12-04-18

ANGEL (40)

I, 07


‘Paus!?’
‘Paus!?’
‘Eén ervan,’ knikte Lucifer. Hij greep naar een volgende fles Christustranen en boerde krachtig.
‘Het wordt spannend!’

‘Tijdens de tweede helft van de veertiende eeuw en in de beginjaren van de vijftiende eeuw wemelde het van de kerkpausen. Het was een verwarrende tijd. Iedereen wiens naam ook maar eventjes op –us eindigde, of zijn naam daarop liet eindigen, claimde het pausschap. Nou, ik overdrijf wat. Dat zorgt ervoor dat de mensen onthouden wat je gezegd hebt hé. De Kerk – brr, dat woord! De volgende stap is Kerker – vertoonde barsten, ja zelfs borsten: er doken ook pausinnen op. Ikzelf zetelde op de pauselijke troon vanaf mei 1409. Dat was in Bologna. Teneinde verkozen te worden, had ik mijn omvangrijke netwerk op aarde geactiveerd. Toch zou mijn heerschappij het jaar daarop stoppen; samenzweringen tussen koningen en concilies zorgden daarvoor.

Mijn concurrenten, Gregorius XII en Benedictus XIII resideerden respectievelijk in Rome en in Avignon. Dat zinde me niet. Er zat ook nog een pausin in Avignon: Bartelijne Malfait, ofte Mollefayt/Mallefait/Mallefey(d) – de schrijfwijzen variëren, gezegd en geschreven paus Malfactus I. Zij verbleef in een luxebordeel, want zij predikte onvoorwaardelijk de liefde. Deze papissa was een van mijn minnaressen op dit ondermaanse. (Bengele Tengele in de zesde hemel vergeve het mij.) Zij was paus kunnen worden door zich als man voor te doen. Een medeplichtige samenzweerder hielp haar daarbij. Er was namelijk een stoel die een gat had in het midden van de zitting. Elke kandidaat-paus moest op de stoel plaatsnemen waarna een geestelijke onder de stoel voelde. Als die nadien de woorden Testiculos habet et bene pendentes uitsprak, was de kandidaat geschikt voor het pausschap. Hij heeft testikels en ze hangen goed. Nou, bij Malfactus I waren het andere zaken die goed hingen, dat kan ik jullie verzekeren. De medeplichtige deed zijn werk; als dank liet Bartelijne hem kort daarna uit de weg ruimen. Zij hield het een paar jaar vol als paus-zonder-kloten. Tot ze per ongeluk een kind uit haar schoot liet rollen tijdens een stoet; toen waren alle rapen gaar, maar dit doet hier niets ter zake. Laten we ons tot de hoofdzaken beperken.

Die Benedictus XIII, die dus ook in Avignon zat, was een (uiteraard verre) nazaat van de Lazarener. En die was in het bezit gekomen van de oorspronkelijke testamentrol van de Nazarener. De koopman die de rol ooit op een marktje had gekocht, de man van één van Lazarus’ stiefzussen dus, reisde namelijk op zekere dag met de grootste moeite en gesteund door zijn vrouw en kinderen in terminaal zieke toestand naar Frankrijk, waar hij Lazarus opzocht en hem de rol cadeau deed. Lazarus stierf bijna weer van vreugde toen hij de opgerolde vellen herkende. Het ding bleef in de familie, generatie na generatie. En het waren krachtige en vruchtbare generaties, want Lazarus was stevig uit de doden opgewekt: de genen gingen duchtig aan het werk en plantten zich gezond en gezwind voort. Uiteindelijk was het enkele eeuwen later nog dankzij die rol dat Benedictus XIII het ook tot paus schopte. Of althans: tot één ervan. De relikwie speelde een hoofdrol in zijn verkiezing.

Op dit punt bracht ik paus Malfactus I in het spel. De nagelaten geschriften van mijn boezemvijand moesten en zouden in mijn bezit komen. Die dure eed had ik gezworen. Ik zocht paus Malfactus I incognito in Avignon op. Nadat ik haar drie dagen lang in al haar openingen genaaid had – wat is een paus zonder kloten toch lekker –, ontvouwde ik haar mijn plannen. Diezelfde nacht nog zocht ze de vertrekken van haar medepaus op. Diens genen waren er de oorzaak van dat hij alleen van mannelijke openingen gebruikmaakte bij het alom verbreide spel der seksen. Malfactus I/Bartelijne Malfait maakte dus duidelijke avances in die richting. Vlak voordat de vreugdestoot plaats zou vinden, onthulde Malfactus I echter de ware toedracht van de zaak en verkrachtte ze Benedictus XIII door onder bedreiging van een pas geslepen kromzwaard zijn purperen kardinaal in haar gesperde liefdesgleuf te dwingen. De Heilige Stoel – jawel: de fameuze kakstoel met het gat in het midden – daverde hierbij van het onheil. De paus kwam niet klaar aan de voorkant, maar zette uit pure paniek alle sluizen open aan zijn achter-, nou: onderkant. De sluitspier in zijn spleet opende zich als een bruine zee terwijl zijn frontale staf zich onwennig in een vreemde grot bewoog. Hij scheet omstandig zijn galopkak dwars door de Heilige Stoel heen en gaf daarna door een eikelinfarct annex hartfalen de geest. Exit een van de pausen. De rest was een koud kunstje voor mijn geliefde papissa. De rol van de Nazarener was de hare. Als tegenprestatie neukte ik haar nog drie extra dagen lang, waarna ze mij uitgeput en verzadigd de vellen overhandigde. Daarna keerde ik terug naar Bologna. En hier liggen ze dus, als zaden in ’t kunstgras… ‘

26-03-18

ANGEL (39)

I, 06


Lucifer ging zitten en stak van wal.

‘De Nazarener bleef achter in de grotten van de Essenen om verder aan zijn autobiografie, zeg maar: testament te werken. Zijn leerlingen, Maria Magdalena en zijn vertrouweling Lazarus had hij uit bekeringsdrift eropuit gestuurd, gewapend met de kopieën van de eerste versie van zijn testament. Die laatste twee vertrokken samen naar het zuiden van Frankrijk, in opdracht van hemzelf. Hij vertrouwde Lazarus volkomen en zond hem onder andere ook als lijfwacht met zijn geliefde mee. Zijn moeder ging terug naar huis.  

De vredelievende Essenen in Qumran probeerden de Nazarener milder te stemmen nopens een en ander, maar zijn extremisme nam nog toe. Hij geloofde meer en meer in vuur en vlam en zwaard. Op een bepaald ogenblik raakte hij zelfs slaags met een van hun leiders. Gaandeweg zonderde hij zich van de sekteleden af, in een aparte grot die hij van ze huurde. Ze slaagden er stiekem nog wel in een kopie van zijn testamentrol te maken, waarmee ze verder aan de slag gingen om er hun eigen versie van te vervaardigen. Kopieën van die Esseense versie zouden later, vermengd met de ‘reizende’ kopieën van de apostelen, de grondslag vormen van de officiële canon van de gewijde geschiedschrijving. Er is dus het heel eigenaardige feit dat dit hier’ – Lucifer knikte naar de vellen die nog altijd door vier flessen Christustranen op het kunstgras genageld lagen – ‘ja, dat daar, kijk maar eens goed, zowel de officiële als de apocriefe versie is, want het is die van mijn boezemvijand de Nazarener himself. De enige, de echte, de bebloede. Alle andere zijn gematigde mengvormen.

Maar hoe kwam ikzelf nu in het bezit van die rol?, zie ik jullie vragen. Wel, dat zal ik jullie met mijn gebruikelijke engelengeduld uitleggen.

Nadat de Nazarener zijn autobiografie, gelijk zijn testament, voltooid had, verliet hij op een nacht definitief zijn grot. Niet lang daarvoor had hij veertig dagen gevast, let wel: veertig dagen, niet nachten. ’s Nachts at en dronk hij wel wat, dat hij van de Essenen betrok. Hij was dus nog verzwakt toen hij de lange voetreis in westelijke richting begon. In dat westen woonden volgens hem de meeste ‘goddelozen’ zoals hij ze placht te noemen: zij die zijn evangelie nog niet kenden. Dus toog hij naar de landen van de ondergaande zon, waar zich nog weinig concurrentie met andere religies voor kon doen.

Terwijl hij zich op een warme namiddag onuitgenodigd te goed deed aan vijgen die hij van een boom in een gaard plukte, stoof de woedende eigenaar met zijn twee zoons op hem af en eiste geld. Omdat hij geen rooie duit had (hij had de Essenen de rest van zijn centen gegeven omdat de munten waardeloos zouden worden in andere verre landen die hij bereisde), vluchtte de Nazarener ijlings weg… driehonderd meter verder recht in de armen van vier struikrovers. Die waren afgekomen op het gekrakeel. Ze hielden zich verborgen aan de kant van de weg en legden zich even verder in hinderlaag. Ze dachten namelijk dat de reiziger toch wel een goedgevulde beurs op zich droeg, gezien hij er als iemand uitzag die heel ver zou gaan en geld zou besteden. De eigenaar van de boomgaard en zijn zonen keerden bij het zien van dat onheil onmiddellijk op hun stappen terug. En nogmaals, omdat hij geen rooie duit bezat, en dat ook vol bleef houden, en zij hem niet geloofden, want hij zag er ondanks stof en vermoeienis toch tamelijk chic uit, werden zes messteken zijn noodlot.

De misdadigers vluchtten met de testamentrol en zijn sandalen als enige buit. Die rol was nu nog meer bespat met bloed.

De barmhartigste zoon van de boomgaardeigenaar passeerde er diezelfde avond nog op een ezel. Hij dacht de reiziger nog de eerste of de laatste zorgen toe te dienen, maar alle leven was geweken uit de Nazarener. Op dat ogenblik passeerde er ook een uit de kooien van Rome ontsnapte gespierde gladiator, op weg naar het verre oosten. Samen wikkelden ze het lijk in een doek en hesen het in de kruin van de dichtste appelboom op neutraal terrein. Begraven zat er niet in: de grond was er te hard en te dor. Ze deponeerden het lijk tussen twee gevorkte takken als laatste rustplaats. Zo was het toch enigszins beschermd tegen de meeste wilde dieren. Mettertijd ontfermden zich natuurlijk de vliegende aaseters over dat lekkers. Mijn boezemvijand de Nazarener is dus eigenlijk nooit echt begraven. Volgen jullie nog, vrienden?’

Marlize en Erik knikten enthousiast.

‘Goed zo. Luisteren is belangrijk. Waar was ik gebleven… O ja. Aaseters. De struikrovers waren het Aramees niet machtig. Ze snapten niet wat er op de vellen geschreven stond en hoe belangrijk dat wel was. Op een van de talloze zwarte markten in de Levant verkochten ze de bebloede rol voor een appel en een ei, bewerende dat het een eigendomsakte was voor een stuk grond in Cilicië. Van de opbrengst werd het viertal viermaal dronken. Toen waren de centen op. En de rol was… foetsie. Dat laten we nu even los.

Ondertussen kreeg Maria Magdalena (tussen twee haakjes: een prachtige vrouw met twee schitterende vooruitzichten en een bedwelmende gleuf in het midden) een zoon. Tot nu toe heeft niemand ooit exact kunnen duiden wie de echte vader was. Er heerst namelijk nog altijd verwarring omtrent het tijdstip waarop Maria Magdalena en Lazarus naar het zuiden van Frankrijk vertrokken en ook over dat waarop de Nazarener zelf (even?) later zijn grot bij de Essenen verliet. Feit is dat Lazarus zo’n intieme vertrouweling van hem geworden was, dat hij in diens afwezigheid zich wellicht ook toegang had verschaft tot de geheime grot van Maria Magdalena. Hoe gaat dat in den vreemde, nietwaar. Het is een kwestie van maanden; de Schriftgeleerden zijn er nog niet uit.          

Nou, de zoon die dus daaruit ontsproot, was al net als het testament: officieel en apocrief. Van wie was hij?? Hoe dan ook: hij kon echt wel als ‘Lazarener’ aangesproken worden. En aldus gebeurde. Want net als de verhoopte vader, mocht zijn echte naam nooit vernoemd worden.

Even terzijde: wees niet verwonderd over de naam ‘Lazarener’. Pasja en Denise hier zouden toch ook een Pasjize opleveren hé? En jullie kennen toch ook de kruising tussen een pitbull en een shih tzu? Bullshit? Ha ha ha! Nu heb ik alleszins jullie aandacht! Seks en stront blijven het doen.’

Lucifer dronk nu uit een van de vier flessen die het testament op zijn plaats hielden en gaf de fles door aan Marlize.

‘Drink. Drink op een edel verbond. Dit is mijn… Nee, dat is erover. Ik vertel verder. De Lazarener groeide dus op in het zuiden van wat toen ook Frankrijk was, maar dat wist het nog niet. Toen na verloop van tijd zijn officiële pa de Nazarener maar niet opdaagde, trouwde Maria Magdalena dan maar met Lazarus, die zich na zijn opwekking uit de doden door de Nazarener altijd zeer levendig had gedragen. Ze kregen drie dochters, allen een flink stuk jonger dan de Lazarener. Ondertussen probeerden ze tussen het geitenhoeden door hun evangelie van de gekopieerde vellen te verkondigen. Dat viel niet vaak in goede aarde, want het betrof regelrechte kopieën van het ‘gewelddadige’ moederexemplaar van de Nazarener, die vuur en vlam en zwaard predikten. Na een meeting met bijzonder verhitte discussies, waarin het citaat van de profeet ‘Uw kinderen zijn uw kinderen niet’ een cruciale rol speelde, werden Maria Magdalena en Lazarus zonder vorm van proces door een vijandige sekte van de purperen heidenen ontvoerd, levend gevild en ingezouten en –gepeperd. Zo werden ze achtergelaten hoog in de besneeuwde Pyreneeën, waar ze een vreselijke dood stierven.

De dochters en de Lazarener gingen prompt ondergronds. Ze doken enkele jaren onder in Mulzaerje, een Baskische enclave in Frankrijk. Veel bekeringswerk ondernamen ze niet meer; dat was voor rekening van de apostelen, die wijd en zijd hun leer verkondigden. De Lazarener, de vermoedelijke zoon van de Nazarener, trouwde later met een bijenkweekster die in Allah geloofde. Zijn stiefzussen zwermden na verloop van tijd uit over de Maghreb, want op Franse bodem voelden ze zich altijd onveilig. De bijenkweekster schonk de Lazarener drie zonen, die later op hun beurt… maar hier laat ik deze draad even los. Jullie willen natuurlijk weten hoe het de rol verder is vergaan en hoe ikzelf die heb verworven?’

Marlize en Erik knikten.

‘Wel. De louche kerel die de zogenaamde eigendomsakte van een stuk grond in Cilicië gekocht had, kwam van een kale reis terug. Niks geen grond. Nog geen grasspriet. Hij liet de Aramese teksten grondig ontcijferen door een Schriftgeleerde en kwam tot de constatering dat hij een hoop opruiende pamfletten had gekocht waar de bloedvlekken nog opzaten. Dus besliste hij om te doen wat alle bedrogenen doen: anderen bedriegen. Hij verkocht op een van de vele openbare markten de rol aan een koopman uit het noorden van Afrika, bewerend dat het het testament van de heer Jezus Christus betrof. Deze waarheidslievende leugen leverde hem nog een aardig bedrag op, want de koopman was niemand anders dan de echtgenoot van een van de stiefzussen van de Lazarener. Die reisde in een opperste staat van gelukzaligheid terug naar huis. Toeval bestaat dus niet. Het bestaat het niet te bestaan.’

