’
Lucifer greep naar de glazen Bloody Mary, deelde ze uit, tikte, knikte en dronk. Op datzelfde ogenblik weerklonk intens geknetter, dat door merg en been sneed. Een zigzaggende serpentine doorkliefde de lucht. Dichterbij volgde nu een knal.  Onthutst keken Marlize en Erik opzij. Waar Lucifer had gestaan, hing alleen nog een solferwalm. Op het kunstgras vormde zich een melkachtig plasje. Ze hoorden nog vaag het uitstervende gerinkel van zijn cocktailglas, als een windklokje. Vlak daarna sausde de regen naar beneden. Onzichtbaar tussen het onverdroten neervallende hemelwater daalden ook duizenden kleine naakte putti neer gewapend met vlammende zwaarden die in aanraking met de regen duizendvoudig gesis veroorzaakten als in een reuzensmidse.

17-07-16

ANGEL (15)

Mosterdgeel zonk de zon weg in de augustusavond. De achterkant van de beide huizen nam in de laatste gloed van de dag oud-Bulgaarse proporties aan: lagen natuursteen, kruiswoordraadselachtige kloosterstenen in balkankleuren, houten dwarsbalkjes, orthodoxe glasramen en gebeeldhouwde series hakenkruisen wisselden elkaar in een vreemd soort symmetrie eclectisch af – een beetje zoals het cyrillische schrift: grillige maar toch beheersbare meetkunde. De koperen ploert deed duidelijk haar werk – hallucinant.
‘Dit is niet jullie balkon, maar jullie Balkan,’ grapte Lucifer. ‘En zoals je ziet: de wereld draait vierkant in het rond. SATOR AREPO TENET OPERA ROTAS. Heb je mijn hoofdletters gehoord?’
Hij aaide de honden over hun kop en schoot zijn sigarettenpeuk tussen duim en wijsvinger weg.
‘Tuinfeestje?’ suggereerde hij. Ze knikten.
‘Waarmee laven we onze dorst? De Devil’s Sperm is op, helemaal op. Nietwaar, Pasja?’ zei Erik.
De zwarte poedel hief schaapachtig zijn kop en leek te kokhalzen, als een kat die een haarbal in haar maag voelde tollen.
‘Een Bloody Mary?’ stelde Marlize onderdanig voor. ‘Erik maakt die als geen ander. Ze zijn erg lekker.’
Bloody it is,’ knikte Lucifer. ‘Mag ik je feliciteren met de keuze. Doe wel wat kleren aan als je de drankjes maakt, Erik. Ik wil namelijk geen vetogen op mijn Bloody zien drijven. Het is geen kippensoep hé. En breng die hotdog mee. Geen aubergines voor mij; er zijn grenzen aan de gezondheid. Hotdog is goed.’
Denise en Pasja hieven geschrokken hun kop. Hij plantte zijn vork in de grond naast het kruidenperkje en plofte in een ligstoel neer. Erik verdween gekrenkt naar de keuken.
‘Mooie bikini, bijna bikiniks, sappige borsten, en zoveel!’ wees Lucifer met een hoofdknik. ‘Prachtige vooruitzichten, voorwaar! Ben je zwanger?’
‘Dat zou dan van jou moeten zijn, hoorndrager, sedert vijf minuten. Maar ik wil geen kind met hoefjes.’
‘Ja, we waren lekker hotdog hé.’
‘Flauwe mop, demon.’
‘Hebben de honden al gegeten?’
‘Die komen niks te kort.’
‘Wat een cliché. Zelf al eens hond geweest voor pakweg een week of twee in de zomervakantie?’
‘Komaan zeg.’


Lucifer aaide de beide koppen weer, maar de beesten reageerden niet. Ze lagen als in doodsangst te rillen en te sidderen, zonder ook maar een poot te bewegen.
‘Hoe gaat het met je roman? Vlot het een beetje? Verkondig je wat ik je heb opgelegd? Het opblinken van de gekartelde kanten van de mensheid? Het uitroken van de hartkamers? Het zingen van de zwarte ziel?’
‘Het is een pak van mijn hart dat ik in één grote gulp de achterkant van mijn hart kan afstoffen. Beroepshalve moet ik het anders altijd doen met korte zinnetjes en sloganeske tekstjes hé. Wij maken het verschil, van dat soort moegeluld geouwehoer.’
‘Spaar de mensheid niet. Mens = men x acht miljoen. Een zootje. Er moet balans in gebracht worden. Er kome evenwicht! Lees ze de les. Draai ze een loer.’
De duivel wond zich nu waarachtig even op.
‘Laat die fucking bitch roman op ze af!’

14-06-16

ANGEL (14)

Het was de duivel in hoogsteigen persoon.
Hij stond zowel aan de voordeur met het huisnummer 66 als aan die met 68. Marlize en Erik schrokken zich een bult toen ze zich even voorover bogen om te zien wie bij de buur had aangebeld. Fata morgana?? Spiegeltweeling??
‘Ik kom je halen,’ zei hij tegen Marlize.
‘Ik kom je halen,’ zei hij tegen Erik.
Zijn blikken gleden onbeschaamd over hun blote bast. Hij ontkleedde ze moeiteloos tot op de draad.
‘Maar eerst gaan we een feestje bouwen. Zijn de eierplanten gaar? Is er ook hotdog? Ja hé?’
Lucifer tikte met een grote vork op het trottoir.
‘Ik zorg voor het vuur, hi hi hi! Mannen en vuren: een oud verbond.’
Vurige vlammen dansten om zijn lendenen; verzengende avondzonnehitte verschroeide nog altijd de straat. In de verte manifesteerde zich een wolk zwanger van zwart vocht en vuur, maar dat merkten ze niet. Marlizes dundoek smolt in een oogwenk; Eriks handdoek ging krullend als een snipper papier in het vuur  op in het niets. Ze deinsden allebei een stap achteruit. Daarop verliep de visitatie van de duivel zeer intens: hij harpoeneerde zijn purperen lul in de mond van Erik zowel als in de kont van Marlize (die zich in een vluchtreactie omgedraaid had). Er was geen ontkomen aan deze prompte stijfheid. Harde Lust muss sein!!
‘Een woord vooraf!’ riep Lucifer. ‘Intro! Aangekondigd bezoek! Beleefder kan niet! Mondje! Kontje! Hondje! Ha! Ha! Ha!’
Lucifer kwam klaar gelijktijdig in huisnummer 66 en 68, woest met zijn vork boven zijn hoofd wiekend. Een grote vloedgolf haastzaad bevolkte de uithoeken van haar provinciën en zijn zevende gehemelte. Met bezwete koppen en kil kippenvel alom ondergingen de gastvrouw en de gastheer de penetratie. Ze werden koud gepakt bij een temperatuur van om en bij de 38 graden Celsius. In de beide gangetjes walmde een solferlucht. Ondertussen weerklonk in de tuin het klaaglijke janken van Pasja en Denise, af en toe begeleid door het rammelen van kettingen.
‘Brr… Lekker. En straks Erik en Denise, en Pasja en Marlize, op een bedje van kunstgras? La hondition humaine?  La kontition enchientée?’ riep de duivel hees, terwijl hij zijn rokende lul weer uit mond en kont trok.
‘O… Ik spreek vele talen… hoe onvolkomen ook… maar hoor ik daar ook kettingen? Wat een kruisbestuiving! The Beast is alive… and kicking and ketting!
‘Djeezes! Je bent zat, Lucifer,’ bracht Marlize het er moeizaam uit. ‘Je bent lazarus. Wat heb je in hemelsnaam gezopen?’
‘Devil’s Sperm?’ opperde de duivel grijnzend. ‘Mijn aubergine zocht zich een weg naar een liefdesgrot. Wat vloeit, wil vast worden. Wat vast is, wil vloeien. Denk inderdaad aan Lazarus, de Bijbelsukkel, de afgesmoltene.’
‘Vuile verkrachter die je bent!’
‘Stembanden oké, notenkraker?’ vroeg hij spottend aan Erik. ‘Lekker gesmeerd? Toontje hoger zingen, achternicht? Of ben je liever als holbewoner aangesproken? Naai ik je een rieten rokje aan? Duurt twee helften lang.’
‘Misdadiger!’ fulmineerde Erik. ‘Lafaard! Gedegenereerde homo!’
‘Ho ho ho Vinquier-Vervecken! Rustig maar. Wik je woorden. Noem mij bijvoorbeeld heilige misdadiger. Of aartsengel. Vergeet niet dat ik een hoge positie had in de hemel hé! Ik miste uiteindelijk alleen de aandelenvergadering. Ietwat andere agenda, ja. En daarnet bewees ik die hogere positie in je hoofdgleuf, ha ha ha! Knielen heb je gedaan. Knielen tot je kreukte in je huidplooien en je bilspleet ondertussen de afgod van de achternichten dankte. En ja: ik ben nedergedaald op deze aardkloot. Beetje gedegradeerd, dat wel. Dat geef ik toe. Maar ik heb ook het hoogterecord. Wie doet me dat na?’
‘Hotdog?’ bracht Erik nu zwakjes in, bang naar de tanden van de vork loerend.
‘Ja,’ zei Lucifer. ‘Vast voedsel. Maar eerst het navocht van mijn aubergine beheersen.’
Hij bracht een van de tanden van zijn vork in zijn lendenvuur en schroeide er  daarna zijn lul mee dicht.
‘Moet ik je kut eerst nog dichtnaaien?’ bood hij Marlize aan.
‘Nee,’ zei ze. ‘We zijn hier niet in Somalië. Dit is een geschaafd land. Ik wil wel mijn Tunesische stranddundoek terug.’
‘Komt onmiddellijk voor de bakker. Jij ook je mediterraan lendendoekje terug, Jezus Vinquier? Of moet ik Vervecken zeggen? Djeezes: ga je vaak met Jetair weg? Koop eens een andere handdoek.’
‘Daag me niet uit.’ repliceerde Erik, inmiddels ietwat bekomen van de verkrachting. ‘Ik heb ook nog wat textiel van Thomas Cook liggen.’
‘Dacht ik het niet, rokjesdrager,’ antwoordde Lucifer, terwijl hij een Laurens 48 opstak.

08-05-16

ANGEL (13)

Er lagen enkele weken zomervakantie in het verschiet. Als in een roes zette Marlize zich aan het schrijven. Ze was zwanger van een roman. Een allesverzengende bitch met een franke muil en ontembaar libido speelde er de hoofdrol in. Kruistochten in liefdesnaam! Vuur en vlam! Erik maalde kilometers, tilde kilogrammen, temde honden (die hij nu zelf ook op oneven dagen uitliet) en berekende gezondheidsprogramma’s voor de fitnessers in Shakespier. Eind augustus zou hij de muziekprijs uitgereikt krijgen op een plechtigheid in de hoofdstad. Hij geleek ondertussen al volledig op de identiteitskaart van Franklin Vervecken. Hij bewoonde diens huis de helft van de tijd en daalde via een loopbrugje op twee trapladders ook zeer regelmatig in de tuin van Marlize neer: koken, neuken, tv-kijken en drinken deden ze samen. De honden vergleden in een zomerse halfcoma. De hitte werd hun vaak te bar; ze brachten heelder dagen languit door, hijgend met hun tonglappen ver uit hun muil.

Eenzelfde droom kan nogmaals gedroomd worden. Zelfs meerdere keren. Op een bloedhete valavond – de zonnehitte was de straatbedekking veruit aan het koken – werd er aangebeld. Dat gebeurde gelijktijdig zowel bij Erik als bij Marlize. Ze konden allebei de beide belsignalen horen. Pasja en Denise kwamen grommend half overeind. Erik griste een handdoek van het droogrek, bond die om zijn middel (hij was in zijn ‘eigen’ keuken een verrassingsschotel met aubergines aan het prepareren – een staaltje van naaktkoken) en ging opendoen op hetzelfde ogenblik waarop ook Marlize in her birthday suit gewikkeld in een Tunesische stranddundoek haar eigen deur voorzichtig opende.

02-04-16

ANGEL (12)

Zestien dagen later arriveerde bij de heer Franklin Vervecken in de Bambruggestraat het heuglijke bericht dat hij de laureaat van de NNMMA-wedstrijd geworden was. In verband met zijn inzending RacecaR was er sprake van unanimiteit in de vakjury. De weken daarvoor hadden Marlize en Erik Vinquier de nodige maatregelen getroffen betreffende Franklins school. Ze hadden zijn huis overhoop gehaald en zowel telefonisch als papieraal als digitaal de noodzakelijke administratie verricht om hem gedurende de maanden mei en juni buitenspel te zetten. Een paar luttele (vervalste) documenten stuurden hem naar een alcohol- en vetontwenningskliniek in het groene hart van een aanpalend buurland. Het ging om mentale en fysieke gezondheid bij hoogdringendheid. De schooldirectie diende dus voor vervanging te zorgen. De maanden juli en augustus vormden geen probleem; alle leraren in het middelbaar hadden dan immers vanzelf vrij. Erik en Marlize hadden zelfs de moeite genomen de stapel verbeterde huiswerkbladen die ze in een van de bovenkamers aantroffen in een postpakket naar het secretariaat van de school te zenden. Medio augustus zou de school geüpdatet worden betreffende een eventuele heropstart in september.

Erik Vinquier nam zijn intrek naast Marlize. De ‘comeback’ was dus toch een feit geworden. Na veel oefening en volgehouden routine ontpopte hij zich geleidelijk tot een aanvaardbare versie van de nieuwe Franklin Vervecken. De bewoners van de Bambruggestraat kenden elkaar immers nauwelijks. Hij goochelde met haarkleur, crèmes, kleren, kleuren, houdingen, loopjes en tics. Hij zorgde er voor dat hij zichtbaar ging joggen en aan gezondheid deed. Hij liep net snel genoeg langsheen deuren en vensters en tuinen van de stille Bambruggestraat, handdoek in de nek, zweetband om het hoofd om geloofwaardigheid te kweken: ja, die volslanke eenzaat Franklin was toch maar goed op weg naar een normaal lichaam! Goed bezig. Een aanwinst voor de buurt.
Marlize liet zich evenmin onbetuigd. Ze liet elke avond na haar werk twee honden uit: Denise de bruine hondin en Pasja de zwarte poedel. Die laatste was de lastigste. Hij arriveerde elke avond hijgend en snakkend naar adem aan de deur in de garagepoort, waar hij al helemaal niet door wou. Er deed zich dan telkens een scène voor. Wie scherper toekeek of zijn oor te luisteren legde, had kunnen denken dat Pasja iets wou roepen, zoals een mens dat zou doen. Maar de Bambruggestraat had net zo goed in gestold Pompei kunnen liggen: niemand schonk ooit enige aandacht aan het drietal, en zeker al niet aan die koppige kroeskop van een hond wiens schor gehijg elke avond verzandde in schril gepiep.  

02-03-16

ANGEL (11)

De Devil’s Sperm begon zijn werk te doen. Nog drie cocktails later, bij ondergaande meizon, wees Franklin met dramatisch gestrekte arm naar zijn dichtste bovenvenster en sprak tot zijn nog immer halfontblote buurvrouw en haar zwartzalmroze zaadtoeleverancier: ‘Ziedaar mijn zielenluik naar binnen gericht, mijn vergezicht naar buiten gericht, de hemelspiegel voor mijn instrument… ‘
‘… mijn fluitje van een cent… ‘ vulde Marlize aan, terwijl ze rechtopzittend in het midden van de schommelende hangmat haar evenwicht verloor en hikkend lachend slagzij maakte. Moeizaam klauwend kwam ze weer overeind.
‘Fluit nog eens voor de kokkelkop, toe,’ fleemde ze.
Denise de hondin kwam grommend overeind; een zwerm kwaad kwetterende vogels scheerde als een luftwaffe over de berkjes.
‘Jij niet, blafmachine!’
‘Wat zei je?’ vroeg Franklin, terwijl twee van de tuinstoelpoten waar hij op zat dieper in het kunstgras wegzonken. Hij morste wat duivelssap op zijn rechterbil.
‘Wie zaad slikt, kan fluiten.’
‘Ha ha ha ha!’ lachte Erik dronken.
‘Wat geven ze je in de refter op school te vreten, zangvogel Franklin?’
Marlize articuleerde langzaam, loom en lijzig. Haar roestige stembanden leken de woorden als met een trage hijskraan vanuit de peilloze poel van Devil’s Sperm in haar maag op te vissen.
‘Weet je wel altijd wat je achter je… tussen je… om het even… onder je tanden krijgt? Hé?’
Franklin keek haar dronken aan. Hij zag alles dubbel. Ze zat met z’n tweeën op de hangmat; de vier bikinibandjes hingen weer halfstok. Erik hing met z’n kloon languit in een ligstoel die steeds maar wegzeilde en terugkeerde. Zijn teelballen en zijn lam gedronken lul lagen buiten westen in zijn boxershort. Was er hier nog iemand? Geweest? Steeds weer meende Franklin dat dit zo was. Geweest was. Waar was hij? De omgeving veranderde voortdurend. Wie zat hier daarnet ook? Met z’n hoevelen…
‘… piano… vals gebit… uren hebben… muren hebben het gehoord… oren… zei ik… Erik… waar of geen waar… ‘
‘Devil’s Sperm!’ brulde Erik plotseling. Hij probeerde uit de ligstoel te komen en rechtop te springen om te toosten, maar dat lukte niet. Denise kwam overeind.
‘Franklin! Santé! Gezondheid! Op mij!’
‘Erik’s Sperm!’ joelde Marlize. ‘Een fluitconcert op Erik’s Sperm! Joehoe!’
Franklin boerde ongewild hardop en secondelang. Verschrikt probeerde hij hun blikken vast te houden. Zijn oogballen gingen echter ieder huns weegs. Hij tuimelde opzij met zijn tuinstoel, gooide gelijk zijn halfvolle glas in Eriks schoot en braakte dan wellustig een kruidenperkje onder. Denise stortte zich grommend op hem.