‘Wauw,’ deed Marlize.
‘Ongelofelijk,’ mompelde Erik. ‘En wanneer was jij dan aan zet?’
‘Tijdens mijn periode als paus,’ luidde het verrassende antwoord.

07-03-18

ANGEL (38)

Aanvankelijk aarzelend maar binnen de minuut al vlug overtuigd van de kwaliteit deden Marlize en Erik zich te goed aan de onverwachte kost. Ook de duivel deed zijn duif in het zakje. Smakkend en boerend verorberde hij eerst vier worsten en daarna een vogel. IJverig gekraak ter hoogte van de schroothoop in zijn mond wees er op dat hij ook de beenderen fijnmaalde en doorslikte.
‘Hoe denk je dat ik leren vliegen heb?’ grinnikte hij tussen het schransen door, toen hij merkte dat ze verbaasd naar zijn kauwende en krakende smoel staarden. ‘Holle beentjes zijn goed voor de luchtgewichtheid, eh, lichtgewuchtheid, eh, opgelichtheid, of zoiets, of is het opgeluchtheid? Nou, whatever, dat verdomde Christuswater speelt me blijkbaar parten: het vliegen heb ik toch lekker onder de knie hé? Of onder de vleugel?’
‘Hou op met lullen en vreet, bevlogene’ zei Erik, want hij was dronken en durfde al eens iets tegen de duivel te zeggen.
‘Af, Erik,’ zei Marlize. ‘De wijn smeert je tongriempje te glad. We hebben een hoge gast. In zijn buitenverblijf had je wel minder praats. Af!’
Pasja legde zijn kop plat ter aarde.
‘Ik kan zeggen wat ik wil. Ik ben toch op mijn eigen grond?’
‘Mijn grond, bedoel je. Je bent mijn buurgast.’
‘Nou ja: onze grond. Ondergrond. Ha ha.’
‘Niet lachen om je eigen moppen.’
‘Ondermaanse,’ specificeerde Lucifer. Hij boog zich naar Marlize toe, nam haar duif even van haar over en scheurde behulpzaam en vakkundig het karkasje verder open zodat het in al zijn geledingen bereikbaar werd.
‘Zo moet het. Neemt en eet.’
‘Merci Lucifer.’

De rol vellen had Lucifer op het kunstgras open gespreid op de eerste bladzijde door op elke hoek een fles wijn van het merk Christustranen neer te poten. Een vijfde fles bloedwijn zette hij om de haverklap onbeschaamd luid lurkend aan zijn mond. Die gaf hij dan telkenmale trouw door aan Marlize en Erik.
‘Vertel ons nu eens wat je daar hebt,’ zei Marlize, naar de vellen op het gras knikkend, nadat worsten en duiven vrijwel verleden tijd waren.
‘Daar ligt de meest gegeerde bijsluiter van de mensheid,’ antwoordde Lucifer ietwat pathetisch. ‘Ik ben er de trotse bezitter van, dankzij Bartelijne Malfait.’
‘En dat leg je zomaar op ons gras, gekruisigd met vier wijnflessen. Wie is Bartelijne Malfait?’
Lucifer wroette even met zijn vingers in het duivenkarkasje op Eriks bord en haalde er een gevorkt beentje uit.
‘Ik neem nog dit laatste gevorkte duivenknookje en een slok Christustranen. Dan verklap ik jullie wie zij is. Was. Trekken!’ beval hij Marlize.
Ze trok aan een van de takjes van het vorkje dat hij aan het andere vertakkinkje voor zijn haakneus ophield.
‘Nu heb je recht op de waarheid. Ik ga echter niet meer uitweiden over de Hof van Olijven en Golgotha; jullie kennen ondertussen de ware toedracht van de zaak. Overigens heeft Marlize het er in haar eigen schitterende roman ook over hé.’
‘Het andere takje van dat beentje ware ook goed zeker?’ zei Erik smalend. ‘Pff… Al dat bijgelovige gedoe.’
‘Haantjesgedrag,’ wees Lucifer hem terecht. ‘Wee je gebeente, simpele duif.’

10-02-18

ANGEL (37)

‘We bevinden ons nu in het segment linksonder in het hakenkruis,’ deelde de duivel mee. ‘De herfstcollecties zijn binnen. Bladeren zullen weldra hun bomen verlaten. Er hangt kruidigheid in de lucht. Depressieve dichters parkeren weer hun achterklap onder elkaar. En mijn angel zoekt seks. Misschien moet ik later de Angelseksische landen ook nog aandoen, hi hi hi. Angelland! Lekker links rijden, joehoe! Geef ze de sporen!’
Marlize en Erik grijnsden wrang; dit was een lachmerrie. Ze herinnerden zich maar al te levendig het vorige intense bezoek van Lucifer, tot diep in hun kak- en slokdarm.
‘Rood is het nieuwe zwart, Erik. Koop je beurs, tot je bont en blauw ziet, je beschikt nu dankzij je hit over een ruim budget. En jij, Marlize: idem dito. Zwart is het nieuwe rood. Koop een bungalow aan de Zwarte Zee.’
Getingel van kassa’s begeleidde de monoloogjes van Lucifer.
‘En voor de honden een regenjas? Een muilband in slangenleer?’
Erik legde een rij sprotjes op het barbecuerooster. 
‘Lukt het vuur? Ik ben hier om te helpen,’ zei Lucifer. Even knetterde het ter hoogte van diverse knooppunten in zijn lijf. Hij stond rechtop met een grote bokaal Leffe in zijn hand, vlak bij het verschroeiende vuur. Zijn andere hand roerde even de gloeiende houtskool dooreen.
‘Vis… dooie visjes… niet mijn ding,’ mompelde hij. Het volgende ogenblik, na kort maar hevig gesis, lagen er twaalf worsten op het rooster.
‘Hé!’ protesteerde Erik.
‘Oeps!’ deed Marlize.
‘Vier de man, de vrouw,’ zei Lucifer. ‘Iets op tegen? Dit wordt het laatste vuurtje stook van het seizoen. Profiteer van grote kortingen.’
‘Dat zal mij worst wezen, ik wou vis!’
‘Dan heb je het lelijk mis. O, een rijm. Willen jullie de rest van mijn verzameld werk ook horen? Een lezing kan dit laatste avondmaal opvrolijken.’
De duivel zette zijn Leffe op de tuintafel en toverde een bebloede rol vellen tevoorschijn. De bloedvlekken waren vervaagd tot een donkerbruine geschiedeniskleur. Even kwamen Denise en Pasja overeind.
‘Dit,’ zei hij plechtig, ‘heeft een ingewikkelde reis achter de rug. Er werd miljoenen keren voor gemoord, verbrand, verkracht. De kroniek van de lopende gebeurtenissen. Samizdat. Apocriefe lectuur. Maar wel de enige echte. Daar hoort feestwijn bij. Weg met die Leffe. Ontkurk de Christustranen.’
‘PIMBY,’ zei Marlize, opverend uit haar tuinstoel. ‘Primeur In My Backyard.’
Erik/Franklin floot de eerste vijf noten van zijn wereldtune. Hij schroefde twee  flessen wijn open.
‘We are interested.’
‘U hebt onze interesse.’
‘Laat dat. Ik spreek niet alleen Spaans, maar ook Angels.’
Terwijl Lucifer de vellen ontrolde, manifesteerde zich nu uitdrukkelijk een penetrante zwavelgeur in de tuin. Op hetzelfde ogenblik pletste een witte duivenkwak op het eerste uitgerolde vel neer.
‘Shit! Voorvocht op de voorhuid! Shit!’ vloekte de duivel. ‘Ejaculatio praecox! Wat gaat er hier nog allemaal uit de lucht vallen in dit kloteland!’ Hij likte aan zijn scherpnagelige linkerduim en depte eerst nauwgezet een paar duivenspatjes van zijn zwarte maantranenketting op. Daarna braakte hij een kleine steekvlam waarmee hij de duivenstront op de testamentrol oploste. Vervolgens mikte hij met zijn rechterwijsvinger naar de lucht:
‘Vervelende vredesduiven! Bang! Bang! Bang!’
Vlak na elkaar ploften drie gebraden duiven op het barbecuerooster neer.
‘Tast toe,’ noodde Lucifer. ‘Ze zijn nog lekker rosé.’     
‘Wat heb je nu in hemelsnaam gedaan!?’
‘I shaked the moon in hemelsnaam, duifje,’ antwoordde de duivel. ‘Het werd tijd dat er hier eens iets anders uit de lucht viel. Smakelijk. Gevogelte op een bedje van worst. Of gaan we over cholesterol zeveren? Viert allen de herfst met wat gematigd wild! En vanaf nu is de wijn in de man en de vrouw, niet langer de Leffe.’

12-01-18

ANGEL (36)

De albasten maan hing heet aan het firmament, zelfs zweterig. Er dropen druppels af. Voor die de aarde konden bereiken, stolden ze eerst, vatten dan vuur en werden daarna tegen hoge snelheid omgesmeed tot zwarte kristallen met eeuwige vergunning. Dit gebeurde elke maand eenmaal en ging ook gepaard met lokale uitbarstingen van motten her en der op aarde. Gedurende zijn ballingschap op dit ondermaanse droeg Lucifer een halsketting bestaande uit dergelijke puntige maantranen. Dit juweel oefende ononderbroken een magnetische kracht uit richting sterrenhemel. Hij droomde immers van een eervolle terugkeer naar die lichtdonkere luchten – de biotopische context van die maan en een zevental hemelen. Misschien behoorde een liefdevolle hereniging met opperengel Bengele Tengele weer tot de mogelijkheden. De zesde hemel ware al een opperste staat van genade en geluk voor hem. En ook materie kon heimwee hebben: alles wilde terug naar waar het vandaan kwam. Zwart kristal verlangde bijvoorbeeld naar een aangename zee van licht en duisternis, bespikkeld met sterren die allang geen ster meer waren, maar slechts uitdovende oergeschiedenis. Ergens jankten ook twee honden naar die maan.

Om het hoofd van Lucifer deed zich hedenavond laat weer eens zo’n mottenuitbarsting voor. Het leek alsof hij zijn hoofd uitgeschud had. Hij zat net op zijn terras een slok bloedwijn tot zich te nemen uit een kelk die hij gestolen had uit het tabernakel van de kerk in Verkavelgem. Een wolk ontblootte de maan.
‘Alle duivels! Bij Mahoen, Apolijn en Tervogant!’ vloekte hij vrolijk. ‘Motten-maannacht! Vandaar dat mijn wijn zo smaakt! O maan, zalige afgesmoltene!’
Hij wapperde de motten weg, streelde zijn halsketting en hief zijn hoofd en zijn kelk bloedwijn naar de maan. De maanstralen gaven zijn maantranen een speciale glans.

‘Op de vloed!’
In een grote hink-stap-slok dronk hij het glas leeg.
‘Op de overvloed!’
Hij vulde onmiddellijk nog eens bij uit de karaf.
‘Zwart wordt weer het nieuwe rood,’ zei hij bij zichzelf. ‘Of is bloedrood het verse inktzwart? Dat moet ik Erik/Franklin nog eens vertellen, die notenkrakende rokjesdrager.’

Lucifer werd stilaan dronken van voldaanheid. Toen de maan na al dat druppen  bijna uit de hemel viel, en het overal op aarde donker werd, verzandde hij in zijn ligstoel via een dranksluimer in een diepe slaap, doorwoekerd met flarden droom.
‘Ikzelf haal uw kleed omhoog… ‘ mompelde hij likkebaardend, ‘uw tuniekjurkje… tot over uw hoofd… zodat men uw naaktheid kan zien… uw overspel… uw wellust… uw schandelijke ontucht… ‘

27-12-17

ANGEL (35)

I, 05


Het deuntje – door Marlize gefloten, door Franklin gestolen, door Erik gekaapt – dat de NNMMA bekroonde en honoreerde, legde ze geen windeieren. Op de protocollaire plechtigheid in Brussel kreeg Franklin de cheque overhandigd door een chique big boss die het midden hield tussen een advocaat en een imker. Hij had het duurste krijtstreepjespak aan dat je je maar in kunt denken. Van boven tot onder glom hij van de rijkdom. De receptie achteraf kwam volledig uit de zee – hier werd met geld gegooid. Er was niet alleen de geldprijs. De tune werd ook diezelfde week nog via diverse mediakanalen in een duizelingwekkende oplage de wereld in gezonden. Wie het binnen een tijdspanne van twaalf uur niet gehoord had, was potdoof. Het was de No Noise More Music Academy menens. Hun standpunt was ook hard (maar volgens tegenstanders halfzacht): weg met geluiden, geruchten en lawaai, meer melodie!

Terwijl de royalty’s binnen begonnen te komen, op naam van de heer Vervecken – maar dat vormde dus geen probleem – arriveerde er ook een mail van de schooldirectie van Franklin. Hoe zat het met de gezondheid? Kon het nieuwe schooljaar opgestart worden met hem of zou men zich genoodzaakt zien een vervanger aan te spreken?

Marlize en Erik vervaardigden opnieuw enkele documenten, waaruit bleek dat de heer Franklin Vervecken nog minstens een halfjaar aan zijn heropbouw zou dienen te werken wilde hij ooit nog iets betekenen op pedagogisch-muzikaal vlak. Het was ook aan te raden geen contact met patiënt te nemen; hij was in goede handen en beleefde het meest deugd aan een ongestoorde relatie met mens en natuur per plekke. Bezoek was uitgesloten; mailverkeer werd ontmoedigd. Bij hoogdringendheid kon iets gedropt worden via een inderhaast door Erik aangemaakt gmail-adres op naam van de ontwennende.

In het kruis getast, het romanmanuscript van Marlize, kende een hoge vlucht. Met een duivels genoegen braakte de printer welhaast elke dag een afgewerkte bladzijde. Kruistochten in liefdesnaam! Vuur en vlam! De hoofdfiguur, Charlize Marlowe, dochter van een bisschop, legde een verzameling priesters aan. Stuk voor stuk verleidde ze die, waarna ze zichzelf in het verderf stortten en ofwel kerkschroot werden ofwel de kap over de haag gooiden en het marginale leven in doken. Tien wellustige geboden vormden de grondwet van het verhaal. Omdat de bisschop haar niet erkende als dochter, pleegde Charlize op het einde de vadermoord: tijdens een misviering dronk hij de door haar geprepareerde gifbeker en kukelde hij nog paarser dan een rouwkaars van zijn voetstuk.