Franklin werd wakker met een hondenkop. In zijn muil overheerste de kotssmaak. Hij drapeerde zijn kop tussen zijn voorpoten en gaf zich over aan bodemloos ziek-zijn, zo horizontaal mogelijk. Aldus overbrugde hij een nacht en een dag – overgeleverd aan een kosmos van zinloze en zieke flitsen, spiralen, pijlen, slingers, sterren, zwarte gaten en walgelijke Melkwegvellen. Tussendoor zweefden er enkele toonloze noten, maar de ladders bleven telkens buiten zijn bereik. Af en toe gromde Franklin in deze ziekelijke halfslaap. Toen hij na een eeuwigheid misselijkheid eindelijk wakker werd, merkte hij dat hij in een hondenhok lag. Een zware ketting die van om zijn nek vertrok, leidde meanderend naar een stalen pin met een oog. Die was diep in een in de grond verzonken betonblok gedreven drie meter buiten het hok. Franklin balde ongeloof, paniek en nieuwsgierigheid samen en verkende zijn opgelegde territorium. Hij bleek net om zijn hok heen te kunnen; wrikken of sleuren aan de pin of met de ketting was totaal zinloos: zoveel was duidelijk. Hij blafte schril en keerde beschaamd omwille van zijn blote kont en zijn stomme ontsnappingspoging naar zijn hok terug.

01-02-16

ANGEL (10)

Franklin spoot zigzaggend enkele haastbuitjes Azzaro TWIN for MEN in zijn meest bedenkelijke huidplooien, harkte met zijn vingers zijn haar achteruit en spoedde zich naar de begane grond. Een uitnodiging in de Bambruggestraat deed zich maar eens om de duizend jaar voor. Dan moest je er voor zorgen dat je er goed uitzag en niet naar oude vis stonk.


‘’t Is Franklin hé? De naam. Dat wij al zolang buren zijn en… ’
‘’t Is Franklin,’ herhaalde hij dwaas, knikkend als een kind.
‘Marlize. De badgast is Erik. Wat heb ik daar gehoord?’
Dat mens viel godverdomme met de deur in huis.
‘Eh?’
‘Daarnet. Daarboven. Je floot iets.’
Marlize beeldde net iets te heftig uit wat ze bedoelde; een gulpje lekkers walste uit haar cocktailglas en pletste op het kunstgras. De hangmat schommelde vervaarlijk.
‘Oei. Overvloed. Wil je er ook één?’
‘Eh… bah ja… graag. Fluiten is een tic van mij.’
‘Nog een vakantiejob gedaan bij de bouwvakkers?’ lachte Erik. Hij herschikte zijn handdoek om zijn middel, waardoor zijn lul en klotenzak even een gastoptreden verzorgden.
‘Prepareer jij nog een glas, Erik?’ verzocht Marlize.
‘Aye aye!’
‘En doe wat kleren aan over dat kippenvel.’
Ze drapeerde de bikinibandjes weer over haar schouders.
‘Ik gooi de handdoek in de ring. Zo terug.’
‘Nee, serieus,’ vervolgde ze. ‘Daarnet, daarboven stond je te fluiten. Ik herkende het precies.’
‘Ik zit in de muziek hé, de hele dag. Ik loop driekwart van de dag te fluiten. Dat spaart de stembanden.’
‘Ah ja. Beroepsvorming hé. Zitten we met een nieuwe Ennio Morricone in de straat?’
‘Ha ha.’
‘Of een papegaai?’
Ze keek hem even scherp aan. Eigenlijk moest ze hem niet, hoewel ze nog maar zelden contact hadden gehad.
‘Neem een stoel. Erik is zo terug met de Devil’s Sperm.’
‘Straf spul?’ vroeg Franklin ongerust. Alcohol had de vervelende gewoonte ruis in zijn bloed te veroorzaken.
‘Zuiver natuur, zelf gefabriceerd: Mekhong whisky, Bulgaarse mastika, tulameenpulp, volle melk, een kwart van een madame Jeanette-peper, geen rietje.’
Franklin knikte gerustgesteld toen hij het woord ‘melk’ hoorde.
‘Devil’s… ?’
‘Sperm,’ vervolledigde ze. ‘Het duivelskwakje.’
Ze zwegen een volle minuut. In de Bambruggestraat wemelde het van zulke minuten.
‘Is Erik op bezoek? Ik herinner me… ’
‘Hij is terug. Woonachtig, bedoel ik. Hij is hier weer ingetrokken, ja. Ik had nochtans gezworen… Ach, jouw zaken niet. Dat ga ik niet aan je neus hangen.’
‘Aha. Tiens, wat een toeval. Een paar nachten geleden… Ik denk… Ik herinner me… ‘
‘Ja?’ Ze slurpte ongegeneerd van haar Devil’s Sperm.
‘Zou het kunnen dat hij in mijn dromen opdook? Jullie beiden? Vreemd hé… En nu… ‘
‘ … is hij terug, ja. Lukte het nog, Erik?’
Erik grijnslachte breed. Hij had een zwart T-shirt en een roze boxershort aangetrokken en droeg de cocktail voor Franklin als een maagdenkaars in een processie voor zich uit.
‘Hier, buurman. Een kwak gezondheid. Laat het je smaken.’
Franklin nam de bokaal in ontvangst.
‘Geen rietje, lekker slurpen. Bottoms up.’
Ze klikten even de glazen tegen elkaar.


Marlize richtte zich nu tot Erik: ‘Erik: zou het kunnen dat jij in een droom van Franklin hebt gefigureerd?’
‘Ja, in een Bulgaars vampierkasteel,’ lachte hij spottend.
Geschrokken slikte Franklin zijn eerste gulpje Devil’s Sperm door.
‘Maar ja! Daar was het! Een… zo’n… een soort spookkasteel. Rare kleuren. Bloed. En jij was er ook, buurvrouw. Jij was er ook.’
‘Tiens. Zou het dan zo zijn dat dromen zich wederzijds voordoen? Jij droomt van mij, dus ik droom van jou?’
‘Dat is dan een nachtmerrie!’ riep Erik uit.
‘De duivel… ‘ opperde Franklin hardop, terwijl hij in zijn glas staarde. ‘De duivel was er ook.’
‘Hoe zag hij er uit?’
‘Dat weet ik niet meer.’
Franklin nam nog een slok van het opake witte goedje, waarin een firmament van slierten en schilfertjes zweefde. Een Melkweg, voorwaar.
‘Jullie moesten dit de Milky Way genoemd hebben. Eigen brouwsel?’
‘Hi hi hi. Zeker weten! Vind je het lekker?’
‘Het is alsof engeltjes… Nee: sorry, geen clichés.’
‘Je hebt gelijk. Een cliché is als een kathedraal met duivenstront op.’
‘Doen wij niet aan mee, nee.’
‘Dat rijmt.’
‘Mijn prostaat in de Bambruggestraat… ‘
‘Hou op, Erik.’
‘Lekkere afdronk.’
‘Ik heb er hele karaf van gemaakt; hou je niet in.’


Marlize floot nu naar Erik: ‘Haal je er nog eens drie, schat? Het smeert de keel zo lekker en het werkt verslavend. Als we er aan toegeven, zijn we af van onze verslaving. Het fietst zo heerlijk naar binnen.’
‘Duivelssap komt eraan!’, riep Erik. ‘Drink jullie grondsop op, goddelozen!’
‘Zeg,’ zei Marlize, ‘nu je het zegt… bij nader inzien… ik was er inderdaad ook bij… bij jullie twee bedoel ik. Zou best wel eens kunnen, dat we elkaars droom bevolken. Of nee: dat we tegelijkertijd in elkaars droom zitten… hé… En ik had korte tijd daarna een werkstuk gereed waarvan ik niet begrijp hoe ik het in hemelsnaam klaargespeeld had. Het leek wel alsof het zichzelf geschreven had. Of dat iemand anders het voor mij gemaakt had.‘
‘Ik liep die dag met jouw hond aan de lijn naar huis! Onverklaarbaar, maar ik vond het… normaal. Alsof… Hoewel ik niet zeker weet… ’
Denise hief voor de eerste keer lodderig een ooglid. Ze had na Franklins entree haar mand in de keuken verlaten om zich na een aandoenlijk slakkengangetje over het pad naast de tuintafel neer te vlijen.
‘En ik zat dan op fonteineiland in het stadspark gevangen! Hoe ik in hemelsnaam daar terecht ben gekomen… de duivel mag het weten.’
‘Je neemt daar toch wel af en toe een natuurdouche na je rondjes hé,’ zei Marlize. ‘Als het weer het toelaat.’
‘Ja, maar… ‘
Ze keken elkaar vorsend aan en dronken gelijktijdig hun grondsop op.
‘Klopt dit wel allemaal?’
‘De duivel is ermee gemoeid.’
Erik sprong op: ‘Ik haal dus nog drie kelken duivelsmelk.’
‘Wacht eens. Heb jij ook… Jij hebt toch ook die droom gehad hé?’ vroeg Marlize. ‘Ja hé?’
‘Ik herinner me niet veel,’ antwoordde Erik. ‘Eh… of… potverdorie, Franklin, ja: zaten wij… zat jij niet… zat ik niet… in een kamer met eh … luciferkleurige muren? Hé?’
‘Zat… zat… zat… ‘ bouwde Marlize na.
‘Zie je wel! Dacht ik het niet!’ riep Franklin.
‘Ik herinner me hoogtevrees,’ zei Marlize. ‘En ik heb dorst. Zat. Die zat.’
Ze reikte haar leeg glas naar Erik. Franklin deed hetzelfde.
‘Is er nog?’
‘Er is nog zat, schat. En ik wring er nog wel verse uit.’
‘Goed. Werk je niet te pletter. Hou nog wat sappen over voor vannacht, ha ha.’

01-01-16

ANGEL (09)

Franklin had een vogelperspectief op de tuin van Marlize. Hij kon zelfs kiezen uit twee vensters. Wanneer hij niet aan de piano op de gelijkvloerse verdieping zat en schoolwerk verrichtte, gebeurde dat in een van die bovenkamers. Toen hij even opstond van een stapeltje corrigeerwerk – de muziekleraren lieten de laatste tijd niet meer zo erg met zich sollen als voorheen; ze berokkenden hun leerlingen ook huiswerk, zelfs nog laat op het schooljaar – ging hij werktuiglijk aan het venster staan om zijn blikken door de buurtuin te laten zeilen. IJlings trok hij zich weer terug: ze lag languit en half bloot te schommelen in de hangmat tussen de berkjes. Had ze hem gezien? Hij bleef een halve minuut naar zijn voeten staren. Ze moest na al die tijd toch wel doorhebben dat hij van hieruit vrije inkijk in haar tuin had? Omzichtig naderde hij weer. De bandjes van haar bikini (nou: eerder bikiniks, zo minuscuul als dat individuoding was) hingen werkloos over haar bovenarmen. In plaats daarvan zag je twee witte lijnen die over haar schouder liepen, striemen welhaast, alsof dit lichaam jarenlang rondgezeuld had met een rugzak verzwaard met stenen. Klaarblijkelijk controleerde Marlize momenteel de heide op brandgevaar: ze tilde de voorste rand van haar hemelsblauwe zeebroekje op en begluurde vanuit liggende positie dit landschap intens.

‘Bosschage, heide of vlakte?’ vroeg Franklin zich af, terwijl hij zich voor deze ene keer zijn vogelperspectief beklaagde. Denkend aan deze biotopen (‘Kan ze fluiten met haar schaamlippen?’) speelde zich in zijn hoofd andermaal het airke af dat ze vaak floot. Hij had het verder uitgebreid, bewerkt, gearrangeerd, in de schoolstudio professioneel opgenomen en daarna digitaal ingezonden voor de nationale instrumentale wedstrijd van NNMMA: No Noise More Music Academy. Het winnende nummer zou niet alleen een prijs van € 25 000 scoren, maar ook gepromoot worden in film- en tv-middens. De oplage van de mini-cd bedroeg 100 000 exemplaren.
Toen ze het panorama weer sloot en haar hoofd wendde, hupte Franklin andermaal achteruit. Vlak daarna hoorde hij een mannenstem. Die klonk hem bekend, zelfs vertrouwd in de oren. Erik? Weer spiedde hij door het raam. Gadverdamme. Het was die Erik weer, blote bast, badhanddoek om de lendenen. Die was toch weer verhuisd? Hij kwam met twee overvolle cocktailglazen aandragen.

‘De rokkendrager/rokkenjager is terug!’
Franklin begon zonder dat hij het besefte zijn kersverse werelddeuntje te fluiten. Hij merkte dat zijn buren nu bevreemd naar zijn venster opkeken. Damned: hij had de hor in laten zitten. Ze konden hem duidelijk horen, als stonden ze naast hem. Er greep even een kort gemompel plaats tussen de twee. Dan gebaarde en bewoog Marlize met haar cocktail: ‘Kom er een drinken!’
Franklin grijnslachte betrapt.
‘Ik?’ wees hij onnozel, zich in zijn omvangrijke buik prikkend.
‘Komaan!’ riep ze.
Ook Erik gebaarde nu uitnodigend.

28-11-15

ANGEL (08)

Vanuit het zuiden kwam plotseling met ver geraas een bloedgolf opzetten. Doorheen de lage panoramische ramen zagen ze de vloed op hen afkomen. Iedereen sprong op.
‘Doe iets, demon!’ riep Marlize.
Vloekend greep Lucifer naar zijn vork, die hij in een mum van tijd weer uit het plasje in de hoek liet oprijzen. Hiertegen was hij niet echt opgewassen. Ooit was dat anders. Met een vreemd flappend geluid afgewisseld met onderdrukt gebulder nam de donkerrode tsunami bezit van de aarde om ze heen. Lucifer hief zijn vork dramatisch om de spoeling wat te temperen. De bloedgolf bereikte echter maximaal een hoogte van een halve meter; ze voelden zich helemaal niet overspoeld. Bovendien bevonden ze zich op de derde verdieping van iets wat op een balkanpaleisje geleek. Ze kregen alleen een bloedsmaak in de mond en het gevoel van verandering dat door hun aderen ruiste. De bloedgolf knabbelde even aan het oud-Bulgaarse paleisje en kabbelde dan rustig verder. Dit luidde het nieuwe seizoen in.

‘We bevinden ons nu in het segment rechtsonder in het hakenkruis,’ deelde de duivel mee. ‘Een nieuw seizoen, een nieuw geluid.’
‘Maar hoe bekijk je het? Draai je linksom of rechtsom met die swastika?’ vroeg Erik.
‘Noch de klokwijzers, noch de noties linksom of rechtsom zijn voor mij van tel,’ antwoordde Lucifer. ‘Ik hou alleen van alles waar een haak aan zit, ha ha ha! Geef mij maar quantumbolle ruimtes! Onverwachte onvoorspelbare attractoren! Eenheden die zichzelf klonen!’

Het mosterdgele vertrek kwam in vuur en vlam te staan. Er deed zich een ontploffing voor. Ze hupten verschrikt achteruit. Waar Lucifer had gestaan, hing alleen nog een solferwalm.

Erik ontwaakte in het stadspark op een minuscuul eilandje omgeven door zeven fonteinen. Hoe was hij daar in hemelsnaam beland? Hij was niet eens nat.
Hij wachtte een min of meer onbewaakt ogenblik af en waadde dan terug naar het vasteland van het park. Thuis merkte hij dat hij een zwarte hoofdband omhad. Die had hij nooit eerder gezien of gebruikt. Uit wat voor rare kwade droom was hij gestapt? Had hij een rondje te veel op en had hij het bewustzijn verloren? Een barrière doorbroken?