Op de jaarlijkse landelijke Boekenbeurs in Antwerpen schuimde Marlize de verkoopstanden van de uitgeverijen af. Hier en daar mocht ze een kopie van In het kruis getast achterlaten. Vooral een magere man die het midden hield tussen een advocaat en een imker (om niet te zeggen: bij – hij droeg verdorie een geel-zwart gestreepte pull) toonde speciale belangstelling; uitgeverij BUB zou nog van zich laten horen, beloofde hij. En BUB, in tegenstelling tot veel andere uitgeefklungelaars, liet er inderdaad geen gras over groeien: vlak voor de pakjesdagen van december zou In het kruis getast van de debuterende schrijfster Marlize Brandthout, aka Marlize Van Der Weyden, verschijnen.

RacecaR, Franklins/Eriks bekroonde instrumentale tune, kreeg alom intense airplay. Zenders speelden het meerdere keren per etmaal, en het Audiovisueel Fonds, het cenakel van de filmmakers, had het al boven in de lade liggen voor een van de volgende grote filmprojecten. Ook op het internet scoorde RacecaR hoog. Een nieuw binnenlands feuilleton zou het tijdens de begingeneriek gebruiken. In fitnesscentrum Shakespier werd de ex-doelman plotseling een bekende en begeerde figuur. In de prettige walm van al dat succes stond Marlize toe dat hij rokjes droeg, met mate. Ook een jurkje kon er wel even af. Bij het begin van de herfst ging ze  zelfs met Erik op klerenstrooptocht in de H&M, Zalando, SN3, Garderobe National, APC, Anne Fontaine, Filippa K en Anja Schwerbrock.  

Eind november verscheen de roman van Marlize. Pilaarbijters, tsjeven en kaloten steigerden; recensenten gevolgd door de blaatschapen van het literaire wereldje prezen haar proza de hemel in. Voor de verbolgen meerderheid van de meninglozen was het  een kutboek; voor de mekkerende minderheid van de meninghebbers was het een cultboek. Niet lang na de geboorte van In het kruis getast speelde een opnamestudiofreak van de zender RRR&R eerder toevallig en bedoeld als experiment RacecaR achterstevoren af. Waar de normale notenvolgorde van de partituur een wereldhitgevoelige melodie veroorzaakte, daar bleek zich in de omgekeerde volgorde blasfemisch gegil en gevloek van een duivels gevallenengelenkoor voor te doen. Het bezorgde luisteraars koortsrillingen die als ola’s over hun ruggengraat golfden. Waar de tune met de palindroomtitel achterstevoren afgespeeld werd, stonden de communicatielijnen verontwaardigd roodgloeiend en witheet. Het schandaalboek en de kettertune werden een hype in alle middens die zich niet in het midden van de maatschappij bevonden. De verkoopcijfers schoten als vuurwerk de lucht in. En Lucifer keek tevreden toe, in zijn maatpak. Met zijn messcherpe linkerduimnagel kerfde hij bij elke rel een zoveelste streep in de dwarsbalk van het petruskruis in zijn oud-Bulgaarse balkanpaleisje. Telkens rinkelde dan de kassa, tot zevenmaal zeventig maal toe.   

02-12-17

ANGEL (34)

Aldus belandde de echte beker met het bloed bij de Nazarener en zijn kornuiten. Judas werd door de bezetters verder met rust gelaten (hij kon immers nog van dienst zijn voor ze), maar Jozef van Arimathea was aangeschoten wild voor de Romeinen. Om te weten te komen wat er met de sluierdoek en de tekstrol gebeurd was, werd hij op een nacht van zijn slaapplaats op zijn dak gelicht en naar een ondergrondse wurgpaal in Pilatus’ verblijven gebracht. Tijdens de overbrenging kerfde de linkshandige Jozef op een onbewaakt ogenblik met zijn lange scherpe linkerduimnagel zijn tongriempje los en slikte hij zijn tong in, waardoor hij stikte en dood te gronde neerviel. Een maat voor niets dus; de doek en de rol bleven spoorloos. Zo’n lange scherpe duimnagel werd overigens gaandeweg door de Romeinen her en der bij opgepakte leden van Joodse oppositiegroepen vastgesteld. Aanvankelijk dachten ze dat het met geld te maken had: de duim en de wijsvinger die symbolisch over elkaar wreven, de scherpte van de duimnagel zijnde de overtuigingskracht van geld. Nee dus. Na de vreemde zelfdoding van Jozef van Arimathea voerden de Romeinen een nieuwe marteltechniek in: ze rukten de nagels van hun arrestanten uit, alle twintig. Hoe meer Joods bloed er echter vloeide, hoe minder grip de Romeinen op het land kregen.

Na een colloquium van veertig dagen in de geheime grotten van Qumran (de Elkesaieten hadden er ondanks andere opinies voor wat huurgeld onderdak gekregen bij de sekte van de pacifistische Essenen), waarbij de tekstrollen grondig werden bestudeerd, en waarbij iedere leerling één exemplaar moest kopiëren om mee te nemen, zond de Nazarener zijn zonen uit. Omgekeerd liet hij zijn moeder en enkele van haar vriendinnen overkomen, waaronder ook de jongere Maria Magdalena. Ze waren tijdens de dodentocht en even later het onweer op Calvarieberg in hun zwarte kapmantels stille getuigen geweest van de overdracht van de rol in de doek aan de betreurde Veronica, de persoonsverwisseling met Simon, de kaping door de Elkesaieten, de vreselijke kruisigingen, de kruisafneming van Simon door Jozef annex de bloedafname.

De rollen zelf predikten wereldheerschappij, ten koste van eender wat. Gewelddadige bekeringsdrift, omgekeerde psychologie, ijzeren zelftucht en hoogdravende beeldspraak  voerden de hoofdtoon. De Nazarener had van zijn lokale oorlog tegen de oude Joden en de Romeinse bezetter een wereldoorlog gemaakt. Hij zaaide vuur en vlam. Enkele citaten.

Ikzelf haal uw kleed omhoog, tot over uw hoofd, zodat men uw naaktheid kan zien: uw overspel, uw wellust, uw schandelijke ontucht.

Alle steden verschrompelen, ze liggen treurend op de aarde. De rijken sturen hun dienaren om water: ze komen bij de putten maar vinden geen water, met lege kruiken keren ze terug.

Als Ik de stad uitga, dan zie Ik hen daar liggen, geveld door het zwaard.
Als Ik de stad inga, dan zie Ik hen daar liggen, uitgeteerd door de honger.

Wie voor de dood is bestemd, gaat naar de dood;
wie voor het zwaard is bestemd, gaat naar het zwaard;
wie voor de honger is bestemd, gaat naar de honger;
wie voor de ballingschap is bestemd, gaat naar de ballingschap.

Vier machten laat Ik op hen los. Het zwaard om hen uit te moorden, de honden om hen weg te slepen, de vogels en de wilde dieren om hen te verscheuren en te verslinden.

In de loop der jaren en eeuwen verspreidde deze zoetzure leer zich over de wereld, vooral in westelijke richting. Ondertussen werkte de Nazarener stiekem verder aan zijn biografie, zich nomadisch verplaatsend van schuilplaats naar schuilplaats, in het gezelschap van Maria Magdalena, zijn vriendin. Zij trok nog in opdracht van hem met diens vertrouweling Lazarus naar Zuid-Frankrijk. Van wie het kind was dat ze er baarde, is nooit geweten. De Nazarener zelf stierf onderweg naar haar, met zes messteken vermoord door struikrovers. In de niet-Bijbelse literatuur wordt geredetwist over de boom waaronder hij begraven zou zijn door een barmhartige voorbijganger: een vijgenboom, een olijfboom of een appelboom.

In de jaren die volgden, herschreven de Essenen de teksten die ze op de achtergelaten rollen in hun grotten aantroffen. Ze gaven er hun eigen pacifistische draai aan. Die versie werd later vermengd met de ‘reizende’ kopieën van de uitgezonden leerlingen, die op hun beurt door anderen waren gekopieerd. De sluierdoek van de vermoorde Veronica is in de loop der tijden opgedoken in Italië. Van de beker met het bloed van Simon is nooit meer een spoor gevonden. In de literatuur wordt hij omschreven als ‘graal’. Volgens sommige (apocriefe) bronnen staat hij symbool voor elk glas alcohol dat eender waar eender wanneer gedronken wordt.

30-10-17

ANGEL (33)

I, 04


De sluierdoek en vooral het testament waren dus weer in het bezit van de stokheren, de militante tak van de Joodse Elkesaieten, die voor geen geweld terugdeinsde. Het manicheïsme in deze groep ging uit van een dualistisch wereldbeeld en kosmologie. Tegenover de heerser van het rijk van het licht (de Vader) stond de heerser van het rijk van de duisternis (de duivel of Ahriman). Geweld kon hierbij een oplossing betekenen: het licht moest hoe dan ook en te allen prijze zegevieren. De Nazarener (wiens naam ‘Jezus’ nooit hardop mocht worden uitgesproken, zelfs niet onder de spitsbroeders in de geheime grotten ten oosten van Jeruzalem) betreurde natuurlijk wel de dood van Veronica.

‘Het was een genadige dood,’ verzekerde Petrus hem. ‘Ze heeft niet geleden, nietwaar makkers?’
De twee anderen die mee op de dodelijke missie waren geweest, knikten onwillig.
‘Recht in het hart,’ mompelde Judas.
‘Niet geleden,’ bevestigde Mattias, de recentste aanwinst van de Elkesaieten.
De Nazarener keek ze een na een onderzoekend in de ogen, knikte en rolde voor de zoveelste keer de vellen van zijn testament zorgvuldig op. Er zaten bruin geworden bloedvlekken op.
‘Weet je zeker dat ze het gelezen heeft?’
‘Haar ogen spraken boekdelen.’
‘Ja, en ze kende ongetwijfeld Aramees. Ze verraadde zich toen we bij het binnenvallen Aramees spraken. Ze begreep alles en reageerde ook op onze eh… bevelen. Toen wisten we genoeg.’
‘We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.’
‘Goed, in orde. De sluierdoek van de betreurde Veronica hier is voor Jozef van Arimathea,’ zei de Nazarener. ‘Zijn honorarium voor het gebruik van het graf. Petrus: jij bezorgt het hem een dezer dagen. Maar geen woord over de ware toedracht van de zaak! Verklap hem niet dat… ’ Hij knikte even naar de kleine grot ernaast.
‘Ja, heer. Nee, heer.’
De Nazarener krabbelde moeizaam overeind (vier, zes handen strekten zich naar hem uit om hem te ondersteunen) en begaf zich nu naar de kleine belendende grot, waar Simon van Cyrene verzorgd werd sedert hij halfdood door Jozef van Arimathea eerst van het kruis gehaald werd om daarna in diens eigen  graftombe te worden bijgezet.
‘Simon, hoe gaat het? En ik die kort geleden nog dacht dat je dood was…’
‘Jozef van Arimathea heeft goed werk geleverd hé,’ glimlachte Simon pijnlijk.
‘Hij is in de waan dat jij in zijn graf ligt. Hier rust een embargo op, Simon. Vanaf nu ben je een van ons. Je bent ook mijn bloedbroeder. Hier.’
Hij likte zijn rechterwijsvinger, roerde er in de beker mee die Jozef van Arimathea had meegebracht en bracht een weinig van het bloed in een van zijn vele wonden aan.
‘Dank je, heer!’ stamelde Simon.
‘En ik die dacht dat dit postuum zou gebeuren! Hoe heb je die vreselijke marteling kunnen overleven!? IK moest daar gehangen hebben! Morsdood ondertussen!’
‘Gods wegen zijn ondoorgron… ‘
Simon stokte en verzandde in een vreselijke hoestbui. Ondersteund door de Nazarener richtte hij zich half op. Het bleef maar duren. Verscheurende hoestbuien leken de borst van de gemartelde aan flarden te rijten.
‘Johannes! Mattias!’ riep de Nazarener. ‘Water! Olie! Mirre!’
Maar het was al te laat: met een gekke doodshik en een rare ruk van zijn hoofd gaf Simon van Cyrene de geest. Er zou een bisbegrafenis nodig zijn.

Bij de Romeinse bezetter was Jozef van Arimathea niet geliefd. Hij was niet alleen lid van het sanhedrin, de Joodse rechterlijke raad onder supervisie van de Romeinen, maar hij werd ook verdacht van contacten met dissidente groeperingen. Het was bekend dat hij het lichaam van Simon van Cyrene van diens kruis had bevrijd. Zo werd hij ook zonder dat hij het merkte gevolgd toen hij de beker met Simons bloedafname erin aan de oppositiegroep van Petrus en consorten overhandigde. De achtervolgers lieten even betijen, want ze hadden orders gekregen de grote vissen te vangen, en niet de kleine garnalen. Daardoor kwamen ze bij ene Judas terecht, in een achterafsteegje in de grauwste buurt van Jeruzalem. Dat was blijkbaar het tussendepot. Judas, zelf een samenzweerder en ex-spion, bufferzoon tussen Romeinen en Joden, liet zich niet onbetuigd. Hij verwisselde de echte beker voor een gelijkaardige mok met enkele druppels van zijn eigen bloed en slaagde er zelfs in die voor dertig zilverlingen aan de achtervolgers te verkopen. Pilatus had namelijk ook verordend dat koste wat het kost de beker met die allerlaatste bloeddruppels bemachtigd moest worden om te beletten dat het een aanbeden en gegeerd symbool zou worden. Ook de sluierdoek van Veronica en vooral die geheimzinnige traktaatrol moesten nog dringend opgespoord worden. Enkele soldaten hadden gemerkt hoe de veroordeelde Nazarener tijdens de doodstocht die rol nog vlug in Veronica’s handen had gestopt, via die doek.

01-10-17

ANGEL (32)

Een aardbeving zoals ze in de twintigste eeuw een paar keer in de lagere streken van vlak Vlaanderen meegemaakt hadden, had AD 20XX op een hete augustusdag de kerk in Verkavelgem vlak bij de Cruisberg dooreen geschud. Ook het naburige Dakpannendorp deelde in de brokken. Er was een dode gevallen, een priester die net assisteerde bij een drievoudige begrafenis. Er waren talrijke lichtgewonden: de kerkgangers die zich bont en blauw hadden gelopen en gevallen tegen en over omvergevallen stoelen bij het naar buiten stormen. Ook de hitte en de bevangenheid in de kleine kerk zorgden mede voor slachtoffers. Zoals echter vaker gebeurde richtten de neveneffecten meer schade aan dan de bron van het kwaad zelf. De toren bleef immers op de kerk staan. De verkeerde lieveheer aan het kruis op het oude hoofdaltaar had even meewarig voor zich uit gekeken bij het horen en zien van dat onheil. Daarna zonk zijn hoofd weer gewoon op zijn borst, noch links noch rechts neigend, uit schaamte om wat hij de wereld had aangedaan. Of was het om wat de wereld zichzelf had aangedaan? Later zou niemand die de kerk in Verkavelgem bezocht het verschil merken. In de sacristie was de galerij van de veertien statiën flink dooreen geschud. Enkele taferelen lagen op de grond onder het puin.  Statie 6 en statie 7 hingen schots en scheef aan de muur. Vlak na de aanval van de natuur op de kerk had de dwarsbalk van het kruis van de veroordeelde (op weg naar de Knekelheuvel) de vrouw doorboord die toegesneld was om diens bezwete en bebloede gelaat te deppen. Recht in het hart. 

08-09-17

ANGEL (31)

Tussen de zerken op het kerkhof omheen de kerk en op het grasplein bij de parkeerplaatsen was het een slagveld. De Verkavelgemnaars leken op lazarussen die net uit de dood waren opgestaan. En de zon brandde ongenadig.
‘Kan men op twee of meer plaatsen tegelijk pijn hebben?’ riep iemand vertwijfeld uit. ‘Dit kan toch godverdomme niet!?’
‘Au… au… au… !’
‘Help! Help me!’
‘Ik ben allergisch! Help! Naar de apotheek!’
‘Ik ook! Ik zwel op! Ik ga dood!’
Marlize en Erik waadden tussen de gesneuvelden door.
‘Dat is het werk van de duivel,’ gromde Erik.
‘Misschien is dit een van zijn tien geboden,’ hijgde Marlize. ‘Gij zult niet… pff… gij zult niet nieuwsgierig zijn.’
‘Zag je dat rare creatuur zitten vlak voor ons?’
‘Ja. Die zwarte snuiter met zijn ringbaardje?’
‘Soort kunstenaar zeker? Schilder, wedden?’
‘Moeten wij hier niet helpen? Wij zijn blijkbaar de enigen zonder steek.’
‘Nee, vooruit, niks aan te doen. Straks krijgen we wel nog een steek: een zonnesteek.’
‘Maar daarbinnen… in de kerk… ‘
‘Niks mee te zien. Ze moeten het zelf oplossen. Jij wou toch per se naar die begrafenis hé? Begrafenissen?’
‘Ja. Voor mijn boek. Vlug, opschieten: ik moet dringend gaan schrijven. Iets heeft zich geopenbaard.’

Robert van café Retro zat verwilderd voor zich uit te staren naast de zerk van een van zijn voorouders. Het zou nooit meer goed met hem komen. Hij was reddeloos verloren voor de mensheid. Bijen hadden hem zijn verstand ontnomen. Zijn oogkassen waren driemaal zo groot als gewoonlijk en zijn gespierde rechter voorarm – zijn taparm – zat giftig Pruisisch blauw.
‘Bijen… wespen… Robert: hadden we nu onze schietlappen meegebracht… onze katapulten! Weet je ’t nog? Schiet Maar Raak?’
‘Ha… !!‘ lachte Robert schril. Het was het overspannen lachje van iemand die uitgesproken kandidaat was voor de Laughing Academy – een rustig gebouw in een kalme groene zone waar iedereen van zijn zinnen beroofd was en daar niet verder op zoek naar wilde gaan: te kalm, te groen, te gezond. Net vakantie.
‘Driewhiskie!’ riep Robert ze nog na. ‘Ik ken een café in de voorstad dat Driewhiskie heet! Waar halen ze het!?’
‘Drie kisten,’ mompelde Erik. ‘Drievuldig. Driekistie.’
Hij wuifde Robert vaag gedag.
‘Heb je het ook zitten?’ informeerde Marlize. Ze klikte de auto open.
‘Jij bent de schrijfster hé; ik de componist. Alles is bruikbaar. Wat is het heerlijk en vrijblijvend om kunstenaar te zijn. Je kunt het je zelfs permitteren te beweren dat de duivel himself je prachtige dingen influistert. Een nieuwe wereld, voorwaar. Vrijheid alom. Ik heb zin om te juichen op deze begrafenisdag.’
‘Je vergist je; het is een engel die fluistert en de mens die luistert,’ zei Marlize.
‘Belangrijke voetnoot.’
‘Heel erg belangrijk. Lees altijd de kleine lettertjes. Advocaat van de duivel spelen.’
‘Bij mij zijn het nootjes’
‘Doet er me aan denken: we moeten Pasja en Denise nog voederen.’

06-08-17

ANGEL (30)

Een plotse walm van verstuivend zoet poeder leek bezit te nemen van de kerk. Alles kleurde in enkele tellen solfergeel. In gelederen van zevenhonderd kwamen de bijen duikend als Stuka’s in de middenbeuk aanzetten. Ze produceerden zelfs het geluid van de bekende duikbommenwerpers. Hun hoofddoel bestond uit de drie kisten. Een contingent nieuwe rekruten zwermde ondertussen links en rechts opzij en stortte zich op de stoelen in de zijbeuken en de twee overgebleven biechtstoelen. Ook houten kruisbeelden moesten eraan geloven. De verkeerde lieveheer op de grote crucifix vooraan kromp ineen.
Lucifer mikte schaterlachend zijn hoed op zijn hoofd en drapeerde de voile om zijn hoofd.
‘Bzz… bzz… ‘ deed hij. De panden van zijn jas krulden op als vleugels en weg was hij, pijlsnel van zijn stoel opstijgend en tegen de bijenstroom in naar buiten vliegend.

Gillend en vloekend liepen de mensen stoelen omver. Iedereen spoedde zich naar de openstaande kerkdeuren. De priester die het wierookvat had bediend, was reeds overdekt met een zwarte laag bijen. Schuddend en zwierend als een dronken marionet probeerde hij zich te bevrijden uit zijn ongewenste harnas. Reeds klonk zijn stem gesmoord en gedempt, door de hoeveelheid bijen die hem belaagden. Hij struikelde nu een laatste keer schreeuwend (even gaapte er een gat in zijn hoofd) over een van de kisten, viel op de grond en plette zo in een keer een paar honderd bijen. Er kwamen er duizend voor in de plaats, en na  enig zwak gekronkel bewoog de man niet meer. Ontzet keken Marlize en Erik op het schouwspel toe. Mensen grepen naar hun armen, benen, hoofden, overal waar ze onbedekt waren, en waar de bijen met hun steken vrij spel hadden. Na amper vier minuten was de kerk leeggelopen. In plaats van het gevloek en geschreeuw hoorde je nu overal tevreden gegons en vlijtig geknaag. Marlize en Erik zaten als aan hun stoel genageld: er waren niet alleen de uitzinnige taferelen geweest, maar vreemd genoeg werden ze allebei door de aanvallers ongemoeid gelaten. Zelfs hun stoelen werden met rust gelaten. Onthutst om zich heen kijkend zagen ze dat alles wat hout was met een laag bijen was bedekt. De drie kisten kregen het meeste bezoek. Ook de oude lange bank vooraan had succes: duizenden en duizenden bijen gingen ter communie. Een voorhoede van verkenners had eerst in een grote krachtinspanning het witte doek dat eroverheen lag opgetild en even verder op de grond laten vallen. Het gonzen, zoemen en knagen klonken echter het sterkst bij de drie kisten. De bijen hielden blijkbaar van een eenvoudige maaltijd.

‘Straks zijn die houten jassen volledig opgepeuzeld!’ riep Marlize. ‘En dan… ‘
‘Kom… weg hier!’ brulde Erik, nu plots bevrijd uit zijn verstarde ontzetting.
Ze sprongen op en stormden naar buiten.

16-07-17

ANGEL (29)

Op de zestiende rij zat een heerschap dat zowel advocaat als imker kon zijn. Omdat dit een begrafenis betrof, viel hij niet echt op: rouwtenues kunnen er soms heel apart of eigenaardig uitzien. Ondanks de zomertemperaturen droeg hij een lange zwarte pandjesjas. Bij het binnenkomen had hij een hoge hoed met driehoekige voile afgezet; die bevond zich nu op zijn rechterknie, die zenuwachtig op en neer wipte. Wie de voile zag, veronderstelde waarschijnlijk dat de man bij het protocol van de teraardebestelling hoorde. Onder de pandjesjas was even een glimp van een inktzwart hemd zichtbaar, waarover horizontale gele strepen liepen. Zijn pantalon vertoonde messcherpe vouwen. Zijn ravenzwarte uitdunnende haar was streng achterover geharkt. Een zo mogelijk nog zwarter kutbaardje omkranste zijn dunne lippen, die paars geworden waren onder invloed van de gebroken lichtinval doorheen diverse brandglazen. Zijn parfum combineerde de zoete rijpheid van de zomer met de kruidigheid van de herfst.

‘Een voltreffertje,’ dacht Marlize, die nog eens extra inhaleerde. Ze zat met Erik op de zeventiende rij, net achter de welriekende man. ‘Net zo goed stinkt het in kerken naar natte hond of ongewassen feestkleren die na jaren weer uit de kast zijn gehaald. We zitten hier wel voor een uur lang.’
Ze stootte Erik even aan, knikkend naar de man voor ze: ‘Ruik je dat ook?’
‘Solfer?’ opperde Erik, even opzij naar haar neigend. ‘Sigaretten?’
‘Heb je weer hooikoorts misschien?’ fluisterde ze geïrriteerd.
‘Sstt.’

Even over elven ontwikkelde zich een ver gezoem. Het naderde via de voorstad, zwol aan op het land, accelereerde ter hoogte van Verkavelgem en nam crescendo bezit van de omgeving. Bomen, houten tuinstoelen, houten afdakjes, houten raamwerk van vogelkooien en houten vensterluiken kregen in een mum van tijd een zwarte baard van bijen. Miljoenen beestjes smulden van het hout, kauwden het fijn en legden zo een voorraadje papierachtige stof aan om hun raten te maken. Een hoofdbij naderde tot dicht bij de kerk in Verkavelgem. Ze rook het lekkere onbewerkte hout van de drie lijkkisten. In onderling overleg hadden de families van de overledenen – die het niet breed hadden – namelijk geopteerd voor de eenvoudigste keuze van hout. Het was toch maar om in de grond te stoppen, nietwaar.

Als een lopend vuurtje verspreidde zich het nieuws onder het vlijtige bijenvolk: drie kisten onbewerkt hout! Honderden stoelen als toetje! Wierook inbegrepen! Brandglaslicht bijgeleverd!

De hoofdbij zond zeven verkenners uit om de toegangswegen tot de kerk te onderzoeken. In de kerk zelf nam het rumoer toe: de offerandegang naderde. De kassa rinkelde. Omdat het er aan toe zou gaan zoals overal in elke kerk bij elke begrafenis, zette een bediende van de uitvaartfirma alvast de kerkdeuren achteraan open, want een flink deel van de rouwtoeristen zou na de offerande naar huis verdwijnen. Kwestie van gezien te zijn en toch geen tijd te verliezen. De zeven verkenners keerden dus met goed nieuws terug: de kerk van Verkavelgem, met al dat lekkers erin, stond wagenwijd open!

Op de zestiende rij zat Lucifer, hoge hoed reeds in de hand, te grimlachen. Hij hield eigenlijk wel van bloedgolven, onweersvlagen en bijenaanvallen. Al was hij er – toegegeven – soms minder goed op voorbereid. Dit keer klonk het gezoem hem als muziek in de oren. Schielijk draaide hij zich om. Er stak een stuk kauwgum tussen zijn zwarte brokkeltanden. Bijna een schoonheidsvlekje.
Marlize en Erik schrokken zich rot.
‘Derde hoofdstuk van je roman, Marlize,’ grijnsde hij hardop, immer kauwend.
‘Erik: een zwanenzang? Ga je gang! Componeren! Fluiten! Redde wie zich redden kan!’

13-06-17

ANGEL (28)

I, 03


‘Drie doden op ongeveer één dag in Verkavelgem,’ zei Marlize. ‘Is dat niet verdacht? Hier, in de krant.’
‘Ah?’
‘En ze hadden alle drie in hetzelfde café gezeten, de Retro. Je weet wel: waar wij nog aan katapult schieten gedaan hebben.’
‘En wanneer is dat gebeurd?’
‘Vier jaar geleden.’
‘Maar neen: die dooien. Niet dat schieten.’
‘Ah. Eergisteren. Tijdens dat onweer dat ’s avonds zo vlug kwam opzetten. Weet je het nog? Die wolk was nog paarser dan jouw aangebrande aubergines!’
‘Tuurlijk weet ik dat nog. Zijn ze dood gebliksemd misschien? Kon de tapkraan in de Retro niet als bliksemafleider fungeren?’
‘Ik lees hier nu dat ze rechtopstaand worden begraven, verticaal dus, zoals iedereen in Verkavelgem de laatste zes jaar, wegens plaatsgebrek. Ze moeten er zuinig zijn met de grond. Tiens, dat lijkt me iets voor mijn roman.’
‘Kunnen ze er dan de fik niet insteken? In een urne deponeren? Verstrooien?’
‘Maar de families wilden een klassieke onderdegrondstopping.’ 
‘Het zijn altijd wroeters geweest, die Verkavelgemnaars. Ze kunnen de aarde nooit eens met rust laten.’
‘Ooit worden ze er nog voor gestraft. De aarde laat niet met zich spotten. Zeg: heb je geen zin om naar het spektakel te gaan kijken? Altijd leuk, die rouwkoppen. Beetje nostaligie plegen, weet je wel: kaarsen, wierook, missaals, paternosters, wat Latijn, heiligschijn… ‘’
‘Zijn er dan geen drie begrafenissen?’
‘Nee. Ze worden gelijktijdig ter aarde besteld, na een dienst in de Godspot van Verkavelgem. Het wordt een trilogie.’
‘Djeezes! Waren de grondwerken in de solden misschien?’
‘Daar moeten we bij zijn hé!’

Op 11 juni 1938 om 11 uur 57 beefde de aarde in het vlakke Vlaanderen met de her en der verspreide molshopen. Er was schade aan kerken, kruisen en kapellen in Gijzegem, Kuurne, Munkzwalm, Rollegem, Strijpen, Wannegem-Lede, Westrozebeke en Zegelsem. 17 500 schoorstenen sneuvelden. Er waren twee doden. Dit wordt de ‘aardbeving bij Zulzeke’ genoemd. De beving werd ook in de kerk van het dorp Veldegem gevoeld, niet ver van Brugge, tijdens de begrafenis van de jonggestorven schrijver Norbert Fonteyne.

De Cruisberg bij Verkavelgem lag die voormiddag al vroeg te blakeren in de zon.  In de koele kerk dobberden klokslag 10 uur 30 honderden hoofden boven de stoelenzee, terwijl nog eens tientallen offerandetoeristen en rampnieuwsgierigen zich rechtopstaand achter in het heiligdompje verdrongen. Vooraan stonden drie kisten: het thema van de samenkomst. De snaren van de voormiddagzon, gebroken door brandglas in de hoogte, vielen in de kerk binnen en bespeelden de houten Drievuldigheid. De verkeerde lieveheer aan het kruis op het oude hoofdaltaar negeerde de mensheid aan zijn voeten. Hij bleef koppig de richting van zijn linkerhart uit kijken, meer geïnteresseerd in wat er zich buiten het kader van de gelegenheidsfoto’s afspeelde. Geroezemoes kabbelde tussen de stoelenrijen, totdat een dwingende bel weerklonk.