Diezelfde zaterdagochtend liep Franklin naar huis met hondin Denise aan de leiband. Hij ging nooit van zijn leven te voet en zeker niet met een vreemd beest aan de lijn. Eigenlijk was het eerder Denise die Franklin aan de lijn hield. Hij deponeerde het beest aan Marlizes voordeur, belde aan en stapte dan vlug naar zijn eigen honk. Daar belandde hij na intens getob in een gedachteloze toestand waaruit hij pas tegen de middag kon ontsnappen. Had hij een suikercoma achter de rug?

Marlize bevrijdde zichzelf op dat moment tegen haar zin uit een trance, gezeten aan de keukentafel, opkijkend van een tekst die zichzelf geschreven had via haar hand en waarover ze intens tevreden was. Nooit eerder had ze op die plek zitten schrijven. De tekst had haar al anderhalve maand een stevige hindernis geleken en wellicht ook (bij niet-levering) een bepalende vertragingsbult in haar carrière bij reclamebureau H*BB*S. Nu lag die er… voor haar… perfect. Nadat er werd aangebeld, trof ze Denise op de drempel aan. Dat beest had toch zelf niet… ? Nee, onmogelijk. Of toch. Na vannacht was alles mogelijk. Vannacht? Marlize pijnigde haar hersenen, maar verder dan een vage herinnering aan een nachtmerrie kwam ze niet.

29-10-15

ANGEL (07)

Lucifer nam zijn tijd om daarop te antwoorden. Het betrof immers zijn tijd. Eerst fabriceerde hij in een mum van tijd een prachtige wiettrompet. Hij schraapte met zijn hoefachtige voet over de grond en een steekvlam bereikte de punt van zijn joint.
‘Iemand een trekje?’
‘Ik wil wel,’ zei Franklin.
‘Geen sprake van, notenkraker’ lachte Lucifer. Hij inhaleerde hardop implosief sissend en diep – zo diep dat de rook tot in de toppen van zijn tenen walmde.
‘Mm… lekker… beter dan een holbewoonster in haar kont nemen… of een achternicht in zijn mond… mm… ‘
‘Het niveau zakt zienderogen,’ mompelde Erik. Marlize verzette zich even op haar stoel. Franklin voelde de weeën van vluchtkak tussen zijn zithammen opkomen; wanhopig probeerde hij zijn sluitspier onder controle te houden. De mosterdgele muren begonnen te zweten.
‘Ha! Over niveau gesproken! Het zit zo… ‘ begon Lucifer. ‘De notendiefstal… die vetzucht… dat rokje… het onbegrip… de gefixte matchen… de schorsing… en dan die stomme gezondheidsrondjes… De kerfstok van je buurman en van je ex-lief, Marlize. Dat is allemaal mijn werk. Het is namelijk mijn taak om de tien geboden een zwik te geven, een eigen wending zeg maar, zonder dat dit echt opvalt. Gelijk bewijs ik hiermee de slechte aard van jullie, mensen. Beter te heersen in deze hel op aarde dan te dienen in een hemel die niet meer van mij is, nietwaar, stomme stervelingen? Ik… ‘
‘En wat heb ik dan mispeuterd?’ onderbrak Marlize fel. ‘Buiten het feit dat Erik een ex is en Franklin een buur? Ik ken die tien geboden niet eens.’
‘Aha! Een vraag met een wolfsangel! Van de senior copywriter!’
Lucifer sprak hierbij de sssss extra lang sissend uit. Hij nam daarna met een gelijkaardig implosief geluid een lange haal van zijn pretsigaret; andermaal verdween de rook spoorloos in zijn lijf zonder er weer uit te komen.
‘Jij gaat de tien geboden herschrijven, dame. Mijn versie. En dat zal in romanvorm gebeuren. Daarvoor heb ik een vrouw nodig. Alleen vrouwen kunnen schrijven. Mannen schrijven alleen op. Jij schrijft het nieuwe evangelie. Mijn evangelie, met name.’
‘En waar haal ik mijn inspiratie?’
‘Je hoeft alleen maar de levende levens van je ex-lief en je dikke buurman te volgen – er steekt stof in voor een trilogie. Jullie worden mijn nieuwe Drievuldigheid.’
‘Hela man!’ protesteerde Franklin, terwijl hij zijn zithammen optilde en half uit de sofa oprees. ‘Hondenmoordenaar! Nu weet ik het! Heb jij die hond vermoord?’
‘Die hond! Die hond! Ze heet Denise. Ken je nu nog haar naam niet?’ riep Marlize. ‘Maar…‘
‘Zit!’ zei de duivel scherp. Het plasje in de hoek siste even vervaarlijk. Franklin zonk weer neer, want een zwaar gewicht drukte nu op zijn borst. Erik zat stilletjes van nee te schudden.  
‘Hondenmoordenaar?’ herhaalde Marlize met gesperde ogen. ‘Mijn hond?? Denise??’
De duivel negeerde haar vraag. Hij maakte een weids armgebaar dat tien dingen tegelijk betekende.
‘Jullie zijn mijn apostelen. Ga heen en steel, roof, misleid, bedrieg, bedreig, lieg, verklik, ondermijn, verknoei en verknal. Jullie zijn mijn uitverkorenen. Vrouwen zonder kinderen eerst.’

29-09-15

ANGEL (06)

Toen Franklin bij zijn rechterachterband neerhurkte, keek hij stomverbaasd opzij. Een heerschap dat het midden hield tussen een advocaat en een imker hurkte namelijk krek naast hem neer. Hij viel helemaal niet op en hij viel ook heel erg op. Er likten vlammen om zijn lendenen. De kerel tikte met een belachelijk grote vork op Franklins schouder om diens aandacht te vragen.
‘Een minuutje van uw kostbare tijd, Mozart? Even luisteren naar mijn stemvork, ja?’
‘Eh… Wie ben… Je staat in brand, man!’
‘Geen tijd om te blussen. Niet erg. Kan ik je helpen?’
De kerel prikte met de vork in de band. Terstond losten alle vier de autobanden hun lucht.
‘Maar… verduiveld… ‘
‘Goed geraden! De duivel in hoogsteigen persoon. Sigaretje, vetzak?’
De duivel plukte een verkreukeld pakje Laurens 48 uit zijn binnenzak.
‘Nee. En ga weg.’
‘Ik wel. Waar vuur is, moet rook zijn, ha ha.’
De duivel stak de fik in zijn sigaret door die even in zijn eigen lendenvuur te houden.
‘O: bespeur ik hier hondenbloed?’
De duivel boog zich voorover om scherper toe te kijken.
‘Man man man, dat ziet er niet goed uit. Hier is een reddend gebaar op zijn plaats. Kom.’
Na amper één trek katapulteerde de duivel zijn sigaret weer weg.
‘Werk aan de winkel.’
‘Maar… ‘
Een onbekende macht tilde Franklin eensklaps op en even later voer hij in het vaarwater van de duivel boven het stadspark zonder de minste aanraking van zijn achtervolger, die hem nu zelf voorvloog. Spartelen noch protesteren hielpen. De duivel dreef de snelheid op en weldra hadden ze het luchtruim boven de stad verlaten. Nog nooit had de volslanke muziekleraar Franklin zich zo licht gevoeld.