Drie dienaren van de katholieke eredienst verschenen in oubollige vrouwenkleren uit de sacristie, geflankeerd door enkele misdienaartjes. De priesters daalden de trappen af, cirkelden als gieren om de kisten, murmelden wat onheilspellende woorden, zwaaiden een wierookvat heen en weer en bestegen dan de trappen om post te vatten achter een geïmproviseerd altaar dat zich zes meter voor het oude hoofdaltaar bevond. Het kuchende volk keek toe, kreukte met tekstboekjes en verkende zijkijkend wie er allemaal was. Gebeden, geleden en geweend werd er om Veronique Vandenabeele, Simon Seys en Jozef Vandamme, allen woonachtig geweest te Verkavelgem, thans in een houten jas hier verzameld om ter aarde besteld te worden en opgenomen te worden in de vreugde van de Heer. Robert Vandenbroucke van café Retro vroeg zich nog altijd af of er die dag wat met zijn bier aan de hand was geweest. ‘Ze kwamen alle drie van de Retro’ moet zowat de meest uitgesproken en gehoorde zin geweest zijn de voorbije dagen. Ja, oké: maar het trio kende elkaar dan ook bijzonder goed. Ze gingen wel vaker samen op stap. Simon was nog kampioen met de schietlap geweest, en ook Veronique en Jozef hadden deze precisiesport beoefend. Dat was tijdens de hoogdagen van Schiet Maar Raak. De schietlapstand was ondertussen al overwoekerd door alles wat in vlak Vlaanderen aan wildgroen voorradig was. Robert Vandenbroucke merkte dat enkele mensen hem aankeken; hij betrapte er zich op dat hij half hardop aan het denken was. Dat gemurmel van de pastoors werkte blijkbaar aanstekelijk.

23-05-17

ANGEL (27)

De zon streelde al vroeg een flank van de Cruisberg. Boven de velden dreven statige nevelsluiers. Verkavelgem ontwaakte, gereinigd door het onweer. Jozef, die al tweemaal kort na elkaar in de vroege ochtend zijn bed uit gejaagd werd wegens hevige plasdrang – die verdomde bellen duivels bier ook – besloot dan toch maar op te blijven. Hij stak zijn eerste van een lange serie sigaretten op, hulde zich in zijn kamerjas en stapte het tuinpad op om een frisse neus te halen. Er was gezondheid blijven hangen na het late onweer van gisteravond. Iets wat een eeuwig leven zou kunnen doen verhopen.


Kuchend, gedachteloos en met lodderige ochtendogen slenterde Jozef tot bij de glorieuze rabarberformatie achter in zijn tuin. Toen viel zijn blik op dat ene rabarberblad. Samen met het tegenoverliggende blad leek het een grote kelk te vormen. Hij stokte even in zijn bewegingen. In het ochtendlicht had het blad een roze weerschijn, maar bovenal toonde het onmiskenbaar de fotokopie van het gezicht van Veronique. De nerven vielen exact samen met haar gelaatstrekken. Of was het inbeelding? Speelden de Duvels hem nog parten? Wat beschutte het dak van rabarberbladen nog meer in de vroege augustusochtend in een tuin in Verkavelgem, op achtentachtig steenworpen van de voorstad, bescheiden voorportaaltje van een rustiek landschap met een ‘berg’ op de nabije achtergrond, eerder een molshoop: de Cruisberg?

‘Verdoeme… ‘ deed Jozef.

Hij gooide zijn sigaret weg, bukte zich ontzet voor de struik en duwde de twee grootste bladeren opzij. Daardoor golfden er krampen over het gelaat. Terzelfder tijd leek een nevelsluier in de vorm van een gedaante in een lijkwade zich uit de struik los te maken en op te stijgen. Jozef merkte het niet. Met open mond en gesperde ogen staarde hij naar de afdruk van een tuniekjurkje in de vochtige aarde, zoals Veronique er gisteravond eentje gedragen had en waar hij nog aan had zitten frunniken. Het leek op de imprint van een gebroken ledenpop, hard ter aarde gesmakt, waarvan alleen de linkerarm een natuurlijke houding aannam.  
Was hier de bliksem ingeslagen en had die van Veronique een schroeiplek gemaakt? Was dit het watermerk van een gevallen engel na een duchtig onweer? Amper zichtbaar, maar toch duidelijk aanwezig, zoals engelen zelf ook alleen bestaan en spreken via luisteren en fluisteren?


Jozef hapte naar adem. Er vlamde een pijnscheut door zijn borst, gevolgd door een splinterbom van honderden door merg en been snerpende partikeltjes. Hij probeerde op te staan, maar dat lukte niet. Naar omhoog kijken lukte evenmin. Zijn blikken zeilden amper één keer over de oostflank van de Cruisberg vooraleer hij met een diepe zucht opzij kantelde en door de reuzengrote rabarberstruik omarmd werd.

20-04-17

ANGEL (26)

In het diepste geheim ontving Jozef van Arimathea, de eigenaar van de grond waarop zich de knekelheuvels bevonden, een kleine delegatie van de Elkesaïtische stokheren. Jozef, lid van het sanhedrin, dat zelf geen doodstraffen kon uitspreken (tenzij in geval van tempelschennis), was het allang oneens met de handelwijze van Pilatus betreffende de Nazarener. Hij onderhield geheime contacten met diverse oppositiegroepen. Jozef had voor zichzelf ook al een graftombe voorzien in zijn uitgestrekte tuin, niet ver van de knekelheuvels die hij aan de Romeinse bezetters verhuurde. Als laatste eerbetoon aan de opgevorderde die de plaats van hun militante Nazarener had ingenomen, stelde de delegatie voor (mits een afkoopsom) Simon van Cyrene na de kruisafneming in dat graf te begraven. Jozef van Arimathea ging na enig aandringen akkoord. Hij zou zelf de klus klaren. Hij ontving het geld in dank, maar verbond nog een voorwaarde aan de overeenkomst: hij wilde de sluierdoek van Veronica. Hij had namelijk de gebeurtenissen van de laatste uren van zeer nabij gevolgd. Het signalement dat van de Nazarener op die doek van Veronica was achtergebleven, had hem gebiologeerd. De stokherendelegatie beloofde er werk van te maken.

En aldus geschiedde. Terwijl Jozef de allerlaatste druppels bloed van Simon van Cyrene bij de afneming in een beker opving, zoals gevraagd door de Elkesaïtische delegatie, overmeesterden in de woning aan de Habadweg drie onherkenbaar gemaakte mannen Veronica. Ze waren niet alleen uit op het testament; ook de sluierdoek namen ze mee. Veronica verzette zich hevig; ze verweerde zich als een duivelin. Petrus verloor uiteindelijk zijn zelfbeheersing en met hetzelfde zwaard als waarmee hij tijdens de rustpauze op die avondwandeling de hogepriesterknecht Malchus het rechteroor afgehouwen had, stak hij Veronica in het hart.   

Het lichaam van Simon van Cyrene werd dus in de Arimathea-graftombe ondergebracht. Deze loco-gekruisigde vertoefde daar echter niet lang. Korte tijd daarna werd hij uit zijn graf weggehaald. Men wist niet door wie, maar het deed de ronde dat hij niet echt gestorven was aan het kruis. Hij zou als wandelende Jood voor eeuwig op aarde rondzwerven, op zoek naar het hem toegefluisterde testament.

De militie van de Nazarener dook maandenlang onder in de grotten ten oosten van de stad, tot de gemoederen ietwat bedaard waren, hoewel daar in die roerige tijden weinig sprake van kon zijn. Misschien verzorgden ze ondertussen ook de vreselijke wonden van de ondode Simon van Cyrene, die zij zelf zogezegd begraven hadden en even later weer in het diepste geheim ontvoerden?

De zwaardmoord op de vrouw aan de Habadweg werd toegeschreven aan de Romeinen: die zouden wraak genomen hebben op de onbekende ontvoerders van de Nazarener door de behulpzame Veronica te doden. Ze dachten op die manier de militie te treffen.

23-03-17

ANGEL (25)

Voorzichtig ontsluierde Veronica engele Babbe het testament. De bloedsporen op de rol en op haar sluier waren al bruin aan het worden. Vooraleer ze de vellen (blijkbaar waren er meerdere) open streek, viel haar blik op de sluier. Het smartelijke gelaat van de Nazarener stond er vrijwel geheel op afgedrukt. Gebiologeerd staarde ze naar de doek. Daarna boog ze zich over het bovenste vel, dat zich onwillig voortdurend weer op krulde.

Had de Nazarener door de onverwachte wending van zaken spijt gekregen van zijn gift aan een van zijn vriendinnen?
Nadat zijn ergste wonden wat verzorgd waren – de hele militie zat ondertussen weer veilig en wel verschanst in de quasi onbereikbare grotten van een rotsformatie ten oosten van Jeruzalem – , overlegde hij met zijn kompanen.
‘Was ik op de hoogte geweest van jullie plan, dan had ik natuurlijk de rol niet weggegeven,’ zei hij fel. ‘Waarom gaven jullie me geen informatie?’
‘Te riskant,’ repliceerde Judas. ‘We dienden te vaak een beroep te doen op tussenpersonen. Niemand is nog te vertrouwen heden ten dage. Hoe minder iedereen weet, hoe beter. De Romeinen hebben ook hun luistervinken. Zelfs onder ons. Die hoofdman vormde onze grootste hindernis. En duurste. Eh… we wilden wat jou betreft ook het voordeel van de verrassing. Sorry. Eh… de rol?’
‘Ja… de rol,’ papegaaide de Nazarener nijdig. ‘Mijn testament. Dat is nu in handen van die Veronica. Een vrouw. En… ‘
‘Dat is toch een goede vriendin van je?’
‘Ja. Ja ja. Maar mijn geschriften zijn nu niet bepaald vrouwvriendelijk.’
‘Tja… ‘
‘Vrouwen weren we toch uit onze militie? We hebben er van in het begin al over gestemd… ‘ 
De Nazarener inspecteerde nu met pijnlijke grimassen en gesis tussen zijn tanden enkele wonden.
‘Verdomd… dat snijdt door merg en been… au… au… ‘
‘Dan moeten we daar iets aan doen,’ kwam Petrus tussenbeide.
‘Gezien de onverwachte ontwikkelingen en in het belang van onze zaak zullen de spitsen van onze militie helaas een bezoek aan Veronica in de Habadweg moeten brengen. Het zit er dik in dat ze mijn testament nu al gelezen heeft. Aangezien ik toch nog in leven ben en aangezien ik van mening ben dat een man een woord is en een vrouw een woordenboek, zullen we moeten ingrijpen. Neem nog een derde man mee.’
Judas en Petrus stonden prompt op. Het woord van de leider was wet.
‘Oordeel naargelang van de situatie,’ verordende de Nazarener nog, terwijl hij zelf bijna ononderbroken sissend en lucht inhalerend zijn talrijke wonden verder depte. ‘Gebruik geen nodeloos geweld. Pols de vrouw Veronica eerst. Ondervinden jullie dat ze een en ander gelezen heeft, handel dan. Jullie weten wat je dan te doen staat. Collateral damage, jammer genoeg. Altijd te betreuren. Deze wending had ik echter nooit kunnen voorzien. Ik strompelde een zekere dood tegemoet, en die vrouw betekende toen mijn laatste hoop om vooralsnog het testament in veiligheid te brengen. Anders was het in handen van de Romeinse vijand gekomen.’
‘Ze zouden het inderdaad op de Schedelberg ontdekt hebben,’ bevestigde Johannes, die in opdracht van Petrus de stoet gevolgd was tot op de terechtstellingsheuvels. ‘Ze hebben die Simon van Cyrene volledig ontkleed. Niets bleef verborgen. Ze dobbelden zelfs voor zijn mantel.’
‘Het ware goed dat die man onmiddellijk vlakbij begraven kon worden; ga ook eerst even langs bij Jozef van Arimathea, maar kijk goed uit of jullie niet gevolgd worden. Jozef heeft er een graf dat reeds af is. Betaal hem voor de bewezen dienst. Johannes: ga ook maar mee. O, en vraag of Jozef voor enkele druppels bloed van die Simon kan zorgen. Hij verdient het mijn bloedbroeder te worden, al is het dan postuum. Hij is jezusfactorpositief.’
‘Ja heer.’
‘Waarom heb je die rol niet vooraf aan iemand van ons toevertrouwd?’ wou Judas nog weten.
‘Alles gebeurde te vlug. Voor ik het wist, was ik overgeleverd aan de vijand. Die avondwandeling… ’
‘Welja, precies: en donderdagavond dan? We zaten dan toch samen aan tafel?’
‘Maar toen kon ik nog niet weten… ‘
De Nazarener zweeg abrupt en bleef Judas met een onbestemde blik in de ogen aankijken. De echo’s van de onweersdonders leken zich nu te verwijderen. Het geruis van hevige regen – een zeldzaam verschijnsel in deze streken – had eensklaps opgehouden. Een verfrissende bries met een aangename geur woei de grotten in.
‘Ga nu maar,’ zei hij dan met een korte hoofdknik. ‘Au… au… !’

20-02-17

ANGEL (24)

Veronique en Jozef frunnikten wat met kleren, bepotelden elkaar af en toe en wisselden zatte moppen.
‘Ik moet dringend pissen,’ deelde Jozef na twee-en-een-halve Duvel mee.
‘Niet te lang wegblijven, liefke.’
‘Nee nee… even lekken,‘ antwoordde hij dwaas. Hij pootte zijn kelk op het salontafeltje neer en stapte onzeker naar de wasplaats achter de keuken. Toen ze door de openstaande deuren het geklater van zijn water hoorde, net niet overstemd door het vochtige geruis van het onweer, kreeg ze opeens ook een felle aandrang. Niet te doen. Het water kwam haar zelfs in de mond. Maar dit huis had godgenageld maar één wc. Ze haastte zich naar buiten, de diepe duistere tuin in, waar grote droppen hemelwater op het gebladerte pletsten. Verdorie, ze was zatter dan ze dacht. En alles was ook natter dan ze dacht. Ze gleed voortdurend uit. Over het smalle tuinpad laverend, bereikte ze de grote rabarberstruiken achter in Jozefs tuin.
‘Au! Au au au!’
Het laatste stuk van dat verrekte tuinpad was met lege in de grond geschroefde flessen afgezoomd. Een van die flessen was gebroken. Veronique was er met haar volle gewicht en haar zomersandaaltje op gaan staan, zich voorover buigend om enkele rabarberbladen opzij te duwen teneinde er een ongezien plasplekje te improviseren. Schroeiende glasstekels doorboorden haar voetzool; de pijn snerpte tot in haar borst. Ze schrok zich rot en kukelde kermend in de rabarberstruik. Gulpen bloed welden uit haar sandaaltje op. Ze eyeballde ontzet tegen de bliksemschichten in, heftig met haar armen wiekend, op zoek naar een houvast in deze vochtige kosmos. Hierbij mepte ze met haar rechterpols ook nog eens op de schervenfles die daarnet haar voet had doorboord. Fluks knapten haar aders. Ze zonk met een zucht achterover in de rabarberweelde, waarvan de twee bovenste van elkaar wegbuigende bladeren langzaam rood kleurden. In deze kelk vermengde haar bloed zich met de lauwe zomerregen en biggelde dan tappelings en sappelings van de bladeren af. De beide sappen verzamelden zich nog even in de grote gleuf van het onderste blad vooraleer ze de aarde bereikten, drup na drup na drup.
‘Bab… bab… bab… ‘ klonk het.

Nadat Jozef zijn dronken lulletje had afgeschud en (zijns inziens) voorlopig weggeborgen, constateerde hij het verdwijnen van Veronique.
‘Godvers retrowijf.’
Hij haalde zijn schouders op, stak nog een sigaret op en pakte zijn Duvel weer vast. Het was niet de eerste keer. Drank deed sommige mensen wel vaker verwarren tussen beslissingen en opwellingen. Ze had hem zelfs al eens een blauw oog geslagen zonder dat ze wist waarom. Morgen misschien. Of overmorgen. Dan zou hij haar pakken. Hij moest ook eens thuis kunnen blijven, verdomme. Die verrekte tuin vroeg aandacht. Hij goot haar bier bij het zijne en dronk rechtopstaand alles in één keer op.

26-01-17

ANGEL (23)

De drie laatste gasten in café Retro te Verkavelgem hoorden en zagen het onweer naderen.
‘Het is weer te geweldig geweest,’ merkte patron Robert op, met een nijdige knik naar buiten.
‘Ik verhuis naar Thailand,’ besliste tandeloze Simon.
‘Goeie tandartsen daar!’ sneerde Veronique. ‘A voyage with a dental plan!’
‘En ik naar de Carabijnen, of hoe heten die hoelahoepeilanden ginder ook weer,’ zei Jozef. Hij graaide zijn rookspullen bijeen en stond op.
‘Hi hi, voor die paar druppeltjes?’ sneerde Veronique. Ze kon haar r-klanken niet meer de baas. ‘Wat voor mannen zijn jullie toch?’
‘Subiet regent het oude wijven,’ articuleerde Simon, uitdrukkelijk in haar gezicht kijkend. Toch moest hij weer van haar wegkijken, want zijn mededeling werd gevolgd door een enorme hik. Hij greep naar zijn borst om de pijn te bezweren.
‘Een doodshik,’ constateerde Veronique met lijzige stem. Ze stak haar zesentwintigste sigaret op, rookverbod of geen rookverbod, mijn botten.
‘Nu, ik moet toch stilaan sluiten,’ zei Robert. Met brede strijkbewegingen begon hij het toogblad schoon te wrijven.
‘Yes, let’s call it a day,’  sprak Jozef anderstalig.
Onwillig schuifelden ze het café uit. Het zag er menens uit met dat onweer, dat hun drinkplannen een uur te vroeg in de war stuurde.
‘Recht naar huis hé, gasten,’ riep Robert ze zoals gewoonlijk na.
‘Waar anders?’ antwoordde alleen Veronique, ook zoals gewoonlijk.

Met onvaste stappen gingen ze huns weegs. Ze zetten er wat spoed achter, want het gerommel naderde nu zienderogen, van de kant van de Cruisberg.
‘Ik voel al een paar druppels.’
‘Godverdomme.’
Een felle bliksemschicht verlichtte de omgeving. Simon wrikte zijn sleutel in het slot en mompelde wat tegen zijn drinkkompanen. Hij was het eerst thuis. Veronique en Jozef mompelden wat terug en staken er nog wat meer vaart in. Vlak nadat de deur dicht was geklapt, werd Simon andermaal door zo’n worgende hik overvallen. Een pijnbom deed zijn borst ontploffen. Hij greep naar zijn keel en zeeg neer.

‘Komaan schatje,’ zei Jozef.
Veronique gooide haar sigaret weg en nam zijn uitgestoken hand vast.
‘Een spurtje tot bij mij thuis?’
‘Your place or your place? Hihihi!’
Het hoekje om en twee straten verder ploften ze in de sofa neer.
‘We zijn eraan ontsnapt.’
‘Zeg dat wel. Straks breekt de hel los. Een Duvel?’
‘Merci, graag. Anders zaten we toch nog bij Robert.’
Veronique en Jozef nestelden zich even later met enkele Duvels tegen elkaar aan, terwijl de eerste waaiwinden die een onweer voorafgaan aan de Verkavelgemse boomkruinen en struikgewassen rukten. Het gedonder werd menens; geknetter was in de maak. De donkere bult van de Cruisberg stak dreigend tegen de lucht af. Het begon wellustig te regenen.

09-01-17

ANGEL (22)

Was de veroordeelde Nazarener tegen zijn wil in door de bende ontvoerd? Wellicht niet. Niemand verlangde ernaar om aan gekruiste balken genageld en met een speer doorboord te worden. Stak er meer achter de opvordering van een willekeurige toeschouwer? Was Simon van Cyrene betrokken? Wellicht niet. Het testament waarover de te kruisigen man hem informatie toefluisterde, zal hem waarschijnlijk meer geïnteresseerd hebben dan een bloederige dood aan balken.

De actie was voor rekening van de zogenaamde ‘stokheren’, een militante Joodse organisatie van Elkesaïeten. Twaalf van ze hadden bij het laatste avondmaal aangezeten. Zij hadden het decuria dat voor de Nazarener verantwoordelijk was, omgekocht met klinkende munt. Zij hadden ze ook dronken gevoerd, via tussenpersonen, enkele uren voor de kruisoptocht begon. Het was de leider van de Elkesaïtische stokheren die de decurion had gevraagd om onderweg iemand willekeurig op te vorderen die even de plaats van de Nazarener in zou nemen. Dat diende te gebeuren voor de stoet de Oostelijke Weg zou dwarsen. Meer uitleg kregen de Romeinse soldaten niet; ze legden zich daarbij neer na een extra handvol smeergeld en knikten dat ze akkoord gingen.

24-12-16

ANGEL (21)

De decurion had het meest tijd nodig om weer bij zijn positieven te komen. Hij braakte tot tweemaal toe en spoog een tand uit. De meeste van zijn mannen bleven versuft op de grond zitten.
‘Overeind!’ brulde hij dan. ‘Overeind!’
Hij sprong op, gevolgd door de anderen, terwijl het spottende gejoel alsmaar aanhield.
‘Opzij! Opzij!’
Niemand week. Van de kapers was ondertussen geen spoor meer te bekennen. De decurion koos eieren voor zijn geld. Hij vreesde verborgen dolken en messen onder de Joden. En hijzelf en zijn decuria waren van hun speren beroofd. 
‘Vooruit!’ brulde hij dan weer, terwijl hij met zijn zweep Simon van Cyrene rechtop ranselde. ‘Vooruit! Naar de kruisheuvels! Vergelding!’
Hij merkte dat de groep voor hem al een dertigtal meter voorsprong had, en achter hem botste een andere groep al bijna tegen ze op. De decurion van die groep riep hem spottend toe: ‘Eentje kwijtgespeeld?’
De hoofdman haalde gekrenkt zijn schouders op. Hij ranselde vloekend en brakend op de weeklagende Simon en op zijn eigen soldaten in.

Drie kwartier later hing de genaamde Simon van Cyrene, door de Romeinse escorte opgevorderd uit de toeschouwers na de tweede val van de man met de doornenkroon, gekruld als een vraagteken van schroeiende pijn aan het kruis dat bedoeld was voor de met geweld gekaapte Jezus de Nazarener. 
Bliksems scheurden de hemelen aan flarden en donders roerden de doodstrommen voor dertien kermende veroordeelden verspreid over de knekelheuvels op het grondgebied van Jozef van Arimathea. Eén knekelheuvel zou later Golgotha worden genoemd, of Calvarieberg, of Kruisberg. Het graf dat de grondeigenaar er toch al liggen had, zou met toelating van Pontius Pilatus gebruikt worden als laatste rustplaats voor de aflijvige Simon van Cyrene, die echter luttele tijd later ergens anders ondergebracht zou worden door dezelfde militie die de Nazarener uit de doodsstoet weggekaapt en ontvoerd had.

Ondertussen was Veronica engele Babbe buiten adem thuisgekomen. Verscheidene keren had ze achterom gekeken, uit angst voor mogelijke achtervolgers. Nog voor het onweer echt losbarstte, bereikte ze haar woning aan de Habadweg. Haar borst ging snel op en neer. Minutenlang nog bleef ze met het in haar sluier gewikkelde testament tegen haar hart geklemd zitten, niet één keer met haar oogleden knipperend. Daardoor was haar grote omslagdoek op borsthoogte rood geworden, net als haar sluier zelf. 

21-11-16

ANGEL (20)

Ze ontdeed zich van haar sluierdoek, stapte onbevreesd op de bloedende man toe en depte met de doek zijn aanschijn. De soldaten maanden haar tot spoed aan. Terwijl dat gebeurde, siste de veroordeelde door de doek heen: ‘Hier, vlug, voor ik weer val: mijn testament. Pas op: het is nieuw. Het vervangt het oude. Verstop het op je lijf; niemand mag het zien.’
Terzelfder tijd toverde hij (ietwat beschermd door de sluierdoek) met de ene hand een rol vellen uit zijn verscheurde gewaad. Veronica aarzelde geen seconde, moffelde het razendsnel in haar doek en maakte zich weer uit de voeten. Blijkbaar had niemand de overdracht in de gaten gehad. Ze klemde de doek stevig tegen haar borst, waar haar hart hamerde hoog in de versnelling. Toen ze nog eens omkeek, zag ze hoe de man voor de tweede keer bezweek onder zijn balk-met-dwarshout. De Romeinen ranselden er vloekend op los.

Veronica engele Babbe haastte zich nu ongesluierd tegen de mensenstroom in naar huis. Iedereen leek ondertussen naar de hoofdweg gestuwd te worden, waar dead men walking in een vreselijke geselstoet vooruit sjokten, hun knekeldom tegemoet. Er waren niet minder dan dertien groepen, die telkens een veroordeelde in hun midden hadden. Aan de kruisheuvels zelf troepten inmiddels al honderden rampnieuwsgierigen samen. Sommigen hadden ook al het begin van de stoet gezien en waren dan ijlings via een omtrekkende beweging naar de plaatsen van de terechtstellingen gelopen. De duifgrijze lucht verschoot nog een tint of twee donkerder. De eerste bliksemserpentines wapperden boven de stad. Het was bloedheet, maar het zweet van de mensen voelde koud aan. Het was de temperatuur van een laffe stad die het in stilte uitschreeuwde.    

Die tweede val was er te veel aan. De soldaten plukten willekeurig een mannelijke toeschouwer uit de dikke rijen ramptoeristen en verplichtten die de doodsbalk een eind op zijn schouders mee te zeulen, in plaats van de veroordeelde.
‘Een koning mag toch niet sterven als een hond op straat!’ spotte een van de soldaten.
Na enig protest van de man en dreigementen plus zweepslagen van de escorte zette de stoet zich weer in beweging. Van die gelegenheid maakte de man met de doornenkroon gebruik. Hij naderde strompelend de opgevorderde drager en fluisterde hem toe zonder hem aan te kijken: ‘Rep je naar het huis van de vrouw die daarnet mijn gezicht depte en breng samen met haar mijn testament in veiligheid. Ze heet Veronica. Zoek haar. Hoe heet jij?’
Even gluurde de man verbaasd opzij, in het bebloede gelaat van de veroordeelde.
‘Testament?’ vezelde hij tussen zijn tanden. Daar had hij wel oren naar.
‘Ja, ik smokkelde het daarnet met haar mee. Vind haar. Hoe heet je?’
‘Simon. Simon van Cyrene.’
‘Doe het, Simon. Straks is het weer mijn beurt. Maak je daarna onmiddellijk uit de voeten,’ fluisterde de veroordeelde met aandrang. ‘Het is belangrijk!’
‘Maar waar woont die Veronica?’
‘Langs de Habadweg. Doe het, Simon!’
‘Wat lopen jullie daar te konkelfoezen?!’ riep plotseling de escorteleider. ‘Voortmaken!’
Ongerust tuurde hij naar het donkergrijze zwerk, terwijl hij blindelings de drager enkele zweepslagen toediende. Uit de immer bewegende onrustige mensenhagen stegen kreten van verontwaardiging en afkeuring op.
‘Voortmaken!’ brulde de decurion weer. Hij rekte zich even uit en ging op de tippen van zijn tenen staan om voor en achter poolshoogte te nemen hoe het eraan toe ging bij de andere ploegen met hun veroordeelde. Hij voelde aan dat hij zelf met zijn eigen decuria de zaken niet echt onder controle had. Er ging te veel dreiging uit van de opeengepakte nieuwsgierigen, waarboven die zware loden luchten gedrapeerd waren. Zijn soldaten waren dronken, alle acht. De sfeer was broeierig en leek met de minuut verhitter te worden. Hij proefde bloed, zweet, stank, zout. En er zat een verdomde houtsplinter in zijn duim, die hij er maar niet uit kreeg. Andermaal probeerde hij…

Toen gebeurde alles razendsnel.

Ter hoogte van de Oostelijke Weg weken de mensenrijen aan weerskanten plotseling uiteen. Gejoel en gebrul zwollen aan. Vijftien, twintig onherkenbaar gemaakte mannen verrasten de decuria totaal. In groepjes van twee, drie tegelijk en geholpen door omstanders vloerden ze ieder een soldaat, smakten die tegen de grond, ontnamen hem zijn speer en voeren daarna de veroordeelde mee in een dreigend terugdeinzende falanxorde, waarbij de mensenrijen aan de oostelijke kant zich vlot openden en weer sloten. Alles gebeurde in een handomdraai. De decurion had amper de tijd gekregen om op te kijken vooraleer hij met een mokerslag tegen de lever op de grond gekwakt en even overmeesterd werd. Simon van Cyrene, doodsbang voor het vooruitzicht dat ze misschien ook hem op een van de knekelheuvels zouden kruisigen – met die Romeinse dronkenlappen wist je maar nooit – keek pas na de coup ontzet om zich heen. Hij zag zijn escorte overeind krabbelen, beroofd van hun speren, grijpend naar hun hoofd, ballen, voorovergebogen, beduusd, duizelig, dronken en sommigen onder het bloed. Maar waar was… !?
Het werd Simon zwart voor de ogen. Hij viel op zijn beurt met de kruisbalken ter aarde neer.

30-10-16

ANGEL (19)


Met elf donkere slagen dicteerde de torenklok het aanbreken van het drieëntwintigste uur van het etmaal. Babbe telde inwendig mee, ondertussen aan haar kutje krabbend. Even kwam er beweging in het geslacht van de Allerhoogste Mensenzoon. Een purperen rimpelinkje trok doorheen de beide ballen. Het daarbij horende lulletje leek zich te willen manifesteren als het vogeltje van een zwartewoudkoekoeksklok, maar alras verschrompelde het goddelijke lid weer tot de eeuwenoude stand van zaken, in zichzelf verzonken en gerimpeld. De Gekruisigde had niet echt een krimp gegeven.

Men (‘men’ zijnde de mensheid gedeeld door de mens) is in de waan (synoniem: men denkt) dat toeval bestaat. Neen. Het onbestaat. Het bestaat het niet te bestaan. Zo was engele Babbe eigenlijk niet toevallig ter aarde besteld. Ook al tuimelde ze zogezegd etc… etc … Nee: Babbe ondernam een queeste naar het verloren gegane Boek der boeken. Ze was uitgezonden door Bengele Tengele, de opperengel uit de zesde hemel, ooit een geliefde van Lucifer. En hier school ook een verborgen agenda achter: engele Babbe moest intelligence verzamelen betreffende de activiteiten van Lucifer op aarde. Er deden namelijk geruchten de ronde over een roman en een wereldhit die de gemoederen van de mensheid al te zeer konden beroeren. En dat was niet goed voor de wereldbalans. De opperste heerscharen waren hierover ongerust.