De luchten in het oosten vertoonden een rossige weerschijn toen de duivel met Marlize landde op het dak van een gebouw in oud-Bulgaarse stijl. Hij nam haar mee naar een mosterdgeel vertrek met een glazen koepel. Omdat het vollemaan was, baadde de ruimte in kaaskleurig licht.
‘Sofa,’ knikte hij.
Marlize keek opzij.
‘Bienvenidos, compadres,’ grinnikte hij.
‘Sinds wanneer spreekt de duivel Spaans?’ grimlachte Franklin. Erik wierp haar een mak herkenningslachje toe. Omdat de duivel geen echte tijd en chronologie kende – hij rekende in eenheden van 3,5 jaar, ook negatief – zaten zij er al, vóór haar. Maar dat kon geen van de drie berekenen. De tijd van de duivel was niet de tijd van de mensen. De wijzers schraapten en schilferden op een andere manier de tijd af.
‘Jullie ook hier?! Hoe komen jullie… Kennen jullie elkaar?’
‘Ja… Nee… ‘
Erik en Franklin schudden ontkennend op de tweede vraag terwijl ze even naar elkaar keken.
Haar mond viel open van verbazing. De twee zaten schaapachtig naast elkaar in een sofa met bloedrood rozenmotief.
‘Vraag maar niks. Dit is wellicht een nare droom. Een nachtmerrie.’
‘Of een lachmerrie,’ grinnikte Lucifer. ‘Ik amuseer me te pletter.’
‘Wat is de bedoeling van deze ontvoering?’ vroeg Marlize.
‘Je bedoelt: topontmoeting,’ repliceerde de duivel, terwijl hij haar een stoel toeschoof. Met een kletterend lawaai gooide hij zijn vork in een hoek. Hevig sissend smolt die binnen de drie seconden tot een plasje de grootte van een hostie. ‘En ik spreek vloeiend Spaans sinds de Spaanse Burgeroorlog.’
‘We dromen hé? Zo meteen worden we wakker en… ‘
‘Jullie willen momenteel liever niet door mij geknepen worden om te zien of jullie al dan niet dromen. Ook slaapseks mag niet bruusk onderbroken worden, wisten jullie dat? Ha ha ha!’
‘Hou op met die onzin. Hoe heet je eigenlijk? Wie ben je?’
‘Lucifer. Satan.’
‘Enige betekenis?’
‘Lucifer is mijn hemelse naam; Satan mijn aardse. Ze hebben me mijn status van engel afgenomen en gedegradeerd tot demon. Maar dat pik ik niet. Ik beheer nog altijd een deel van het licht en ik begeer nog altijd dat andere deel.’
‘Wat hebben wij daarmee te zien?’
‘Ha! Een vraag als een vuurpijl!’
‘Wel?’
‘Wijze mensen vragen niet en geven evenmin antwoord.’
‘Je gaat ons toch minstens uitleggen waarom we hier zijn?’
‘Waarom is een duivelsvraag. Eigenmachtige constructie levert zogenaamde antwoorden op. Pretentie. De mens is een Steak Pretentie, goed gebakken in hellevuur. Stel liever vast dat jullie hier gewoon zijn. Bij mij, Lucifer.’
‘Wij eisen een verklaring!’ zei Marlize fel. Ook de sofagijzelaars knikten heftig.

29-08-15

ANGEL (05)

Erik Vinquier had een ongewoon beroep annex hobbelige carrière. Hij was doelman. Geweest. Na een steile vlucht in de landelijke voetbalcompetitie verkaste hij naar Italië, waar hij voor een eersteklasser speelde. Twee jaar later werd hij voor de duur van drie jaar en zeven maanden geschorst na bewijs van  medeplichtigheid aan het fixen van een aantal matchen. Vaarwel trillende netten en mollenpootje. Ex-doelman Vinquier werkte heden ten dage halftijds in de fitnessclub Shakespier aan de periferie van de stad. Sinds hij thuis bij voorkeur een rokje droeg, was zijn relatie met senior copywriter Marlize afgesprongen. Hij trok weer bij haar uit en verschanste zich tegenover het stadspark in een appartementsgebouw dat veel weg had van een honingraat. Op de vooravond van de nationale feestdag nodigde hij wat vrienden uit, bereidde spaghetti met frambozen en bekende dat hij graag vrouwenkleren droeg. Terstond groeide het avondje-outing uit tot een woeste verkleedpartij. Meteen ook werd Erik definitief persona non grata voor Marlize. Ze stopte voor de laatste keer zijn achtergebleven zeemansbroeken en –truitjes in de wasmachine en leverde die kraakvers omgaand af in een plastic zak aan de vooringang van residentie Parkzicht. Met een zwarte viltstift had ze er NO COMEBACK op geschreven. Zijn stalkgedrag beperkte zich daarna tot gezonde rondjes in het park, waar Marlize wel vaker kwam luchten, lezen of inspiratie opdoen.    

Toen Erik die vrijdagvalavond andermaal zijn rondjes aan het malen was, werd hij plotseling op de hielen gevolgd door een heerschap dat het midden hield tussen een advocaat en een imker. Hij viel namelijk helemaal niet op en hij viel namelijk heel erg op. Hij hield een reuzenvork vast zoals een speerwerper dat met zijn speer deed. Eigenlijk voelde het aan alsof Erik het gewicht van de halve wereld op zijn rug meezeulde. Er was ook die solferreuk. Nu trapte de achtervolger hem echt even op zijn achillespees, terwijl de vlammen uit zijn voetzolen schoten.
‘Godver!’
Met een ruk hield hij halt. Zijn hele gestel protesteerde; zweet spatte uit zijn hoofdband.
‘Geschrokken?’
‘Zelfs een standbeeld zou kippenvel krijgen. Wie bent u? Waarom achtervolgt u mij? En u staat in brand.’
‘Dag Erik Vinquier, voor de verandering in een sportbroekje gehuld.’
‘Ik vroeg wie ù bent. Ik weet al wie ik zelf ben.’
‘Sportbehaatje aan, Erik?’
De duivel – want hij was het in vlammenden lijve – strekte zijn linkerhand uit naar Eriks borstkas. Die deinsde achteruit.
‘Het is vrijdag, heer Erik. Het laatste hoofdstuk van de week. Het ruikt naar zeep. Ga je mee om zeep?’
‘Man ik ken je niet. Wat raaskal je… En het stinkt naar solfer, als je ’t mij vraagt.‘
‘Ha! Je ruikt doelgevaar!’
‘Wat voor de duivel… ‘
‘Slim kereltje. Hij staat voor je. Achter je.’
Het heerschap verdween eensklaps, om weer achter Erik op te duiken en met zijn vork even in diens kont te poken.
Very funny,’ zei Erik, maar hij werd bleekjes om zijn neus.
‘Zin in een luchtmisdrijf?’ grijnsde de duivel. ‘Je hoeft niet te antwoorden. Kom: mee met Lucifer.’
Het volgende ogenblik kliefde het tweetal al door de lucht. Eén ervan spartelde als een kater die in zijn nekvel gegrepen wordt, maar dat was totaal zinloos, gezien de diepte, nou: hoogte.

11-07-15

ANGEL (04)

Onverwacht tilde de duivel haar met één dwingende oogopslag en zonder haar aan te raken op en steeg met haar schreeuwende zelf naar het duistere uitspansel boven de schuimende boomkruinen. Daar zette hij koers naar het verre oosten, terwijl de huisdeur van Marlize diep beneden hen met een zware dreun dichtklapte. Denise verroerde niet eens een poot. Ze kon dat ook niet meer: ze was inmiddels in doden lijve echt wel de hond op de straat, want de duivel had gelijktijdig zijn werk gedaan zonder dat Marlize er erg in had gehad. Dat lag in zijn macht; hij kende immers geen menselijke tijd of chronologie. Spartelend en schreeuwend als een mager speenvarken werd ze mee de nachtblauwe lucht in gevoerd. Gelukkig voor haar was het donker, zodat haar hoogtevrees haar een ietsepietsie minder parten speelde. De duivel voerde nu de snelheid op. Naarmate ze verder oostwaarts suisden, werd de lucht vermengd met melkachtig witte slierten. Marlize staakte haar gespartel en geschreeuw en gaf zich willoos over aan de vleerduivel.

Toen Franklin de volgende ochtend achterwaarts zijn garage uitreed, hobbelde zijn achterwiel over een dode hond. Geschrokken stapte hij uit en constateerde dat hij de trouwe viervoeter van zijn buurvrouw in de prak gereden had. De trouwe kop lag als een vreemd voorwerp geknakt in een eigenaardige hoek ten opzichte van het lijf, waaruit een deel van de inboedel puilde. Verbouwereerd zette hij zijn auto aan de kant. Hij belde aan bij Marlize, terwijl hij onvolkomen pogingen deed om niet naar de overleden Denise te kijken. Tweemaal, driemaal belde hij aan. Af en toe slalomde een auto om het kadaver heen. Onverrichter zake keerde Franklin naar zijn auto terug.
‘Ruimdienst bellen!’ riep een voorbij zoevende ligfietser, terwijl hij het telefoongebaar maakte. ‘Kadaver op straat!’
‘Godver’ zei Franklin, die alleen maar vliegen en spinnen als huisdier duldde. Hij knikte, keek naar links en naar rechts, speurde de al net zo dode Bambruggestraat en de stille voorgevels af en nam toen een beslissing.