Het etherische wezen wervelde nu naar de galerij van de veertien statiën in de sacristie. De grote verkeerde lieveheer aan het kruis (een met het hoofd naar links neigende Gekruisigde dus, die vooral aandacht heeft voor de slechte moordenaar aan zijn linkerkant, het begin van de rechtspraak en de bevrijdingstheologie) had haar met een onmerkbare knik van zijn hoofd de weg gewezen. 

‘Statie 6 en statie 7 verdienen nauwgezet onderzoek,’ had Bengele Tengele gezegd. ‘De statie van de vera icon en vlak daarna die van de tweede epileptische aanval van de man die op de Knekelheuvel toe stapt.’
Engele Babbe boog zich voorover om de doornenkroon op het hoofd van de koning der Joden nauwkeuriger te bekijken.
‘Een encefalogram,’ mompelde ze. ‘Goedenavond Meneer, u neemt het me niet kwalijk dat ik U en mezelf in één adem twee gevallen noem?’
Met in haar linkeroog de zesde statie en in haar rechteroog de zevende statie staarde ze daarna net zo lang tot er beweging in de taferelen kwam. Al vlug voelde ze zich samenvallen met de gebeurtenissen pakweg twee millennia geleden.

07-10-16

ANGEL (18)

Engele Babbe mocht zich gelukkig prijzen dat ze op openbaar grondbezit terecht was gekomen – weliswaar via het afstapje van een privéluifel. ‘Voor hetzelfde geld’ zoals ze hier zeggen, werd engele Babbe op zo’n privéterritorium  ter aarde besteld, waar de eigenaar haar fluks kon kooien en te werk kon stellen als engel-van-plezier. Het draaide dus anders uit. Haar malse kontje daalde uit duifgrijze luchten in openbaar Verkavelgem neder, en ongezien. Hoe dan ook: Babbe ventileerde zichzelf nu op hielhoogte door het pre-onweerachtige Verkavelgem.
(‘Ventileren’: er is geen ander woord dat het vooruit bewegen van een engele correct weergeeft. Het betreft een combinatie van sierlijk schrijden en pijlsnel suizen. In de angelieke literatuur wordt hier het ouderwetse ‘vliegen’ gebruikt.)


Niemand zag haar. Dat kon ook niet: wereldlijken konden deze angelieke verschijning niet zintuiglijk waarnemen. Alleen een bewegend of verplaatst voorwerp waar ze eventueel tegenaan botste, kon haar aanwezigheid verraden. Maar wanneer zoiets gebeurde, schreven de stervelingen dat toe aan de wind, verstandsverbijstering of dronkenschap van henzelf. Mochten ze het sappige wezen in het aangelaat kunnen aanschouwen, dan zouden ze wis en zeker uitroepen: ‘Maar is dat Vicky Leandros niet?!’ En ze zouden dan doelen op de jonge Vicky Leandros die in de vorige eeuw zulke mooie liedjes zong. Deze Vicky, Griekse halfgodin met ook nog iets Duits erbij, had toen voor talloze goede huisvaders de bijtgare natte droom betekend.

Ter zake.

Engele Babbe gaf eerst acte de présence in de kerk. Ze ventileerde zichzelf door de gesloten toegangsdeur, stevende op het hoofdaltaar af, mompelde in quick motion een engelse groetenis en bekruistekende zichzelf Vlaams-orthodox, waarbij het laatste klopje ook links eindigt, ter hoogte van het hart. De man-an-de-lat was namelijk een verkeerde lieveheer; hij neigde naar links, luisterend naar de slechte moordenaar.
‘Het riekt hier naar een lang afgesloten slaapkamer,’ constateerde ze hardop. Even wapperde ze met de onderste regionen van haar tuniekjurkje, als wou ze kwade geuren verdrijven.
‘We are not amused!’ klonk het dof en pijnlijk van op de grote crucifix. 
‘Inbeelding,’ dacht Babbe, maar toch keek ze even op naar de Gekruisigde. De Kerel gaf geen krimp. Ze detecteerde spinrag tussen kin en rechtertepel. 

08-09-16

ANGEL (17)

I, 02


Er viel nog iemand uit de lucht.
Engele Babbe, met name.

Dat gebeurde in Verkavelgem, op achtentachtig steenworpen van de voorstad: een bescheiden voorportaaltje van een rustiek landschap met een ‘berg’ op de nabije achtergrond, eerder een molshoop: de Cruisberg.
Het marktje in Verkavelgem leek eerder op een korte landingsbaan. Het was een strook tussen de kerk en wat als hoofdstraat door moest gaan, met aan weerszijden enkele winkels en twee horecazaken. Ideaal als landingsplaats voor een vliegende schotel.

Anno 20XX landde er daar inderdaad iets. Het was geen vliegende schotel. Het was een jonge vrouw. Ze kwam op een avond in augustus zo uit de lucht gevallen. Vanuit het oosten. Nou, vallen. Ze diende niet van straat geschraapt te worden, zoals het cliché dan luidt. Haar nederdaling werd gebroken door de luifel van eethuis De Vlaschaard, die uit heel sterk weerbestendig zeildoek bestond. De gevallen engele (Babbe zou ze blijken te heten) veerde met een dwaze buiteling nog een keer op, landde ten tweeden male, gleed dan van de luifel af en hupte lenig als een turnster op het trottoir.
Geen levende ziel had deze teraardebestelling gezien. Alleen Patrick van De Vlaschaard had een doffe klap gehoord.
‘Het gaat donderen,’ had hij geconstateerd. ‘Het gaat het weer niet houden, dat weer. Het is te geweldig geweest.’
Niemand luisterde, knikte of beaamde, want hij was alleen in de bijkeuken. Het betrof overigens een draak van een mededeling, verpakt in een cliché als zilverpapier: het kleinste kind voelde dit donderweer zo aankomen.

Voorwaar: diezelfde avond nog brak inderdaad een onweer los, dat de vergelijking met het tempeest in ‘De Vlaschaard’ van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels kon weerstaan. Maar toen was engele Babbe al in soesland, ergens te velde, in een moestuin onder reuzengrote rabarberbladeren.

Hupsake!

Babbe vormde met beide handen een kommetje om haar neus en schudde zich even als een natte hond. Daarna zeilden haar blikken over de verlaten hoofdstraat. De stoelen op de terrassen stonden al voorovergebogen tegen hun tafels geleund. Hier en daar flikkerde een tv-scherm even op. In de verte klonk wat gerommel. Het halfduister achter de ramen van café Retro herbergde nog drie gasten, als vraagtekens gebogen aan de toog: een vrouw en twee mannen – een ware Hopper in Verkavelgem.    

Door wie (Wie?) was deze engele gezonden?
Betrof dit een waarachtige Godsgezant?
Een tegenwicht (Wicht) voor Lucifer?
Of was dit (letterlijk) ook een gevallen engele?

Die laatste vraag was de moeilijkste, maar alvast dit. Een verklaring kan soms eenvoudig zijn: engele Babbe was simpelweg door een gat in de ozonlaag getuimeld en zo op de aardkloot gedonderd. Een hemelachtige voorzienigheid had haar veilig en wel, maar toch met een himmelhoche snelheid door een glijschacht geleid en heelhuids, nou: heelengels, ter aarde besteld. Er was alleen ter hoogte van haar neus wat ijsvorming, die alras ontdooide. Maar toch… misschien was hier nog iets anders in het spel… iets waar stervelingen geen vat op hebben.

09-08-16

ANGEL (16)

Plotseling manifesteerde zich dof gerommel in de nabije verte. De wolk met zwart vocht en vuur was in aantocht, voorafgegaan door een legertje wattenproppen.
‘Godverdefuck, dat had ik over het hoofd gezien,’ vloekte Lucifer. ‘Het weer speelt hier altijd een vuile rol in dat kloteland. En het landje is verdomd zo klein dat het niet eens een serieus weerbericht kan hebben.’
De honden waren daarnet al verstard en muildood in hun vlakke positie gebleven, toch nerveus en bang tot in de puntjes van hun oren. Ze pasten in het plaatje van de Bambruggestraat als Pompei. Nu begonnen ze zacht te janken.     
Als een ongewenste zwangerschap naderde de donkere wolk al vlug de voorstad. Straks zou de hel losbarsten, zoveel was zeker.
‘Ah! Daar rukt de bloedmelk aan!’ riep Lucifer. ‘Weer of geen weer!’
Erik kwam omzichtig met drie glazen aandragen, terwijl hij met één oog ongerust naar de lucht keek.

‘Godverdefuck!’ papegaaide hij nu ook.
In de belendende tuin dreef een babyrookwolk.
‘Mijn aubergines!’
Hij plantte de glazen ijlings op de tuintafel neer en repte zich via de trapladders en het loopbrugje naar zijn (nou: Franklins) keuken.
‘Nog vlug even… op de valreep… ‘ zei Lucifer, terwijl hij ook een bedenkelijke blik omhoog wierp. ‘Terwijl je lieverdje de aubergines is gaan blussen… mijn plan met jullie.’
‘Eindelijk,’ verzuchtte Marlize. ‘Eindelijk komt het ervan.’
‘Ik doe jou een roman cadeau en ik geef Erik een wereldhit. Jij bent de moeder van allebei. Alles komt van jou. Jullie worden mijn Adam en Eva. Sorry: Eva en Adam. We hebben een verbond; we hebben daarnet onderling al sappen uitgewisseld. Een tegenzet voor de Allerhoogste.’
‘En Franklin dan?’
Even look Pasja een oog.
‘Franklin heb ik met jullie steun naar de hel gezonden; hij heeft nu een hondenleven. Hij was te hebberig. En te vet. Aardig van hem om te stelen, daar niet van, haaks op het auteursrecht, maar nee. Bovendien had ik voor mijn plan een koppel nodig. Een duo met problemen. Een individuo waar een comeback voor nodig was: aantrek en afstoot, twee stukken van één kont, zeg maar. Dat leest en luistert allemaal veel lekkerder weg. Mijn evangelie moet ook verkocht raken hé. Ik ken de markt. Vandaar ook eh… mijn mirakel met de menshond hier. Of zal ik zeggen: hondmens? Three is a crowd; two is… a hell of a job.
‘Waarom mag Erik dit niet horen?’   
‘Mm… heerlijk!’
Lucifer stak zijn neus omhoog in de verschroeide lucht die hen vanuit de aanpalende tuin tegemoet woei.
‘Zijn comeback bij jou geeft hem al meer dan genoeg satisfactie. Succes moet bij hem met mondjesmaat in gelepeld worden. Ha ha ha… ! Wat zeg ik!? Hi hi ! Ik denk aan daarnet in de gang… ‘
‘Ja ja… al goed.’
‘Hij is een man hé.’
‘Wat bedoel je daar mee?’
‘Een niet-vrouw.’
‘O, juist.’

Er stak wind op. De onweerswolk  snelde als een kudde woedende zwarte schapen het luchtruim boven de voorstad tegemoet.
‘Ooigevaar! Ooigevaar!’ riep de duivel spottend.
Ondertussen klauterde de niet-vrouw weer over de beukenhaag.
‘Red de bekers van het Verbond!’
Lucifer greep naar de glazen Bloody Mary, deelde ze uit, tikte, knikte en dronk. Op datzelfde ogenblik weerklonk intens geknetter, dat door merg en been sneed. Een zigzaggende serpentine doorkliefde de lucht. Dichterbij volgde nu een knal.  Onthutst keken Marlize en Erik opzij. Waar Lucifer had gestaan, hing alleen nog een solferwalm. Op het kunstgras vormde zich een melkachtig plasje. Ze hoorden nog vaag het uitstervende gerinkel van zijn cocktailglas, als een windklokje. Vlak daarna sausde de regen naar beneden. Onzichtbaar tussen het onverdroten neervallende hemelwater daalden ook duizenden kleine naakte putti neer gewapend met vlammende zwaarden die in aanraking met de regen duizendvoudig gesis veroorzaakten als in een reuzensmidse.

17-07-16

ANGEL (15)

Mosterdgeel zonk de zon weg in de augustusavond. De achterkant van de beide huizen nam in de laatste gloed van de dag oud-Bulgaarse proporties aan: lagen natuursteen, kruiswoordraadselachtige kloosterstenen in balkankleuren, houten dwarsbalkjes, orthodoxe glasramen en gebeeldhouwde series hakenkruisen wisselden elkaar in een vreemd soort symmetrie eclectisch af – een beetje zoals het cyrillische schrift: grillige maar toch beheersbare meetkunde. De koperen ploert deed duidelijk haar werk – hallucinant.
‘Dit is niet jullie balkon, maar jullie Balkan,’ grapte Lucifer. ‘En zoals je ziet: de wereld draait vierkant in het rond. SATOR AREPO TENET OPERA ROTAS. Heb je mijn hoofdletters gehoord?’
Hij aaide de honden over hun kop en schoot zijn sigarettenpeuk tussen duim en wijsvinger weg.
‘Tuinfeestje?’ suggereerde hij. Ze knikten.
‘Waarmee laven we onze dorst? De Devil’s Sperm is op, helemaal op. Nietwaar, Pasja?’ zei Erik.
De zwarte poedel hief schaapachtig zijn kop en leek te kokhalzen, als een kat die een haarbal in haar maag voelde tollen.
‘Een Bloody Mary?’ stelde Marlize onderdanig voor. ‘Erik maakt die als geen ander. Ze zijn erg lekker.’
Bloody it is,’ knikte Lucifer. ‘Mag ik je feliciteren met de keuze. Doe wel wat kleren aan als je de drankjes maakt, Erik. Ik wil namelijk geen vetogen op mijn Bloody zien drijven. Het is geen kippensoep hé. En breng die hotdog mee. Geen aubergines voor mij; er zijn grenzen aan de gezondheid. Hotdog is goed.’
Denise en Pasja hieven geschrokken hun kop. Hij plantte zijn vork in de grond naast het kruidenperkje en plofte in een ligstoel neer. Erik verdween gekrenkt naar de keuken.
‘Mooie bikini, bijna bikiniks, sappige borsten, en zoveel!’ wees Lucifer met een hoofdknik. ‘Prachtige vooruitzichten, voorwaar! Ben je zwanger?’
‘Dat zou dan van jou moeten zijn, hoorndrager, sedert vijf minuten. Maar ik wil geen kind met hoefjes.’
‘Ja, we waren lekker hotdog hé.’
‘Flauwe mop, demon.’
‘Hebben de honden al gegeten?’
‘Die komen niks te kort.’
‘Wat een cliché. Zelf al eens hond geweest voor pakweg een week of twee in de zomervakantie?’
‘Komaan zeg.’


Lucifer aaide de beide koppen weer, maar de beesten reageerden niet. Ze lagen als in doodsangst te rillen en te sidderen, zonder ook maar een poot te bewegen.
‘Hoe gaat het met je roman? Vlot het een beetje? Verkondig je wat ik je heb opgelegd? Het opblinken van de gekartelde kanten van de mensheid? Het uitroken van de hartkamers? Het zingen van de zwarte ziel?’
‘Het is een pak van mijn hart dat ik in één grote gulp de achterkant van mijn hart kan afstoffen. Beroepshalve moet ik het anders altijd doen met korte zinnetjes en sloganeske tekstjes hé. Wij maken het verschil, van dat soort moegeluld geouwehoer.’
‘Spaar de mensheid niet. Mens = men x acht miljoen. Een zootje. Er moet balans in gebracht worden. Er kome evenwicht! Lees ze de les. Draai ze een loer.’
De duivel wond zich nu waarachtig even op.
‘Laat die fucking bitch roman op ze af!’