Vijfentwintig minuten later zat hij in de lerarenkamer van zijn school achter een automaatkoffie voor zich uit te staren.
‘Slecht geslapen, Mozart?’
‘Nee nee.’
‘Je zou het niet zeggen.’
‘Ewel, nu je ’t zegt: inderdaad. Vannacht wakker geworden door een harde knal. Soort van dreun die je ruggengraat doet rimpelen. Niet meer geslapen. Of maar half. Toen ik opstond voor een glas water in de keuken en een sigaret in de tuin leek er overal een verbrande reuk te hangen.’
‘Maar je leeft nog. Was ’t je sigaret niet?’
‘Amper. Maar ik heb gisteravond laat nog wel iets gecomponeerd. Er is eindelijk iets uit de bus gekomen.’
‘De geest moet bezig blijven hé.’
‘Ik kan nu aan die wedstrijd meedoen. Ik heb kans.’
‘We gaan duimen.’
‘Drie maanden niks… geen noot… en gisteren, plotseling… ‘
Franklin knipte met zijn vingers in het ijle.
‘Het komt wel vaker onverwacht hé, zo’n meesterwerkje.’
‘Zes uren les vandaag. Djeezes!’
Franklin boog zich weer over zijn bekertje inktzwarte troost en dook andermaal  diep in zijn gedachten. Had hij werkelijk dat buurbeest overreden? Wat deed het op straat op dat vroege uur? Buitengesloten? Verdwaald? Waar was Marlize gebleven? Nog in bed? En… gadverdamme!
Franklin nam een haastslok en holde dan plotseling de lerarenkamer weer uit. Stom van hem om dat niet eerst te controleren.
Hingen er nog hondenbrokken aan zijn achterwiel??

18-05-15

ANGEL (03)

Marlize zapte de tv wat harder en dronk een glas plat water in één gulp uit. Op een Duitse zender denderde een trein doorheen een landschap dat als idyllisch aangekondigd werd. Verder was er geen commentaar. Ideaal voor de slapelozen. Moffenland in al zijn rurale glorie.
Pianissimo: de belendende geluiden stierven nu uit en haar woede ebde weg.
‘Kokkelkop’, articuleerde ze hardop. ‘Kokkelkop’. Ze flitste de trein de duisternis in. Knisperend viel de tv nu zelf in slaap.

Toen werd er aangebeld. Marlize – reeds één voet op de onderste traptrede –  verstijfde. Op dit uur? Ze spitste haar gepijnigde oren, alsof ze hierdoor de identiteit van de late bezoeker kon definiëren. Bij de muziekleraar weerklonk niks meer. Geen noot. Aan de andere kant weerklonk nooit iets. Marlize wist zelfs niet eens hoeveel personen er in dat huis der ingeslapenen woonden.
Er volgde geen tweede belsignaal. Dat verontrustte haar. Een bekende zou aandringen. Een onbekende met snode plannen… nou, dom van haar: die zou natuurlijk helemaal niet aanbellen. Die zou zich op een andere manier een weg verschaffen. De enige die nog zou aanbellen, zelfs op dit gevorderde uur, was Erik. Gewapend met drank. Maar die periode was voorbij. Dat hij zijn pik maar in zijn eigen kont stak, de wurm. Denise reageerde al helemaal niet op het belgeluid. Ze lag uitgebreid in halfslaap in haar mand. Gewoonlijk reageerde ze met twee korte blafjes op de bel. Was er wel aangebeld daarnet?

Ja? Nee?
Toen besefte Marlize plotseling dat huppeldepup aan de deur via het erkerraam kon merken dat er hierbinnen nog volop licht was. Was het onbeleefd die schakelaar linksonder aan de trap in te duwen en slaapduisternis af te kondigen? Nee toch? Er bestond toch zoiets als een privéleven?   
‘Nee’, besliste ze dan. ‘Of ja’.
Denise gromde even in haar halfslaap.

Het was de duivel in hoogsteigen persoon.
‘Ik kom je halen’, zei hij. Vurige vlammen dansten om zijn lendenen. Hij tikte met de steel van een grote vork op de grond. Hij had iets van zowel een imker als van een advocaat: streng achterover geharkt inktzwart uitdunnend haar, een harige bijenborst, messcherpe vouwen in zijn broek, iets potsierlijks driehoekigs op zijn kruin met een voile waar je doorheen kon kijken, iets wat voor een toga of een cape door moest gaan. Hij rook zoet en zuur en verbrand tegelijkertijd. Er hing voortdurend wat rook om zijn hoofd. Hij sprak bekakt.
‘Je levende leven heeft lang genoeg geduurd’.
‘Wat voor de duivel... ‘
‘Net wat je zegt, ouwe meid’.
Hij grimlachte twee brokkelige rijen zwarte tanden bloot waartussen een roze stuk kauwgum geklemd zat. Een autokerkhof.
‘Maar… ‘
‘Tijd voor een zwanenzang. Ik draai even aan de volumeknop’.
Marlize sloeg zijn hand weg die naar haar linkerborst greep.
‘Vieze vent!’
‘Wat is daar nu vies aan? O ja, over vies gesproken, waar ik eigenlijk voor kom: kun jij de ketting van mijn fiets weer opleggen? Ik ben daar zo onhandig in. Ik maak mijn handen niet graag vuil. Toe, in de naam van mijn rijwiel: help ons!’
‘Ben je betoeterd? De duivel fietst niet.’
‘Laat je me niet binnen, engel?’
‘Moet ik de politie bellen?’
‘Ik wil alleen seks met jou, honnepon. Ik kick niet op kinky uniformen.’
Weer opende zich de schroothoop van zijn bakkes.
‘Viespeuk.’
‘Er ligt hier vlak voor je huis een dode hond op straat. Doe je er iets aan voor de eksters met zijn darmen gaan lopen?’
‘Daar tuin ik niet in. Lijkt wel een boekje van Pieter Hespe. Arm plot, mager motief. Reden te meer om weer vlug naar binnen te gaan. Slaap wel, Lucifer.’
‘Slapeloos, juffie, slapeloos ben ik.’
‘Waarom bel je hier eigenlijk aan? Op dit uur?’
‘Je hebt Erik en Franklin de duivel aangedaan. Ik kom je rekenschap vragen, kokkelkopje. Zoiets gebeurt altijd omstreeks middernacht. God houdt van symbolische getalletjes en tijdstipjes, de duivel evenzeer. Reisje met mij maken?’
‘O… O… spirits of the past hé… Beetje kersterig, vind je zelf niet? Waar gaan we naartoe? Het verleden? De toekomst? Het heden? Maar we zijn hier al  hoor, lucifersufferd. Bah, dat luchtje!’
Marlize wapperde met haar handen.
‘Gaan? Vliegen zul je! Buitenvliegen! Nu ben ik op mijn solfer getrapt. Ik en ik alleen beslissen over de eindbestemming. Wij beidjes dus… gezellig onder elkaar… hi hi hi. ’
‘Melige mop. Vreselijk duivels plan. Ik ben onder de indruk. Waarheen gaat de trip? Enkele reis naar de hel?’
’Hou nu maar je waffel, stervelinge.’

21-04-15

ANGEL (02)

Denise de hondin blafte uitbundig toen bazinnetje Marlize de deur tussen de garage en het woonhuis opende. Even kreeg de wind vrij spel.
‘Waf Denise!’
‘Waf waf waf waf waf waf waf!’
Denise ranselde uit pure domme vreugde haar eigen kont met haar staart.
‘Komt daar nou nooit eens iets anders uit?’, dacht Marlize. ‘Domme blafmachine. Doe eens iets… kats.’
Verse wanhoop belaagde haar gemoed. Daarom floot ze andermaal dat deuntje van daarnet, terwijl ze met Denise even de tuin in ging. Ze merkte het niet door de dichte beukenhaag: buurman Franklin hoorde het gefloten airke. Binnenkort zou hij door dat gefluit rijk worden. Verbaasd, gaandeweg gebiologeerd, dirigeerde hij zijn oorschelpen naar de bron van het menselijke fluitgeluid toe. Buurvrouw Marlize was weer haar lippen aan het tuiten. En hoe! Dat werd een hit! Dat was zo zeker als twee plus twee vier was.
Hij greep naar zijn iPhone 4S en capteerde stiekem, gescheiden door een dichte haag van een halve meter en zonder haar medeweten, een goedgevulde partituur van gefloten nootjes. Gefundenes Fressen.