14-06-16

ANGEL (14)

Het was de duivel in hoogsteigen persoon.
Hij stond zowel aan de voordeur met het huisnummer 66 als aan die met 68. Marlize en Erik schrokken zich een bult toen ze zich even voorover bogen om te zien wie bij de buur had aangebeld. Fata morgana?? Spiegeltweeling??
‘Ik kom je halen,’ zei hij tegen Marlize.
‘Ik kom je halen,’ zei hij tegen Erik.
Zijn blikken gleden onbeschaamd over hun blote bast. Hij ontkleedde ze moeiteloos tot op de draad.
‘Maar eerst gaan we een feestje bouwen. Zijn de eierplanten gaar? Is er ook hotdog? Ja hé?’
Lucifer tikte met een grote vork op het trottoir.
‘Ik zorg voor het vuur, hi hi hi! Mannen en vuren: een oud verbond.’
Vurige vlammen dansten om zijn lendenen; verzengende avondzonnehitte verschroeide nog altijd de straat. In de verte manifesteerde zich een wolk zwanger van zwart vocht en vuur, maar dat merkten ze niet. Marlizes dundoek smolt in een oogwenk; Eriks handdoek ging krullend als een snipper papier in het vuur  op in het niets. Ze deinsden allebei een stap achteruit. Daarop verliep de visitatie van de duivel zeer intens: hij harpoeneerde zijn purperen lul in de mond van Erik zowel als in de kont van Marlize (die zich in een vluchtreactie omgedraaid had). Er was geen ontkomen aan deze prompte stijfheid. Harde Lust muss sein!!
‘Een woord vooraf!’ riep Lucifer. ‘Intro! Aangekondigd bezoek! Beleefder kan niet! Mondje! Kontje! Hondje! Ha! Ha! Ha!’
Lucifer kwam klaar gelijktijdig in huisnummer 66 en 68, woest met zijn vork boven zijn hoofd wiekend. Een grote vloedgolf haastzaad bevolkte de uithoeken van haar provinciën en zijn zevende gehemelte. Met bezwete koppen en kil kippenvel alom ondergingen de gastvrouw en de gastheer de penetratie. Ze werden koud gepakt bij een temperatuur van om en bij de 38 graden Celsius. In de beide gangetjes walmde een solferlucht. Ondertussen weerklonk in de tuin het klaaglijke janken van Pasja en Denise, af en toe begeleid door het rammelen van kettingen.
‘Brr… Lekker. En straks Erik en Denise, en Pasja en Marlize, op een bedje van kunstgras? La hondition humaine?  La kontition enchientée?’ riep de duivel hees, terwijl hij zijn rokende lul weer uit mond en kont trok.
‘O… Ik spreek vele talen… hoe onvolkomen ook… maar hoor ik daar ook kettingen? Wat een kruisbestuiving! The Beast is alive… and kicking and ketting!
‘Djeezes! Je bent zat, Lucifer,’ bracht Marlize het er moeizaam uit. ‘Je bent lazarus. Wat heb je in hemelsnaam gezopen?’
‘Devil’s Sperm?’ opperde de duivel grijnzend. ‘Mijn aubergine zocht zich een weg naar een liefdesgrot. Wat vloeit, wil vast worden. Wat vast is, wil vloeien. Denk inderdaad aan Lazarus, de Bijbelsukkel, de afgesmoltene.’
‘Vuile verkrachter die je bent!’
‘Stembanden oké, notenkraker?’ vroeg hij spottend aan Erik. ‘Lekker gesmeerd? Toontje hoger zingen, achternicht? Of ben je liever als holbewoner aangesproken? Naai ik je een rieten rokje aan? Duurt twee helften lang.’
‘Misdadiger!’ fulmineerde Erik. ‘Lafaard! Gedegenereerde homo!’
‘Ho ho ho Vinquier-Vervecken! Rustig maar. Wik je woorden. Noem mij bijvoorbeeld heilige misdadiger. Of aartsengel. Vergeet niet dat ik een hoge positie had in de hemel hé! Ik miste uiteindelijk alleen de aandelenvergadering. Ietwat andere agenda, ja. En daarnet bewees ik die hogere positie in je hoofdgleuf, ha ha ha! Knielen heb je gedaan. Knielen tot je kreukte in je huidplooien en je bilspleet ondertussen de afgod van de achternichten dankte. En ja: ik ben nedergedaald op deze aardkloot. Beetje gedegradeerd, dat wel. Dat geef ik toe. Maar ik heb ook het hoogterecord. Wie doet me dat na?’
‘Hotdog?’ bracht Erik nu zwakjes in, bang naar de tanden van de vork loerend.
‘Ja,’ zei Lucifer. ‘Vast voedsel. Maar eerst het navocht van mijn aubergine beheersen.’
Hij bracht een van de tanden van zijn vork in zijn lendenvuur en schroeide er  daarna zijn lul mee dicht.
‘Moet ik je kut eerst nog dichtnaaien?’ bood hij Marlize aan.
‘Nee,’ zei ze. ‘We zijn hier niet in Somalië. Dit is een geschaafd land. Ik wil wel mijn Tunesische stranddundoek terug.’
‘Komt onmiddellijk voor de bakker. Jij ook je mediterraan lendendoekje terug, Jezus Vinquier? Of moet ik Vervecken zeggen? Djeezes: ga je vaak met Jetair weg? Koop eens een andere handdoek.’
‘Daag me niet uit.’ repliceerde Erik, inmiddels ietwat bekomen van de verkrachting. ‘Ik heb ook nog wat textiel van Thomas Cook liggen.’
‘Dacht ik het niet, rokjesdrager,’ antwoordde Lucifer, terwijl hij een Laurens 48 opstak.

08-05-16

ANGEL (13)

Er lagen enkele weken zomervakantie in het verschiet. Als in een roes zette Marlize zich aan het schrijven. Ze was zwanger van een roman. Een allesverzengende bitch met een franke muil en ontembaar libido speelde er de hoofdrol in. Kruistochten in liefdesnaam! Vuur en vlam! Erik maalde kilometers, tilde kilogrammen, temde honden (die hij nu zelf ook op oneven dagen uitliet) en berekende gezondheidsprogramma’s voor de fitnessers in Shakespier. Eind augustus zou hij de muziekprijs uitgereikt krijgen op een plechtigheid in de hoofdstad. Hij geleek ondertussen al volledig op de identiteitskaart van Franklin Vervecken. Hij bewoonde diens huis de helft van de tijd en daalde via een loopbrugje op twee trapladders ook zeer regelmatig in de tuin van Marlize neer: koken, neuken, tv-kijken en drinken deden ze samen. De honden vergleden in een zomerse halfcoma. De hitte werd hun vaak te bar; ze brachten heelder dagen languit door, hijgend met hun tonglappen ver uit hun muil.

Eenzelfde droom kan nogmaals gedroomd worden. Zelfs meerdere keren. Op een bloedhete valavond – de zonnehitte was de straatbedekking veruit aan het koken – werd er aangebeld. Dat gebeurde gelijktijdig zowel bij Erik als bij Marlize. Ze konden allebei de beide belsignalen horen. Pasja en Denise kwamen grommend half overeind. Erik griste een handdoek van het droogrek, bond die om zijn middel (hij was in zijn ‘eigen’ keuken een verrassingsschotel met aubergines aan het prepareren – een staaltje van naaktkoken) en ging opendoen op hetzelfde ogenblik waarop ook Marlize in her birthday suit gewikkeld in een Tunesische stranddundoek haar eigen deur voorzichtig opende.

02-04-16

ANGEL (12)

Zestien dagen later arriveerde bij de heer Franklin Vervecken in de Bambruggestraat het heuglijke bericht dat hij de laureaat van de NNMMA-wedstrijd geworden was. In verband met zijn inzending RacecaR was er sprake van unanimiteit in de vakjury. De weken daarvoor hadden Marlize en Erik Vinquier de nodige maatregelen getroffen betreffende Franklins school. Ze hadden zijn huis overhoop gehaald en zowel telefonisch als papieraal als digitaal de noodzakelijke administratie verricht om hem gedurende de maanden mei en juni buitenspel te zetten. Een paar luttele (vervalste) documenten stuurden hem naar een alcohol- en vetontwenningskliniek in het groene hart van een aanpalend buurland. Het ging om mentale en fysieke gezondheid bij hoogdringendheid. De schooldirectie diende dus voor vervanging te zorgen. De maanden juli en augustus vormden geen probleem; alle leraren in het middelbaar hadden dan immers vanzelf vrij. Erik en Marlize hadden zelfs de moeite genomen de stapel verbeterde huiswerkbladen die ze in een van de bovenkamers aantroffen in een postpakket naar het secretariaat van de school te zenden. Medio augustus zou de school geüpdatet worden betreffende een eventuele heropstart in september.

Erik Vinquier nam zijn intrek naast Marlize. De ‘comeback’ was dus toch een feit geworden. Na veel oefening en volgehouden routine ontpopte hij zich geleidelijk tot een aanvaardbare versie van de nieuwe Franklin Vervecken. De bewoners van de Bambruggestraat kenden elkaar immers nauwelijks. Hij goochelde met haarkleur, crèmes, kleren, kleuren, houdingen, loopjes en tics. Hij zorgde er voor dat hij zichtbaar ging joggen en aan gezondheid deed. Hij liep net snel genoeg langsheen deuren en vensters en tuinen van de stille Bambruggestraat, handdoek in de nek, zweetband om het hoofd om geloofwaardigheid te kweken: ja, die volslanke eenzaat Franklin was toch maar goed op weg naar een normaal lichaam! Goed bezig. Een aanwinst voor de buurt.
Marlize liet zich evenmin onbetuigd. Ze liet elke avond na haar werk twee honden uit: Denise de bruine hondin en Pasja de zwarte poedel. Die laatste was de lastigste. Hij arriveerde elke avond hijgend en snakkend naar adem aan de deur in de garagepoort, waar hij al helemaal niet door wou. Er deed zich dan telkens een scène voor. Wie scherper toekeek of zijn oor te luisteren legde, had kunnen denken dat Pasja iets wou roepen, zoals een mens dat zou doen. Maar de Bambruggestraat had net zo goed in gestold Pompei kunnen liggen: niemand schonk ooit enige aandacht aan het drietal, en zeker al niet aan die koppige kroeskop van een hond wiens schor gehijg elke avond verzandde in schril gepiep.  

02-03-16

ANGEL (11)

De Devil’s Sperm begon zijn werk te doen. Nog drie cocktails later, bij ondergaande meizon, wees Franklin met dramatisch gestrekte arm naar zijn dichtste bovenvenster en sprak tot zijn nog immer halfontblote buurvrouw en haar zwartzalmroze zaadtoeleverancier: ‘Ziedaar mijn zielenluik naar binnen gericht, mijn vergezicht naar buiten gericht, de hemelspiegel voor mijn instrument… ‘
‘… mijn fluitje van een cent… ‘ vulde Marlize aan, terwijl ze rechtopzittend in het midden van de schommelende hangmat haar evenwicht verloor en hikkend lachend slagzij maakte. Moeizaam klauwend kwam ze weer overeind.
‘Fluit nog eens voor de kokkelkop, toe,’ fleemde ze.
Denise de hondin kwam grommend overeind; een zwerm kwaad kwetterende vogels scheerde als een luftwaffe over de berkjes.
‘Jij niet, blafmachine!’
‘Wat zei je?’ vroeg Franklin, terwijl twee van de tuinstoelpoten waar hij op zat dieper in het kunstgras wegzonken. Hij morste wat duivelssap op zijn rechterbil.
‘Wie zaad slikt, kan fluiten.’
‘Ha ha ha ha!’ lachte Erik dronken.
‘Wat geven ze je in de refter op school te vreten, zangvogel Franklin?’
Marlize articuleerde langzaam, loom en lijzig. Haar roestige stembanden leken de woorden als met een trage hijskraan vanuit de peilloze poel van Devil’s Sperm in haar maag op te vissen.
‘Weet je wel altijd wat je achter je… tussen je… om het even… onder je tanden krijgt? Hé?’
Franklin keek haar dronken aan. Hij zag alles dubbel. Ze zat met z’n tweeën op de hangmat; de vier bikinibandjes hingen weer halfstok. Erik hing met z’n kloon languit in een ligstoel die steeds maar wegzeilde en terugkeerde. Zijn teelballen en zijn lam gedronken lul lagen buiten westen in zijn boxershort. Was er hier nog iemand? Geweest? Steeds weer meende Franklin dat dit zo was. Geweest was. Waar was hij? De omgeving veranderde voortdurend. Wie zat hier daarnet ook? Met z’n hoevelen…
‘… piano… vals gebit… uren hebben… muren hebben het gehoord… oren… zei ik… Erik… waar of geen waar… ‘
‘Devil’s Sperm!’ brulde Erik plotseling. Hij probeerde uit de ligstoel te komen en rechtop te springen om te toosten, maar dat lukte niet. Denise kwam overeind.
‘Franklin! Santé! Gezondheid! Op mij!’
‘Erik’s Sperm!’ joelde Marlize. ‘Een fluitconcert op Erik’s Sperm! Joehoe!’
Franklin boerde ongewild hardop en secondelang. Verschrikt probeerde hij hun blikken vast te houden. Zijn oogballen gingen echter ieder huns weegs. Hij tuimelde opzij met zijn tuinstoel, gooide gelijk zijn halfvolle glas in Eriks schoot en braakte dan wellustig een kruidenperkje onder. Denise stortte zich grommend op hem.

Franklin werd wakker met een hondenkop. In zijn muil overheerste de kotssmaak. Hij drapeerde zijn kop tussen zijn voorpoten en gaf zich over aan bodemloos ziek-zijn, zo horizontaal mogelijk. Aldus overbrugde hij een nacht en een dag – overgeleverd aan een kosmos van zinloze en zieke flitsen, spiralen, pijlen, slingers, sterren, zwarte gaten en walgelijke Melkwegvellen. Tussendoor zweefden er enkele toonloze noten, maar de ladders bleven telkens buiten zijn bereik. Af en toe gromde Franklin in deze ziekelijke halfslaap. Toen hij na een eeuwigheid misselijkheid eindelijk wakker werd, merkte hij dat hij in een hondenhok lag. Een zware ketting die van om zijn nek vertrok, leidde meanderend naar een stalen pin met een oog. Die was diep in een in de grond verzonken betonblok gedreven drie meter buiten het hok. Franklin balde ongeloof, paniek en nieuwsgierigheid samen en verkende zijn opgelegde territorium. Hij bleek net om zijn hok heen te kunnen; wrikken of sleuren aan de pin of met de ketting was totaal zinloos: zoveel was duidelijk. Hij blafte schril en keerde beschaamd omwille van zijn blote kont en zijn stomme ontsnappingspoging naar zijn hok terug.