Diezelfde avond nog ging muziekleraar Franklin aan de slag. Hij drapeerde zijn kingsize zithammen over het oppervlak van de pianotaboeret. Een dergelijke notencombinatie kon zijns inziens niets anders dan scoren, wereldwijd scoren. Via de scheidingsmuur bereikte de verdunde, gefilterde pianoversie omstreeks elf uur de oren van Marlize. Franklin was er zich niet bewust van dat die muur al jarenlang zijn klanken en wanklanken doorgaf, althans: wanneer hij intens bezig was met noten vreten. In opperste verbazing aanhoorde Marlize in gesmoorde vorm haar eigen airke, dat ze al die jaren al op onbewaakte ogenblikken floot en gefloten had. Ze hield al helemaal niet van die overspannen dooievisjesvreter, maar nu voelde ze razernij in zich opkomen. Die vetzak mocht dat niet van haar afpakken! Dat was haar rechtmatige eigendom!

Toen het onregelmatige notenkabaal maar niet ophield, bonkte ze woedend met haar vuist op de muur. Geen gehoor. Daar was die scheidingsmuur te dik voor. Alleen flarden van wereldhits in wording baanden er hun weg doorheen. Eenrichtingsverkeer. Ze bonkte een tweede keer op de muur. Vergeefs.
Verdomd. Eerst die gezondheidsidioot van een Erik en nu de pokkenherrie van volslanke Franklin. Tien minuten over elven. Te laat om nog aan te bellen. Overigens was dit een straat waar men niet bij elkaar aanbelde. Nooit. Het socializen beperkte zich tot korte dialogen en passant en hoofdknikjes in het openbaar. De Bambruggestraat werd vooral door nivea’s bewoond: niet in voor- en achtertuin. Het sociaal cement bestond er uit stijfsel. De huizen waren heiligdommetjes; de straat was niet meer dan een buizenpost om zo rap mogelijk toe te komen of weg te gaan.   

24-03-15

ANGEL (01)

HET OUDE TESTAMENT

 

I, 01


Marlize keek naar de schuimende boomkruinen die de lucht boven het stadspark schoonveegden. Dat ging gepaard met een aangenaam druisen – een weldaad voor de oren. Er dreven nog enkele wattenproppen in het zwerk rond. De wind rukte aan de haren van een jogger met witte hoofdband om. Zijn kapsel leek beurtelings geëlektrocuteerd en platgewalst. De jogger naderde haar bank. Zijn gesnuif won aan volume.
‘Marlize! Een depressie?’
‘Erik. In galop. Midlifecrisis?’
‘Waarom?’
‘De aardbol is rond. Waarom nog gaan lopen? Voor wie? Je komt straks jezelf weer tegen aan de onderkant van de wereld. Je loopt je eigen staart achterna.’
‘Ha ha.’
Erik huppelde even ter plaatse en vervolgde dan zijn parcours op leven en dood. Zijn kuiten hadden reeds de foeilelijke gespannen vorm aangenomen van een hobbysporter op middelbare leeftijd: iemand die vroeger via valse doktersbriefjes de gym- en zwemlessen omzeilde en jaren later verslaafd werd aan termen als ‘marathon’, ‘barrière’, ‘grenzen’, ‘melkzuur’ en ‘hartslag’. Te bruin verbrande kuiten, bah. 
Marlize dook weer in haar lectuur. Vijf minuten later naderde Erik alweer. Hij maakte blijkbaar rondjes.
‘Ik heb vannacht gedroomd dat ik een regenworm was’, hijgde hij.
‘Ik zie het voor me, Erik, helemaal.’
‘Ik kon verdorie mijn pik in mijn eigen kont steken.’
‘Het beeld wordt nog scherper, Erik. Loop heen. Je kont volgt. Morgen een rokje aan.’
‘Doe ik, Marlize.’
‘En kom niet meer terug! Bespaar me je zweetdruppels!’
‘Laatste rondje! Nog één keer loeren naar mijn kontje!’
‘Sommigen lopen als een pinguïn,’ dacht ze. ‘En hun eerste ei is hun smerigste.’
‘Rondjes op z’n hondjes!’ riep ze hem nog na.

Marlize klapte het pocketje dicht en mikte het ding in de afvalzak naast de bank. Het was een gratis pocketuitgave van het zoveelste whodunitje van Peter Hespe waarin een moord gebeurt en daarna via bladvulling duidelijk moet worden wie het gedaan heeft. Het dunne ding was vorige zaterdag aan het station en aan enkele warenhuizen gratis uitgedeeld. Promotie voor Hespe – toch echt niet meer nodig, want er liep zelfs al een gelijknamige tv-serie op het scherm van afgrijzen. Zappen, die handel.
‘En zo doodgewoontjes opgeschreven’, zei Marlize hardop vermanend tegen zichzelf. ‘Niks aan. Drie bladzijden duurt het om te beschrijven hoe een vrouw een sigaret uit haar handtas neemt (nee: ‘plukt’) en opsteekt, godverdomme. Dat is geen schrijven, dat is opschrijven.’
Marlize praatte wel vaker hardop met zichzelf, beroepshalve vooral. Een voorbijfietser keek even bevreemd opzij.
‘Niet tegen u, meneer. Boekenpraat.’
‘Kokkelkop!’ riep de man.
Hoorde ze dat goed? Verbaasd keek Marlize hem na.
‘Kokkelkop?’
Ze spiegelde naast de bank haar wezen in een allerlaatste overgebleven plasje hemelwater dat nog welwillend door de zon geadopteerd was.
‘Een paasei. Ik gelijk inderdaad op een paasei. Witte chocolade. Ik moet dringend naar Hawaï. Maar aan de vorm valt niks meer te veranderen.’
Marlize mikte haar kont op de vouwfiets en trapte zichzelf een beetje depressief naar huis in de Bambruggestraat. Wie kon liplezen, zou herhaalde malen het woord ‘kokkelkop’ ontcijferd kunnen hebben, dat als een praatballonnetje van tussen de eindstreep van haar lippen ontsnapte en de lucht in zeilde.
Toen ze afstapte en de fiets tot dwergproporties opvouwde, floot ze om zichzelf te troosten per ongeluk iets dat later een wereldhit zou worden.

18-03-15

ANGEL (intro)

ANGEL                                                                                  

                                            

Lucifers verblijf op aarde gaat niet onopgemerkt voorbij: hij scoort een wereldhit en publiceert een hoogvlieger van een roman. Daartoe bedient hij zich van stervelingen. Onderweg vallen daar natuurlijk slachtoffers bij. Ondertussen voltrekt zich nog maar eens een keer het passieverhaal, maar dan wel zoals het echt gebeurd is. De knekeltocht onder een brandende zon zit vol verrassingen. De man-an-de-lat is iemand anders dan de opruier die in de bekende canongeschriften voorkomt. Hij is misschien de verkeerde lieveheer. De gebeurtenissen worden ook doorspekt met bloedgolven, bijenaanvallen en hevige onweersbuien. Er is duidelijk iets op til, zowel in Jeruzalem als in Verkavelgem. Eigenaardige neerdalingen en opstijgingen doen zich voor. De duivel is ermee gemoeid. Want hij wil de wereld weer in balans brengen. Zijn balans.

 

Vraag: Wat is het tegenovergestelde van geloof? Geen ongeloof. Te definitief, te vaststaand, afgerond. Een soort geloof op zich. Twijfel.

Dat is menselijk, maar hoe zit dat met engelen? Kenden zij wel eens twijfel, zo halverwege tussen Allahgod en homosapiens? O ja: op een dag wilden ze toch wel eens weten hoe dat met Gods wil zat en verstopten zich mopperend achter de Troon, en durfden verboden kwesties aan de orde te stellen: antikwesties. Is het zo dat. Valt daar niet over te praten. Vrijheid, de bekende antikweeste. Hij herstelde uiteraard de rust, gebruikte werkgeverstrucjes à la god. Streelde hun ijdelheid: jullie zullen het instrument zijn van mijn wil op aarde, van de verlossingverdoemenis van de mens, het gewone gedoe enzovoort. En hocus pocus pas, einde van het protest, aureolen op en weer aan het werk. Engelen zijn eenvoudig tot bedaren te brengen; maak een instrument van ze en ze zijn meteen goed gestemd. Mensen vormen een hardere noot om te kraken, kunnen aan alles twijfelen, zelfs aan wat ze met hun eigen ogen zien. En àchter hun ogen. Wat, als ze met zware ogen wegzakken, achter gesloten kijkers aan het licht komt… engelen hebben niet erg een eigen wil. Willen is het oneens zijn met; je niet schikken; een afwijkende mening hebben. Ik weet het: de taal van de duivel.

(Salman Rushdie, De duivelsverzen)